typ. SK rolnr. C0101064/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, vijfde kamer, van 26 augustus 2003, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap [APPELLANTE], gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente], appellante bij exploiten van dagvaarding van 25 oktober 2001, incidenteel geïntimeerde, procureur: thans mr. P.C.M. van der Ven, tegen: 1. [GEïNTIMEERDE 1], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerde in het principaal appel, appellante in incidenteel appel, procureur: mr. L.R.G.M. Spronken, alsmede tegen 2. [GEïNTIMEERDE 2], wonende te [woonplaats], 3. [GEïNTIMEERDE 3], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], 4. [GEïNTIMEERDE 4], wonende te [woonplaats], 5. [GEïNTIMEERDE 5], wonende te [woonplaats], 6. [GEïNTIMEERDE 6], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerden, procureur: mr. B.A. van Mens, op de hoger beroepen van de door de rechtbank te Roermond gewezen vonnissen van 17 november 2000 (abusievelijk gedateerd 7 december 2000), 26 juli 2001 en 30 augustus 2001 tussen principaal appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerden 2 tot en met 6 als gedaagden, resp. [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] (thans geïntimeerde in het principaal appel, tevens incidenteel appellante) als gedaagde sub 1. 1. Het geding in eerste aanleg (rolnr./zaaknr. 39787/HA ZA 00-519) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en de daarin genoemde stukken. 2. Het geding in hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende, voor uitspraak overgelegde en als hier ingelast te beschouwen stukken; - de appeldagvaardingen van 25 oktober 2001; - de memorie van grieven van [appellante], met producties; - de memorie van antwoord van geïntimeerden 2 tot en met 6, eveneens met producties; - de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] (verder ook te noemen [geïntimeerde 1]) in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel; - de memorie van antwoord van [appellante] in het incidenteel appel. [appellante] concludeert in het principaal appel onder aanvoering van één grief dat het hof het vonnis, door de rechtbank te Roermond tussen [appellante] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden gewezen op 26 juli 2001 (aangevuld en gecorrigeerd bij vonnis d.d. 30 augustus 2001: zaaknummer 39787/HA ZA 00-519) zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft het gedeelte van de vorderingen van [appellante] welke daarin niet zijn toegewezen, en opnieuw rechtdoende geïntimeerden ieder hoofdelijk zal veroordelen aan [appellante] te betalen een bedrag van € 578,57 per dag vanaf 21 augustus 2000 tot aan de dag van de eigendomsoverdracht van de ten processe bedoelde onroerende zaak, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf elke vervaldag, althans vanaf 31 maart 2001 (zijnde de eerste dag waarop deze vordering voor het eerst is ingesteld), althans vanaf 26 juli 2001 (zijnde de datum van het bestreden eindvonnis), althans vanaf de dag van het in deze te wijzen arrest tot de dag der voldoening, en het bestreden vonnis voor het overige te bekrachtigen, zonodig onder verbetering van de gronden waarop dit is gewezen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties. Geïntimeerden 2 tot en met 6 hebben de grief van [appellante] bestreden en concluderen dat het hof, bij arrest, de vonnissen van de rechtbank te Roermond d.d. 26 juli 2001 alsmede 30 augustus 2001 tussen partijen gewezen, zonodig met aanvulling van de overwegingen, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties. [geïntimeerde 1] heeft in haar memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het door haar, zulks onder aanvoering van twee grieven, ingestelde incidenteel appel geconcludeerd dat het hof de vonnissen, door de rechtbank te Roermond tussen haar en [appellante] d.d. 7 december 2000, 26 juli en 30 augustus 2001 gewezen, zal vernietigen voorzover daarbij bewijsopdracht aan haar, [geïntimeerde 1], is opgelegd, dan wel is geconcludeerd tot het tot stand komen van een rechtsgeldige overeenkomst tussen [appellante] en haar, doch het vonnis van 26 juli 2001 zal bekrachtigen voorzover daarbij de door [appellante] in het principaal appel gevorderde boete is afgewezen, zonodig onder verbetering van gronden waarop zulks is gewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in beide instanties. