parketnummer : 20.001474.02 uitspraakdatum : 12 december 2002 tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 11 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 04/050851-01 tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], wonende te [adres], thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond. Het hoger beroep De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd nu het hof zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis kan verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. De tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 14 december 2001 in de gemeente Weert opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een pistool, in elk geval met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden. De bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 december 2001 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Het hof overweegt in aanvulling hierop als volgt. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof het volgende vast. Op de avond van 14 december 2001 heeft zich in het ontmoetingscentrum Yamanotha te Weert een vechtpartij voorgedaan waarbij het latere slachtoffer de verdachte heeft geslagen en geschopt. Omstanders zijn tussenbeide gekomen. Verdachte is daarop naar buiten gegaan en tot tweemaal toe terug gekomen, naar eigen zeggen, steeds om zijn achtergelaten bezittingen terug te halen. Voorafgaande aan het voor de tweede keer verlaten van het ontmoetingscentrum heeft verdachte - blijkens de bij de politie afgelegde verklaringen van de hierna genoemde getuigen - bedreigingen geuit richting zijn latere slachtoffer: - "Mi ta mate morto, morto" ("Ik maak je dood, dood, dood", [getuige 1] d.d. 16-12-2001); - "Je kijkt naar mij, maar je hebt mij drie keer gedreigd, we zijn nog niet klaar met elkaar" ([getuige 2]; d.d. 15-12-2001). Zo de verdachte al niet, toen hij ten derde male in het ontmoetingscentrum terug naar binnen ging, het voornemen had om zijn pistool tegen het slachtoffer te gebruiken, dan blijkt in elk geval uit de hierna deels opgenomen bij de politie afgelegde verklaringen van getuigen over de uitlatingen van verdachte toen hij weer in het ontmoetingscentrum binnen was en zonder aanleiding het pistool in zijn hand had genomen en dit pistool doorlaadde, dat hij toen het voornemen had opgevat om op het slachtoffer te schieten. Bedoelde verklaringen houden steeds in dat tijdens of vlak voor het doorladen, richten en vuren van en met het pistool, de verdachte uitlatingen deed als: - "Vandaag is het klaar met jou, vandaag is je dag daar" ([getuige 2]; d.d. 15-12-2001); - "Jij hebt mij geschopt, ik laat je nu voelen hoe dat is" ([getuige 3]; d.d. 14-12-2001); - "Ik heb het je toch gezegd" ([getuige 4], d.d. 15-12-2001); - "Ik heb jou gezegd dat ik terugkom" ([getuige 1], d.d. 16-12-2001). Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het afvuren van de kogels door verdachte op het slachtoffer niet in een opwelling is geschied, maar ter uitvoering van een enige tijd tevoren daartoe bewust genomen besluit. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een uitdrukkelijk beroep gedaan op noodweer cq. noodweerexces als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft ter onderbouwing daarvan ter terechtzitting in hoger beroep een lezing gegeven van de gebeurtenissen zoals die zich zouden hebben voorgedaan voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit. Deze lezing houdt - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende in: "Ik was op 14 december 2001 in de Yamanotha te Weert en had een pistool in mijn broeksband. Ik werd toen aangevallen door [slachtoffer]. Toen heb ik met het pistool - dat niet was doorgeladen - in mijn hand [slachtoffer] verzocht om van mij af te blijven. Ik zei letterlijk "Ik heb jou gezegd, blijf van mij af". Vervolgens werd ik in de hoek bij de keukendeur gedreven doordat [slachtoffer] met een barkruk op mij afkwam. Hij sprong daartoe over een tafeltje. Hij sprong op mij af van een afstand van ongeveer 1.15 meter. Hij trok daarbij aan het wapen. Het wapen werd daarbij doorgeladen en ging af. We waren hiervoor ongeveer twee meter van de keuken; door de sprong van [slachtoffer] in mijn richting waren we nog maar één of twee stappen van de keukendeur verwijderd. Door de sprong van [slachtoffer] en het neerkomen leek het alsof [slachtoffer] strompelde. Het wapen was dus afgegaan, maar daarbij werd [slachtoffer] niet geraakt. [slachtoffer] ging de keuken in. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] naar een mes ging dat op het aanrecht lag. Ik zag dat door een kier van de deur. Ik stond buiten de keuken, [slachtoffer] stond in de keuken. Ik trok met mijn linkerhand aan de deur om deze dicht te houden. [slachtoffer] trok aan de andere zijde om de deur open te krijgen. Deze deur gaat naar binnen open. In de tussentijd wierp [betrokkene] [het Hof begrijpt: [naam]] zich aan mijn voeten en hield mij daar stevig vast. Ik kon daardoor geen kant op zonder te struikelen. In de keukendeur zit een luik. Dit is een vallend luik; het sluit dus naar beneden. Daarom staat er altijd een vorkje onder om het luik open te houden. Ik zag dat [slachtoffer] met het mes in mijn richting stak. Hij probeerde door het open luik te steken en bij deze beweging raakte hij de deur of het luik zo hard of in ieder geval hard genoeg dat het luik dichtviel. Het viel dicht omdat door de klap bij de stekende beweging het vorkje onder het luik vandaan schoot. Ik zag dit door het luik. Intussen trokken wij beiden aan de deur zoals net beschreven. De deur ging daarbij op en neer maar was gemiddeld vijftien à twintig centimeter open. Door de kier probeerde [slachtoffer] mijn pols of mijn hand waarmee ik de deur vast had te raken met het mes. Hij raakte mij niet. Daarna zag ik dat [slachtoffer] door de kier weer een stekende beweging in mijn richting maakte. Dit keer richting mijn borst. Ook toen raakte hij mij niet. Intussen zat [betrokkene] steeds aan mijn voeten waardoor ik geen kant op kon. Ik was in paniek en mijn hand verkrampte om de trekker van het pistool dat daardoor afging. Ik zag zwart en die schoten vlogen door de deur." Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het latere slachtoffer. De door verdachte naar voren gebrachte lezing van het gebeurde mist naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag. Noch uit bij de politie afgelegde verklaringen van ooggetuigen, noch uit technisch onderzoek op de plaats delict, noch anderszins is enige aanwijzing te putten die de lezing van de verdachte - als hierboven weergegeven - ondersteunt. Meer in het bijzonder zijn er geen aanwijzingen dat het latere slachtoffer met een barkruk op verdachte is afgekomen, dat het latere slachtoffer over een tafeltje op verdachte is afgesprongen of dat het latere slachtoffer met een mes - hetzij door het openstaande luik, hetzij door een kier van de deur - in de richting van verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdachte. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit. Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. De strafbaarheid van de verdachte Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een beroep gedaan op noodweerexces als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Nu er - gelet op hetgeen hierboven werd overwogen omtrent de strafbaarheid van het bewezen verklaarde - geen sprake was van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake van poging tot doodslag is veroordeeld, zoals blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de Centrale Justititiële Documentatie van het Ministerie van Justitie te Almelo, d.d. 8 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.