BELASTINGKAMER Nr. 97/00406 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar
(15)dagen en overeenstemmend met de ontplooiing van zijn activiteit als prof-sporter, voor de voorbereiding van genoemd materiaal waarbij alleen de direkte kosten, gemaakt door VERBONDENE om aan genoemde activiteit deel te nemen, voor rekening van L zijn. (_) 10 - De VERBONDENE houdt zich beschikbaar tijdens de CONTRACTUELE PERIODE, op verzoek van L, voor de promoting en/of de publiciteit van de CONTRACTUELE PRODUKTEN, om zijn aanwezigheid te verlenen in de hoedanigheid en vorm door L vastgesteld, voorafgaande overeenkomstige kennisgeving van minimaal 15 dagen, voor ten minste 5 maal elk CONTRACTUEEL JAAR. In dat geval zal L de reis en verblijfkosten gehouden door VERBONDENE vergoeden.". 2.4.7. De beloningen die L op grond van het contract verschuldigd werd, waren, naast een vast bedrag van c Engelse Ponden per contractjaar, afhankelijk van belanghebbendes sportieve prestaties. 2.4.8. In 1991 heeft L uit hoofde van het contract de volgende bedragen aan J betaald: -vaste vergoeding ƒ c -sportieve prestatie I ƒ d -sportieve prestatie II ƒ e Totaal ƒ g. 2.5. De Inspecteur heeft 90 percent van dit bedrag tot het inkomen van belanghebbende gerekend tegen een omrekenkoers van één Engelse pond voor ƒ 3,23, hetgeen resulteert in (afgerond) ƒ h,--. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur het hiervoor in 2.5 genoemde bedrag van ƒ h,-- terecht tot het inkomen van belanghebbende heeft gerekend. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd: 3.2.1. Belanghebbende: Het komt in de praktijk voor dat licenties op imagerechten worden verleend zonder dat de desbetreffende topsporter zich verplicht om medewerking te verlenen aan fotoreportages of andere activiteiten ten behoeve van de licentienemer. Ik ken zo uit het hoofd al twee gevallen betreffende andere topsporters waarin een dergelijk contract is gesloten. In beide gevallen ging het om topsporters die erin toestemden dat hun beeltenis werd afgedrukt op een product van de licentienemer. In het ene geval werd de beeltenis afgedrukt op drinkbekers in het andere geval op shampooflacons. Onderaan het contract met L is voorzien in ondertekening door belanghebbende. De handtekening van belanghebbende ontbreekt echter. Mijn verklaring hiervoor is dat het niet gebruikelijk is dat de sporter waarom het gaat dit soort contracten mede ondertekent. Indien er een splitsing zou moeten worden gemaakt van het door L betaalde bedrag in een deel dat J toekomt als houder van het exploitatierecht op grond van de overeenkomst tussen belanghebbende en J en een deel dat rechtstreeks aan belanghebbende toekomt, dan meen ik dat minstens 90 percent rechtstreeks toekomt aan J en maximaal 10 percent aan belanghebbende. 3.2.2. Inspecteur: Naar mijn mening was belanghebbende partij bij het contract met L. Bij splitsing van het door L betaalde bedrag in een deel dat J toekomt als houder van het exploitatierecht op grond van de overeenkomst tussen belanghebbende en J en een deel dat rechtstreeks toekomt aan belanghebbende, komt naar mijn mening 10 percent rechtstreeks toe aan J en 90 percent aan belanghebbende. Een hogere beloning voor J is niet op zijn plaats omdat het belang van L bij de medewerking van belanghebbende volstrekt overheersend was. Verder is in dit verband van belang de aard en omvang van de door L van belanghebbende bedongen medewerking, de branche waarin L actief is en de hoogte van de tegenprestatie. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en primair vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ j,-- en subsidiair vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ k,-- (te weten ƒ j,-- vermeerderd met 10 percent van ƒ h,--). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 4. Overwegingen omtrent het geschil 4.1. Het contract met L is een driepartijenovereenkomst tussen belanghebbende, J en L, waarbij J een sub-licentie aan L verstrekt ter zake van de exploitatierechten die zij verkregen had krachtens haar overeenkomst met belanghebbende, en waarbij de prestatie van belanghebbende bestaat uit het verlenen van medewerking aan fotoreportages, het dragen van kleding en schoeisel van L en het overigens deelnemen aan promotie-activiteiten van L, een en ander als omschreven in de onderdelen 2.4.5 en 2.4.6 van deze uitspraak. De omstandigheid dat belanghebbende niet het contract mede heeft ondertekend doet aan het voorgaande niet af, aangezien: (
- a)van de zijde van belanghebbende ter zitting is gesteld dat het niet gebruikelijk is dat dit soort contracten wordt mede-ondertekend door de desbetreffende topsporter, (