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellante] de grieven van [geïntimeerde 1] bestreden en geconcludeerd dat het hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het incidenteel hoger beroep zal verwerpen alsmede het vonnis van 7 december 2000 van de rechtbank te Roermond zal bekrachtigen en het door de rechtbank te Roermond op 26 juli 2001 gewezen vonnis (aangevuld en gecorrigeerd bij vonnis d.d. 30 augustus 2001) zal bekrachtigen, dit laatste behoudens voorzover daartegen in het principaal hoger beroep grieven zijn aangevoerd, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in het incidenteel appel in de kosten van dit geding. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep in het principaal appel [appellante] heeft één grief aangevoerd, welke luidt: "Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis d.d. 26 juli 2001 beslist dat appellante - [appellante] - de boeteclausule in de koopovereenkomst d.d. 22 juli 2000 niet jegens de erven kan inroepen". in het incidenteel appel [geïntimeerde 1] heeft harerzijds twee grieven aangevoerd: GRIEF I "Ten onrechte heeft de rechtbank bij vonnis d.d. 7 december 2000 geoordeeld dat [geïntimeerde 1] bewijs zou moeten leveren van haar stelling dat tussen haar en [appellante] geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen". GRIEF II "Voorzover het gestelde onder grief I naar het oordeel van het hof geen doel mocht treffen, voert [geïntimeerde 1] nochtans aan dat het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg, voorzover daarin is bepaald dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, niet overeind kan blijven". 4. De beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep 4.1. Voor de goede orde stelt het hof vast, dat - zoals uit de door de rechtbank opgemaakte processen-verbaal van zittingen en uit de gewezen vonnissen blijkt - er bij vonnis van 26 oktober 2000 een comparitie van partijen is gelast, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2000. Op die zitting zijn partijen het erover eens gebleken, dat reeds dadelijk tot bewijslevering middels het horen van getuigen kon worden overgegaan. De behandelend rechter heeft dat, tezamen met (de omschrijving van) de bewijsopdracht aan [geïntimeerde 1], vastgelegd in het tussenvonnis dat gedateerd is 7 december 2000, doch dat, aldus de rechtbank in haar eindvonnis van 26 juli 2001, gedateerd had moeten zijn 17 november 2000. Op 17 november 2000 werden reeds acht getuigen gehoord, bij voortzetting op 20 februari 2001 nog een verdere getuige. Partijen hebben daarna geconcludeerd na enquête. [appellante] verwijst in haar conclusie onder 6 naar haar vermeerdering van eis bij brief/akte van 31 oktober 2000. Een akte ter rolle heeft het hof in geen der procesdossiers aangetroffen, wel de verwijzing naar een brief van [appellante], volgens [appellante] van 31 maart 2001, en de vermelding van een akte van [appellante] houdende vermeerdering van eis in een "rolbericht" van 17 mei 2001, dat zich in het dossier van [appellante] bevindt; daaruit blijkt tevens, dat naar aanleiding van de reacties van de wederpartijen op die vermeerdering van eis een beslissing werd genomen. Daarna is vonnis gewezen. 