BELASTINGKAMER Nr. 97/00809 HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, tweede enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer J te B, België, (hierna: de belanghebbende), te dezen op de voet van artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ten tijde van het instellen van beroep domicilie kiezend ten kantore van zijn na te melden gemachtigde te R, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen B van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
(1994)op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van de verordening in samenhang met artikel 10ter van de toepassingsverordening 574/72 uitsluitend was onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van zijn woonland België. 4.17 Het Hof verwerpt daarom het onder 4.12 omschreven betoog van de Inspecteur. 4.18 Nu op belanghebbende in 1994 op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, van de verordening de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing was, brengt de systematiek van de verordening mee dat hij viel onder de personele werkingssfeer daarvan. Artikel 6 van de verordening sluit daarom de toepassing van andere socialezekerheidsregelingen die in de verhouding tussen Nederland en België van kracht zijn uit. 4.19 Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat toepassing van deze andere regelingen evenmin tot verzekeringsplicht van belanghebbende zou hebben geleid, aangezien deze regelingen in 1994 niet voorzagen in de aanwijzing van een op belanghebbende toepasselijke socialezekerheidswetgeving. 4.20 Het Verdrag tussen Nederland en België van 29 augustus 1947 betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering, Stb. 1948 I 220, gewijzigd bij Overeenkomst van 4 november 1957, Tractatenblad 1958, nr. 1, voorziet in aanwijzing van de toepasselijke wetgeving op loonarbeiders en daarmee gelijkgestelden (in de Franse tekst “travailleurs salariés et assimilés”) en op zelfstandigen. Naar normaal spraakgebruik kan degene die zijn arbeid niet tegen beloning verricht, zoals belanghebbende in 1994, niet worden aangemerkt als loonarbeider. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdragsluitende partijen een andere uitleg van het begrip loonarbeider in dit verdrag hebben beoogd. Nu het verdrag geen definitie geeft van het begrip zelfstandigen ligt het voor de hand daaromtrent te rade te gaan bij de nationale wetgeving. Naar Nederlands nationaal recht kan de directeur/enig aandeelhouder van een BV in het kader van de premieheffing voor de volksverzekeringen niet als zelfstandige worden aangemerkt, te minder wanneer hij niet tegen beloning werkzaam is. 4.21 Op vergelijkbare gronden is het Hof van oordeel dat de Nederlandse wetgeving in dit geval evenmin wordt aangewezen door het Europees verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972, Trb. 1976, nr.
- Ook dit verdrag (Titel II) kent bepalingen over de op loontrekkenden en zelfstandigen toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Het Hof verwijst in dit verband nog naar het arrest van 17 april 1996, onder meer gepubliceerd in FED 1996/686, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de voorschriften uit dit verdrag die bepalen welke wetgeving op loontrekkenden van toepassing is, niet meer voorzien in de aanwijzing van een toepasselijke wetgeving nadat iemands dienstverband beëindigd is. Conclusie 4.22 Gelet op al het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende in 1994 niet verplicht verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen, en dus door de Inspecteur over dat jaar ten onrechte is aangeslagen in de premieheffing voor die verzekeringen. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende.
- Proceskosten en griffierecht 5.1 In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. Nu bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten fiscale procedures niet zijn gesteld of gebleken, stelt het Hof de aan belanghebbende te vergoeden kosten vast met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Deze kosten bedragen 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) is fl. 1.775,=. 5.2 De omstandigheid dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, brengt met zich dat de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door hem voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= dient te vergoeden.
- Beslissing Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt: Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak; vermindert de aanslag met het bedrag va de daarin begrepen premie volksverzekeringen ten bedrage van fl. 13.455,=; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belangheb- bende tot een bedrag van fl. 1.775,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door hem voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= wordt vergoed. Aldus vastgesteld op 24 oktober 2001 door M.W.C. Feteris, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend griffier. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 24 oktober 2001 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.