typ. BH rolnr. C0200767/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, vijfde kamer, van 9 september 2003, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap [APPELLANTE], gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente], appellante bij exploot van dagvaarding van 3 juni 2002, procureur: mr. J.E. Lenglet, tegen: de STICHTING RECHTSBIJSTAND, gevestigd te Tilburg, geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. L.R.G.M. Spronken, op het hoger beroep van het door rechtbank te Breda gewezen vonnis in oppositie van 5 maart 2002 tussen appellante (verder te noemen [appellante]) als geopposeerde in eerste aanleg en geïntimeerde (verder te noemen de Stichting) als opposante in eerste aanleg. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 98133/HA ZA 01/1281) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in oppositie alsmede naar het daaraan voorafgegane verstekvonnis van de rechtbank te Breda van 12 juni 2001, gewezen tussen partijen onder zaaknr./rolnr. 96728/HA ZA 01/1065, en de in die vonnissen genoemde stukken. 2. Het geding in hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende, als hier ingelast te beschouwen stukken: - de appeldagvaarding van 3 juni 2002; - de memorie van grieven van [appellante], met producties; - de memorie van antwoord van de Stichting, met één productie. Daarna hebben partijen arrest gevraagd. [appellante] vordert, onder aanvoering van zes grieven, dat het hof het vonnis van de rechtbank van 5 maart 2002 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 12 juni 2001 zal bekrachtigen, de Stichting zal verklaren tot kwaad opposante en haar, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 24.175,70, te vermeerderen met de rente daarover berekend vanaf 30 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van de kosten van deze procedure in beide instanties. De Stichting heeft de grieven van [appellante] bestreden en concludeert dat het hof de vorderingen van [appellante] alsnog zal afwijzen, althans het eindvonnis van de rechtbank te Breda van 5 maart 2002, zonodig met verbetering en/of aanvulling van gronden zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, onder bepaling dat [appellante] de nakosten en de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is als zij niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen arrest heeft voldaan. 3. De gronden van het hoger beroep De grieven van [appellante] luiden als volgt: GRIEF I Bij het vaststellen van de feiten, zoals weergegeven onder 3.2 van het vonnis, heeft de rechtbank miskend dat niet [appellante], maar de Stichting Rechtsbijstand opdracht heeft gegeven aan [toenmalig advocaat] om tijdig appel in te stellen. GRIEF II Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] eerst op 28 juli 1998 verzocht heeft de zaak verder ter hand te nemen. GRIEF III Bij rechtsoverweging 3.11 gaat de rechtbank er ten onrechte van uit dat het niet tijdig instellen van beroep door de raadsman van [appellante] niet aan de Stichting Rechtsbijstand kan worden toegerekend. GRIEF IV Onder rechtsoverweging 3.11, 3.12 en 3.13 gaat de rechtbank in op de vraag of de ALIB '92 in beroep voor vernietiging in aanmerking zouden zijn gekomen, nu in het contract slechts is verwezen naar de ALIB '92 onder vermelding dat deze voorwaarden op eerste verzoek en kosteloos zouden worden toegezonden (laatste zin rechtsoverweging 3.13). Vervolgens overweegt de rechtbank ten onrechte onder 3.14 dat [toenmalige wederpartij] aan [appellante] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van de ALIB '92 en komt zij tot de onjuiste conclusie dat in hoger beroep hoogstwaarschijnlijk geoordeeld zou worden dat de ALIB '92 vernietigbaar waren en een inhoudelijke beoordeling van de zaak zou hebben plaatsgevonden. GRIEF V Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.15 (overwogen) dat met inachtneming van rechtsoverweging 3.11 geldt dat er geen causaal verband aanwezig is tussen de gevorderde schade en de toerekenbare tekortkoming van de Stichting. GRIEF VI Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.16 overwogen dat de vordering van de Stichting voor toewijzing gereed ligt en vervolgens het vonnis vernietigd en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 24.175,70, vermeerderd met rente en kosten, zoals nader in het vonnis onder 4.2 en 5 omschreven. 