typ. AD rolnr. C0200296/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, vijfde kamer, van 20 maart 2003, gewezen in de zaak van: 1. de vennootschap onder firma V.O.F. ZENO COMMUNICATIE, gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [appellant sub 2], 3. [appellant sub 3], beiden wonende te [woonplaats], appellanten bij exploot van dagvaarding van 4 maart 2002, procureur: mr. J.E. Lenglet, tegen: de naamloze vennootschap AGIO SIGARENFABRIEKEN N.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. H.E.G. van der Flier, op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 7 december 2001 tussen appellanten -hierna gezamenlijk in enkelvoud aangeduid als: Zeno- als eisers en geïntimeerde -Agio- als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 39179/HA ZA 99-1095) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 6 april 2001. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft Zeno onder overlegging van producties twee grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis van 7 december 2001 en geconcludeerd dat het het hof moge behagen bij arrest, a. het beroepen vonnis van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, b. alsnog de vordering van Zeno toe te wijzen, met veroordeling van Agio in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft Agio de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven verwijst het hof naar de twee grieven zoals geformuleerd in de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a. Zeno ontwerpt en produceert reclame-uitingen. Agio produceert en verhandelt rookartikelen, onder meer onder de naam Panter-sigaren. b. In mei 1997 is Agio in contact gekomen met Zeno toen zij zocht naar een nieuwe invalshoek voor een campagne ter bevordering van de verkoop van Panter-sigaren. Op 17 juni 1997 heeft Zeno haar ideeën voor een reclamecampagne gepresenteerd aan Agio. Op 10 juli 1997 heeft Agio aan Zeno opdracht gegeven tot het uitwerken van deze ideeën tot een concrete reclame-uiting. Zeno heeft aan deze opdracht gevolg gegeven door de reclame-uiting "panterdame in treincoupe" in advertentievorm te produceren. c. Vanaf mei 1998 is de door Zeno geproduceerde advertentie door Agio in verschillende tijdschriften openbaar gemaakt (de zgn. eerste plaatsingsronde). In deze eerste plaatsingsronde heeft Agio de reclame-uiting met toestemming van Zeno openbaar gemaakt zonder de naam van Zeno als maker te vermelden. d. Agio heeft circa f. 120.000,- betaald voor deze uiting, waarvan ongeveer f. 32.000,- voor de creatieve bijdrage van Zeno. e. Op 23 juni 1998 heeft Agio de samenwerking met Zeno beëindigd. Partijen hebben geen schriftelijke afspraken gemaakt over auteursrechten, gebruiksvergoedingen of eventuele gebruiksbeperkingen. f. Tot december 1998 heeft Agio de advertentie gebruikt als displayreclame in winkels, als boomerangkaart, in stationabris, actieboekjes, op actieposters en dergelijke en in een tweede ronde advertenties in Nederlandse tijdschriften. g. Bij brief van 17 februari 1999 heeft Agio een factuur ontvangen van Zeno ad f. 55.812,50 terzake van een gebruiksvergoeding voor de hiervoor onder f. vermelde reclame-uiting. Agio heeft deze factuur niet betaald. 4.2. Zeno heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gesteld dat Agio zonder haar toestemming de reclame-uiting heeft gebruikt op de hiervoor onder 4.1. sub f. vermelde wijze en dat Agio daardoor inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrecht. Hierdoor heeft Agio, aldus Zeno, onrechtmatig jegens haar gehandeld, tengevolge waarvan zij schade heeft geleden. Op grond van het voorgaande heeft Zeno gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. te verklaren voor recht dat Agio onrechtmatig heeft gehandeld door schending van het auteursrecht van Zeno; b. te bepalen dat Agio aan Zeno een schade dient te vergoeden van f. 55.812,50 vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten (f. 4.350,62) en rente. 4.3. Agio heeft de vordering gemotiveerd bestreden. 4.4.1. Bij tussenvonnis van 6 april 2001 heeft de rechtbank vooropgesteld dat de reclame-uiting "panterdame in treincoupe" een werk is in de zin van de Auteurswet 1912 (hierna Aw) en dat zij de hiervoor onder 4.2. sub a. vermelde vordering aldus verstaat dat Zeno een verklaring voor recht wenst, dat Agio onrechtmatig heeft gehandeld door het auteursrecht van Zeno op die reclame-uiting te schenden. 4.4.2. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het geschil zich (allereerst) toespitst op de beantwoording van de vraag wie als maker van de reclame-uiting moet worden aangemerkt en aan wie aldus het uitsluitend recht toekomt deze uiting openbaar te maken en te verveelvoudigen. Bij de beantwoording van deze vraag is de rechtbank op voorhand uitgegaan van het wettelijk vermoeden van art. 8 Aw op grond waarvan Agio als auteursrechthebbende van de reclame-uiting "panterdame in treincoupe" moet worden aangemerkt. 4.4.3. De rechtbank heeft Zeno vervolgens toegelaten tot het bewijs dat zij zich -voorafgaand aan de eerste openbaarmaking- ten aan zien van de reclame-uiting "panterdame in treincoupe" haar auteursrechten heeft voorbehouden en Agio slechts toestemming heeft gegeven voor de eerste plaatsingsronde in Nederlandse tijdschriften. 4.4.4. Voor het geval Zeno niet slaagt in haar bewijsopdracht heeft de rechtbank in haar tussenvonnis geoordeeld dat komt vast te staan dat Agio auteursrechthebbende op de reclame-uiting is en gerechtigd is tot iedere openbaarmaking en dat Agio in dat geval niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Zeno door de reclame-uiting ook na de eerste advertentieronde openbaar te maken, zodat de vorderingen van Zeno alsdan zullen worden afgewezen. 4.4.5. Ook in het geval dat Zeno in de bewijslevering slaagt heeft de rechtbank in (r.o. 4.6. tot en met 4.8. van) vermeld tussenvonnis met betrekking tot de vorderingen van Zeno een aantal (eind-) beslissingen genomen. 4.5. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 7 december 2001 geoordeeld dat Zeno niet in de bewijslevering is geslaagd en de vorderingen van Zeno afgewezen. 4.6. Uit de toelichting op de tweede grief begrijpt het hof dat Zeno zich allereerst op het standpunt stelt dat de rechtbank de bewijsopdracht ten onrechte aan haar heeft verstrekt, nu uit de brief van Agio aan Zeno van 8 april 1998 (cvr, prod. 2) blijkt dat Zeno de auteursrechthebbende op de reclame-uiting is, zodat Agio met het bewijs van het tegendeel belast had dienen te worden. 4.6.1. Agio, die -terecht- concludeert dat Zeno feitelijk ook een grief richt tegen het tussenvonnis, stelt dat Zeno in zoverre daarin niet kan worden ontvangen omdat Zeno verzuimd zou hebben (tijdig) appel in te stellen van (de eindbeslissingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.