typ. JZ rolnr. C9801040/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH, tweede kamer, van 5 december 2000, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante), gevestigd te [plaatsnaam], appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, procureur: mr J.H.M. Erkens, t e g e n [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, procureur: mr M.J.M. Verschuren, op het bij dagvaarding van 28 oktober 1998 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank te Breda tussen appellante in principaal appel, geïntimeerde in inciden-teel appel, [appellante], als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, [geïntimeerde], als eiser in conventie, verweerder in reconventie onder rolnummer 40153/HAZA 96-1675 gewezen vonnissen van 3 juni 1997, 26 augustus 1997, 24 maart 1998 en 20 oktober 1998. ------------------------------------------------------ 1. De eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden. 2. Het geding in hoger beroep Van deze vonnissen is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft zij een grief aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven. Bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel heeft [geïntimeerde] de grief van [appellante] bestreden, tegen de vonnisen van 24 maart 1998 en 20 oktober 1998 ieder een grief aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellante] de grieven van [geïntimeerde] bestreden en geconclu-deerd tot verwerping van het incidenteel beroep en verwij-zing van [geïntimeerde] in de kosten. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht. 3. De grieven In principaal appel De grief richt zich tegen de veroordeling van [appellante] om aan [geïntimeerde] een bedrag van f 65.000,= met rente en kosten te betalen en hetgeen de rechtbank aan die beslis-sing ten grondslag legt. [appellante] beoogt hiermee het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof begrijpt de grief aldus, dat deze zich richt tegen alle vier vonnissen, voorzover in conventie gewezen. In incidenteel appel Grief I richt zich tegen de afwijzing van de bijkomende schadeposten en grief II tegen de vaststelling van de schade in de zin van een lagere verkoopprijs op f 65.000,=. 4. De beoordeling In principaal appel en in incidenteel appel 4.1 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [geïntimeerde] en zijn echtgenote hebben op 17 juli 1993 met [appellante] een bemiddelingsovereenkomst gesloten in verband met de verkoop van hun woning aan de [adres]te [woonplaats]. In deze overeenkomst is als vraagprijs opgenomen f 690.000,= k.k. [geïntimeerde] is in augustus 1993 naar [woonplaats] verhuisd. [appellante] heeft op 11 september 1993 een verhuisbericht ontvangen. [geïntimeerde] en zijn echtgenote zijn op 20 oktober 1993 akkoord gegaan met een verlaging van de vraagprijs naar f 620.000,= k.k. [geïntimeerde] heeft bij brief van 20 november 1993 (die in de procedure niet is overgelegd) aan [appellante] een termijn van drie maanden gesteld om de bemiddelingsopdracht uit te voeren. Deze brief heeft [appellante] niet beantwoord. Bij brief van 31 december 1993 heeft [geïntimeerde] de bemidde-lings-opdracht ingetrokken. Op 8 januari 1994 heeft [geïntimeerde] een andere makelaar een bemiddelingsopdracht verstrekt. Hierbij is aanvankelijk een vraagprijs van f 595.000,= k.k. en later een vraag-prijs van f 545.000,= k.k. gehanteerd. In mei 1994 is de woning via deze makelaar verkocht voor f 470.000,= k.k. (inclusief f 10.000,= aan roerende zaken). [geïntimeerde] heeft [appellante] begin 1994 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade en tegen de behandelend makelaar van [appellante], [de makelaar], bij de NVM een klacht ingediend. De Raad van Toezicht [plaats] van de NVM heeft op 6 december 1994 de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en aan [de makelaar] de straf van berisping opgelegd. 4.2 [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellante] bij de uitvoering van de bemiddelingsovereenkomst wanprestatie heeft gepleegd, waardoor [geïntimeerde] schade heeft geleden bestaande uit:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.