4. De beoordeling 4.1 Met uitzondering van hetgeen door [appellante] in haar eerste grief wordt betoogd, zijn tegen de weergave door de rechtbank van de vaststaande feiten onder 3.2 van haar vonnis van 5 maart 2002 geen grieven gericht, zodat het hof in zoverre eveneens van die feiten uitgaat. 4.2 Het gaat in deze zaak om het volgende: - [appellante] heeft op 25 november 1997 bij de Stichting, rechtsbijstandsverzekeraar bij wie [appellante] verzekerd was, een geschil gemeld van haar, [appellante], met [toenmalige wederpartij], verder te noemen [de wederpartij]. Dat geschil betrof het uitvallen in het bedrijf van [appellante] van het door [de wederpartij] in opdracht van [appellante] aangelegde electrische installatie-/ventilatiesysteem, welk uitvallen volgens [appellante] te wijten was aan door [de wederpartij] gemaakte fouten, en de als gevolg daarvan aan [appellante] opgekomen schade. - In de loop van 1998 heeft de Stichting in overleg met [appellante] afgesproken dat de behandeling van de zaak in handen zou worden gesteld van het advocatenkantoor [advocatenkantoor] te [vestigingplaats]. In de vervolgens tussen [appellante] en [de wederpartij] gevoerde procedure, waarin [appellante] van [de wederpartij] een schadevergoeding van ƒ 47.779,66 vorderde, te vermeerderen met rente, heeft [de wederpartij] zich met succes beroepen op toepasselijkheid in de relatie tussen haar en [appellante] van de zgn. ALIB-voorwaarden, en op grond daarvan op het verjaard zijn van de (rechts-)vordering van [appellante] jegens [de wederpartij]. - Dat beroep op verjaring is door de rechtbank te Breda bij vonnis van 18 januari 2000 gehonoreerd en de vordering van [appellante] werd afgewezen. Voorgenomen hoger beroep tegen die uitspraak heeft geen doorgang gevonden, doordat de appeldagvaarding niet tijdig was uitgebracht, en het vonnis van 18 januari 2000 is in kracht van gewijsde gegaan. - Zich beroepend op dat vonnis, verwijt [appellante] de Stichting in de onderhavige procedure tegen de Stichting, dat deze destijds, in verband met de verjaringsclausule in de ALIB-voorwaarden, niet tijdig de vordering jegens [de wederpartij] heeft ingesteld c.q. niet tijdig de verjaring heeft gestuit op de aangewezen wijze. [appellante] vordert thans van de Stichting het reeds eerder genoemde bedrag van ƒ 47.779,66 met rente, alsmede een bedrag van ƒ 3.110,- wegens de proceskosten waarin [appellante] jegens [de wederpartij] veroordeeld is, eveneens te vermeerderen met rente. In eerste aanleg heeft de rechtbank aanvankelijk de (hoofd-)vordering van [appellante] (ƒ 47.779,66 met rente), toen de Stichting in rechte niet verschenen was, toegewezen (verstekvonnis van 12 juni 2001, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad was verklaard). Daartegen is de Stichting in verzet gekomen; zij heeft in oppositie alsnog verweer gevoerd. Bij meergenoemd vonnis van 5 maart 2002 heeft de rechtbank te Breda het eerder gewezen verstekvonnis vernietigd en de vordering van [appellante] tegen de Stichting alsnog afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De Stichting had ter voorkoming van executie van het verstekvonnis inmiddels het bedrag van ƒ 53.026,24 vermeerderd met de wettelijke rente reeds aan [appellante] voldaan. Bij het vonnis van 5 maart 2002 heeft de rechtbank [appellante] tevens veroordeeld tot terugbetaling, in Euro's: € 24.175,70, te vermeerderen met rente en kosten. Tegen de beslissingen, door de rechtbank genomen in haar vonnis van 5 maart 2002, is [appellante] in beroep gekomen; van de grieven van [appellante] zal het hof eerst grief II bespreken, daarna (tezamen) grief I en grief III en tenslotte (eveneens tezamen) grief IV en grief V. Grief VI heeft naast de grieven I tot en met V geen zelfstandige betekenis. 4.3 Ad grief II Daargelaten dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat [appellante] niet eerder dan 28 juli 1998 de Stichting heeft verzocht de zaak ter hand te nemen (de rechtbank spreekt over: "op enig moment"), heeft [appellante] bij deze grief geen belang. De rechtbank overweegt terecht dat in het midden kan blijven of de Stichting ook al vóór 28 juli 1998 de zaak in behandeling had, zoals [appellante] stelt, daar - zakelijk weergegeven - de Stichting óók als zij de zaak pas op 28 juli 1998 in behandeling heeft genomen, er rekening mee had moeten houden dat de vordering spoedig zou kunnen verjaren. Deze grief moet daarom van de hand gewezen worden. Op de vraag of (een) door de Stichting gemaakte fout(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.