4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende: Geïntimeerden 1 tot en met 6 zijn broers en zusters, en de gezamenlijke erfgenamen van hun overleden ouders. Tot de nalatenschap van hun als laatste van beide ouders op 27 januari 1999 overleden moeder behoorde een onroerende zaak, bestaande uit een woon-/winkelpand met werkruimtes en magazijn en bijbehorende tuin/erf te [plaats] aan de [adres]. Bij schriftelijk opgemaakte NVM-opdracht tot dienstverlening d.d. 8 september 1999 heeft [geïntimeerde 6] (geïntimeerde sub 6) opdracht verstrekt aan Makelaardij [makelaardij] te [vestigingsplaats], verder ook te noemen Makelaardij [makelaardij]. Dat stuk vermeldt onder meer (zakelijk weergegeven): - dat [geïntimeerde 6] daarbij handelt namens de erven [geïntimeerden]; - dat de, door de makelaar aanvaarde, opdracht inhoudt het verlenen van diensten bij de verkoop/verhuur van de genoemde onroerende zaak aan de [adres]; - dat de vraagprijs is bepaald op ƒ 450.000,-- k.k. [appellante] heeft in oktober 1999 een bod uitgebracht van ƒ 425.000,-- k.k. Na telefonisch overleg tussen [geïntimeerde 6] en de overige erven heeft [geïntimeerde 6] de makelaar laten weten dat het bod door de erven werd aanvaard. De makelaar heeft daarop een bevestiging daarvan, gedateerd 27 oktober 1999, gezonden aan [geïntimeerde 6] en om de persoonlijke gegevens van de erven dan wel een door hen getekende volmacht gevraagd om de koopovereenkomst op te maken. [geïntimeerde 1] heeft toen geweigerd daaraan haar medewerking te verlenen. Vervolgens zijn ook de overige erven aanvankelijk daartoe niet overgegaan. Uiteindelijk heeft [appellante] de onderhavige procedure ingesteld en daarin in eerste aanleg verklaring voor recht gevorderd van de totstandkoming van de volgens haar gesloten koopovereenkomst, en veroordeling van geïntimeerden (destijds gedaagden) gevorderd tot - kort gezegd - nakoming daarvan, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat ieder der gedaagden na betekening van het vonnis in gebreke mocht zijn/blijven, alles met veroordeling van de gedaagden in de kosten van het geding. In de loop van de procedure heeft [appellante], blijkens het proces-verbaal van voortzetting enquête van 20 februari 2001 en het vonnis van de rechtbank van 26 juli 2001, haar vordering nog vermeerderd - met een boetebedrag van, kennelijk, ƒ 1.275,-- per dag, tot de datum waarop definitief het transport bij de notaris zou hebben plaatsgevonden. Bij het tussenvonnis van de rechtbank dat gedateerd is 7 december 2000 (doch dat, aldus de rechtbank zelf in haar vonnis van 26 juli 2001, gewezen werd op 17 november 2000), werd [geïntimeerde 1] toegelaten tot bewijs (zulks in verband met haar, tussen haar en [appellante] omstreden, standpunt dat tussen haar en [appellante] geen overeenkomst tot stand gekomen was) "dat zij meermaals kenbaar heeft gemaakt alleen dan in te stemmen met de verkoop van de voormalige ouderlijke woning, [adres] te [plaats], indien er geen afbraak van die onroerende zaak of een gedeelte daarvan zou plaatsvinden". In haar eindvonnis van 26 juli 2001 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde 1] niet geslaagd is in dat haar opgedragen bewijs, en heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en aangevuld bij vonnis van 30 augustus 2001, de vordering van [appellante] tot verklaring voor recht toegewezen, evenals de verlangde veroordeling tot het ter beschikking stellen aan [appellante] van de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de voorlopige koopakte c.q. de verkopend makelaar volmacht daartoe te geven, alsmede tot verlenen van medewerking aan het verlijden van de notariële akte van transport. [geïntimeerde 1] is in de proceskosten van [appellante] veroordeeld, en alleen aan haar is, vastgelegd in het aanvullende vonnis van 30 augustus 2001, aan de veroordeling de dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag gekoppeld. Het door [appellante] meer of anders gevorderde werd afgewezen. 