typ. JZ rolnr. C0000523/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH, tweede kamer, van 8 januari 2002, gewezen in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], appellante, procureur: mr C.M. van der Corput, t e g e n [de man], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerde, procureur: mr J.A.Th. van Zinnicq Bergmann, op het bij dagvaarding van 8 mei 2000 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda tussen appellante, [de vrouw], als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie en geïntimeerde, [de man], als gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie onder rolnummer 72501/HA ZA 99-830 gewezen vonnis van 15 februari 2000. --------------------------------------------------------- 1. De eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 14 september 1999, die zich bij de processtukken bevinden. 2. Het geding in hoger beroep Van het eindvonnis van 15 februari 2000 is [de vrouw] tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft zij één grief aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven. Bij memorie van antwoord heeft [de man] deze grief onder overlegging van twee producties bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [de vrouw] in haar vordering althans tot ontzegging daarvan met bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van het geding. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht. 3. De grieven De grief van [de vrouw] luidt: "Ten onrechte is in conventie verrekening door de man tot een bedrag van f. 6.045,78 toegestaan". 4. De beoordeling 4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals in het bestreden vonnis onder 3.1 vastgesteld, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat. 4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. Partijen zijn gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken. Bij de regeling van de gevolgen daarvan zijn tussen hen geschillen ontstaan. Ter beslechting van deze geschillen hebben partijen op 20 oktober 1994 een dadingsovereenkomst gesloten. Ingevolge deze overeenkomst diende [de man] aan [de vrouw] een bedrag van f. 28.000,= te betalen. Een gedeelte hiervan, groot f. 6.000,=, heeft hij voldaan. Het restant weigerde [de man] te betalen met als reden dat [de vrouw] hem een aantal malen schade had toegebracht, die hij met het openstaande bedrag wilde verrekenen. 4.3 In deze procedure heeft [de vrouw] in eerste aanleg betaling gevorderd van het resterende bedrag van f. 22.000,=, met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [de man] heeft een beroep gedaan op verrekening met een zevental schadeposten die verband houden met onrechtmatige gedragingen van [de vrouw] jegens hem. Hierbij ging het, inclusief rente tot aan de dag der dagvaarding, om een bedrag van f. 11.113,76. Dit bedrag vordert hij tevens in voorwaardelijke reconventie. 4.4 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de door [de man] opgevoerde schadeposten van vóór de datum van de dading, 20 oktober 1994, afgewezen en de overige schadeposten, ten bedrage van in totaal f. 6.045,78, verrekend met het aan [de vrouw] toewijsbare bedrag van f. 22.000,=. 4.5 [de vrouw] betwist dat zij de gestelde schades heeft toegebracht. Volgens haar heeft [de man] daaromtrent geen bewijs bijgebracht en dient verrekening afgewezen te worden nu de gegrondheid van de vorderingen van [de man] niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Voor zover dit zou betekenen dat de schadeposten in reconventie aan de orde komen, dienen deze volgens [de vrouw] afgewezen te worden. 4.6 Het gaat in hoger beroep om de volgende posten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.