- b)belanghebbende in het contract wordt aangeduid als "de verbondene" die bepaalde prestaties moet verrichten en (
- c)het contract met L ziet op de gehele wereld, terwijl belanghebbende aan J slechts een exploitatierecht voor het gebied van de Europese Economische Gemeenschap had verleend. 4.2. Belanghebbende heeft betwist de stelling van de Inspecteur dat J als vertegenwoordiger van belanghebbende optrad. Ondenkbaar is echter dat het contract met L totstandgekomen is zonder dat L zich op enigerlei wijze van de medewerking en instemming van belanghebbende heeft verzekerd. In het midden kan derhalve blijven of J als vertegenwoordiger is opgetreden of dat belanghebbende op een andere wijze partij geworden is bij dit contract. 4.3. Niet kan worden gezegd dat de hiervoor in 4.1 omschreven prestatie van belanghebbende reeds aan J toekomt op grond van de overeenkomst tussen belanghebbende en J. Die overeenkomst ziet immers slechts op de overdracht van een exploitatierecht ter zake van bepaalde (immateriële) eigendomsrechten van belanghebbende. Een nog te leveren (arbeids-)prestatie of een te verlenen dienst, zoals de door belanghebbende op grond van het contract met L te verrichten prestatie, kan niet worden gerekend tot de immateriële eigendomsrechten welke door belanghebbende aan J in exploitatie zijn gegeven. 4.4. Evenmin kan worden gezegd dat de onder 4.1 bedoelde door belanghebbende te verrichten prestatie ondergeschikt is aan en opgaat in het exploitatierecht dat hij heeft verleend aan J. Immers, ter zitting is van de zijde van belanghebbende aangevoerd dat het in de praktijk voorkomt dat licenties op imagerechten worden verleend zonder dat de desbetreffende topsporter zich verplicht tot het verlenen van medewerking aan promotie-activiteiten van de licentienemer. Derhalve kan niet worden gezegd dat deze verplichting impliciet deel uitmaakt van de overeenkomst met J. Het Hof acht in dit verband aannemelijk de stelling van de Inspecteur dat het ondenkbaar is dat L bereid zou zijn geweest een tegenprestatie van eenzelfde orde van grootte te leveren als de medewerking van belanghebbende zou zijn uitgesloten. 4.5. Mede op grond van het vorenoverwogene is het Hof met de Inspecteur van oordeel dat de door L uit hoofde van het contract verrichte betalingen aan J voor een deel hun oorzaak vinden in de door belanghebbende jegens L verrichte prestaties en voor het overige op sub-licenciëring door J. Over het deel van de betaling dat ziet op de door belanghebbende verrichte prestatie heeft belanghebbende beschikt door de betaling te laten plaatsvinden aan J. Deze inkomsten zijn door belanghebbende genoten op het moment van betaalbaarstelling aan J. Niet in geschil is dat deze betaalbaarstelling in 1991 plaatsvond. 4.6. De Inspecteur heeft gesteld dat het deel van de tegenprestatie van L dat ziet op de door belanghebbende te verrichten arbeid of diensten moet worden gesteld op 90 percent. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij aangevoerd dat het belang van L bij de medewerking van belanghebbende volstrekt overheersend was, gezien de aard en omvang van de door L van belanghebbende bedongen medewerking, de branche waarin L actief is en de hoogte van de tegenprestatie. Het Hof acht deze stelling en de daarvoor gegeven onderbouwing aannemelijk. Het Hof kan niet volgen belanghebbendes stelling dat het door J in 1988 verworven imagerecht volstrekt overwegend was en dat derhalve 90 percent van de tegenprestatie van L aan J moet worden toegerekend. De door belanghebbende gestelde omstandigheid dat andere topsporters erin zijn geslaagd het (passieve) imagerecht afzonderlijk te exploiteren doet hieraan niet toe of af. De voorbeelden die belanghebbende in dit verband heeft genoemd betreffen immers fabrikanten in andere branches (shampoo en drinkbekers), waarvoor het minder voor de hand ligt dat de topsporter zich dient te tonen met de producten van de fabrikant, zodat anders dan in het onderhavige geval gebruik kan worden gemaakt van reeds bestaand beeldmateriaal en voorts is door belanghebbende niets gesteld omtrent de hoogte van de tegenprestatie in dergelijke gevallen. 4.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. De uitspraak moet worden bevestigd. 5. Proceskosten Het Hof acht geen acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van dit geding. 6. Beslissing Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak. Aldus vastgesteld op 12 mei 2000 door R.J. Koopman, voorzitter, A.J. van Soest en P.J.M. Bongaarts, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 mei 2000 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.