4.3 ten aanzien van de grief van [appellante] in het principaal appel 4.3.1 In hoger beroep beklaagt [appellante] zich er in haar - enige - grief over dat, zakelijk weergegeven, de rechtbank de aanspraak van [appellante] op de door haar ingeroepen contractuele boeteclausule heeft afgewezen. 4.3.2 [appellante] heeft geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank, dat betaling van de dwangsom (ingeval van niet-nakoming van de veroordeling) uitsluitend aan [geïntimeerde 1] is opgelegd. 4.3.3. Voor wat de door [appellante] (daarenboven) alsnog gevorderde boete betreft beroept [appellante] zich op de boeteclausule, onder art. 10 lid 3 opgenomen in de schriftelijke koopovereenkomst die, nadat de procedure in eerste aanleg reeds aanhangig gemaakt was, door [geïntimeerde 6] op of omstreeks 24 juli is ondertekend, volgens de tekst "namens de erven". Die koopovereenkomst is in de loop van de procedure, met uitzondering van [geïntimeerde 1], die volhard heeft bij haar betwisting, door de overige erven alsnog erkend. Op een en ander gaat het hof nader in hierna onder 4.5. 4.4 ten aanzien van de grieven in het incidenteel appel 4.4.1 Gelet op de aan het slot van rechtsoverweging 4.3.3 genoemde betwisting door [geïntimeerde 1] zal het hof eerst de door haar in haar incidenteel appel aangevoerde grief I bespreken. Naar het oordeel van het hof voert [geïntimeerde 1] op zichzelf goede gronden aan, dat in eerste aanleg ten onrechte aan haar te bewijzen was opgedragen dat tussen haar (c.q. de erven) en [appellante] geen (perfecte) overeenkomst tot stand gekomen zou zijn. Immers toen het vonnis van de rechtbank van 7 december 2000 (in werkelijkheid 17 november 2000), waarin de bewijsopdracht werd gegeven, gewezen werd, was harerzijds ten processe niet méér voorhanden dan haar conclusie van antwoord (een proces-verbaal van comparitie van partijen is door geen van partijen overgelegd, iedere vermelding die erop zou wijzen dat [geïntimeerde 1] ter comparitie een ander standpunt heeft ingenomen dan verwoord in haar conclusie van antwoord, ontbreekt; dat [geïntimeerde 1] (meermalen) kenbaar zou hebben gemaakt dat zij niet wenste dat het pand, geheel of gedeeltelijk, zou worden afgebroken is kennelijk pas, mondeling, ter comparitie ter sprake gebracht). In haar conclusie van antwoord betwistte zij, dat [geïntimeerde 6] mede namens haar als gevolmachtigde mocht optreden. Over enig voorbehoud terzake van afbraak echter spreekt haar conclusie niet; wel over gebrek aan (toereikende) volmacht. In haar toelichting bij haar eerste grief voert [geïntimeerde 1] aan, dat mitsdien [appellante] had moeten bewijzen dat er voldoende redenen aanwezig waren voor de aanname (door [appellante]), dat [geïntimeerde 6] bevoegd was (ook) namens [geïntimeerde 1] op te treden c.q. dat [geïntimeerde 1] door haar handelen of nalaten de schijn van aanwezigheid van een toereikende volmacht aan de zijde van de pseudo-vertegenwoordiger jegens [appellante] had opgewekt. 4.4.2 Met [geïntimeerde 1] is het hof van oordeel dat, gelet op de reeds aanstonds in eerste aanleg door haar aangevoerde betwisting, de bewijslast dat hier van een (voorbehoudloze) volmacht sprake was op [appellante] had behoren te worden gelegd. In zoverre slaagt grief I in het incidenteel appel. 4.4.3 Het hof zal daarom thans bezien, of het voorhanden bewijsmateriaal - het vonnis gedateerd 7 december 2000 vermeldt dat partijen het er destijds ter zitting (17 november 2000) over eens waren dat reeds dadelijk tot bewijslevering kon worden overgegaan, hetgeen toen ook inderdaad heeft plaatsgevonden, met instemming derhalve van alle betrokken partijen - de conclusie rechtvaardigt dat, ervan uitgaande dat de bewijslast op [appellante] rustte, dat bewijs(materiaal) voldoende is om het bewijs geleverd te achten. Het hof zal daarbij onderscheid maken tussen de vraag
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.