← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2004:1220

tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank •s-Hertogenbosch van 2 december 2003 in de strafzaak onder parketnummer 0l/049046-03 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedag] 1971, wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. De tenlastelegging Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over. Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad. De bewezenverklaring Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

  1. hij op 15 februari 2003 te Boxtel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, toen en daar, met dat opzet met een vuurwapen op en in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2 subsidiair. hij op 10 januari 2003 te Boxtel [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend meermalen met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] . Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte in een situatie werd gebracht waarin hij verantwoordelijk werd gesteld voor de door [betrokkene 1] geêiste financiële vergoeding waartoe een "incassobureau" was ingeschakeld dat verdachte zou opzoeken bij zijn woning op het woonwagenkamp. Toen [slachtoffer 1] naar het woonwagenkamp kwam in gezelschap van twee andere personen en op een gegeven moment begon te schieten op of in de richting van verdachte en zijn vader, vuurde verdachte terug in een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte en dat van zijn vader die naast hem stond. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit de processtukken blijkt dat [betrokkene 1] een financiële vergoeding wilde hebben van [betrokkene 2] en "de Duitser" (verdachte [medeverdachte 1] ). Omdat verdachte werd gezien als vriend van [betrokkene 2] , probeerde [betrokkene 1] via hem zijn vergoeding te regelen. Verdachte fungeerde op dat moment als intermediair tussen [betrokkene 1] enerzijds, en [betrokkene 2] en “de Duitser" anderzijds. Deze door [betrokkene 1] geëiste financiële vergoeding werd besproken ten huize van [betrokkene 3] op 13 of 14 februari
  2. Hierbij waren [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en verdachte aanwezig. Verdachte was tot het bijwonen van deze bespreking gesommeerd door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] had laten weten dat hij verdachte wist te wonen en zijn woonwagen zou opblazen indien deze niet naar genoemd overleg zou komen. Verdachte moest zorgen dat het geld er kwam. Bovengenoemd gesprek leidde echter niet tot het door [betrokkene 1] gewenste resultaat. [betrokkene 1] meldde verdachte op 14 februari 2003 vervolgens per telefoon dat hij een afspraak had met een "incasso". De "incasso" wilde het meningsverschil met betrekking tot de geëiste vergoeding voor [betrokkene 1] gaan oplossen. Wanneer de tegenpartij niet over de brug komt met de geëiste vergoeding dan, aldus [betrokkene 1] , "kost het jullie dadelijk allemaal geld." Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de psychische druk op verdachte om tot betaling te komen van de zijde van het "incassobureau" werd opgevoerd. Dit blijkt ook uit een telefoongesprek dat werd gevoerd op de avond van 15 februari 2003 tussen [betrokkene 4] en verdachte, waarin werd medegedeeld dat [betrokkene 4] met twee anderen, naar later blijkt [slachtoffer 1] en [betrokkene 3] , onderweg was naar het woonwagenkamp [naam kamp] te Boxtel alwaar verdachte op dat moment woonachtig was. Door [slachtoffer 1] werd, nadat hij het telefoongesprek van [betrokkene 4] had overgenomen, aan verdachte verteld dat er met hem, verdachte, gesproken zou worden. Verdachte kreeg niet de kans telefonisch iets uit te leggen en werd gesommeerd naar huis te komen. Hierna belde verdachte naar [medeverdachte 2] , zijn vader, om hem op de hoogte te stellen van het te verwachten bezoek. Toen [betrokkene 4] met [betrokkene 3] en [slachtoffer 1] op het woonwagenkamp arriveerde troffen zij [medeverdachte 2] en verdachte. [slachtoffer 1] stapte op verdachte af en begon een gesprek met hem. Tijdens dat gesprek zocht verdachte met een GSM contact met [betrokkene 2] en probeerde deze GSM vervolgens aan [slachtoffer 1] te overhandigen. Vervolgens vertelde [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] dat zijn zoon, verdachte, en hij niets met de zaak van [betrokkene 1] te maken hadden. Het is verdachte die vervolgens vertelde dat hij hierover reeds eerder bij [betrokkene 3] had gesproken in het bijzijn van [betrokkene 1] . Hierna deelde [slachtoffer 1] aan [betrokkene 3] mede dat hij een ander beeld had gekregen van de incasso van het geldbedrag en zich daaraan wilde onttrekken. Voor het hof staat vast dat [slachtoffer 1] - gezien bovenstaande ontwikkeling in het gesprek - besloot het woonwagenkamp te verlaten. Vast staat voor het hof ook dat hij daarbij geschoten heeft. Dit leidt het hof af uit de .357 patronen Magnum die [slachtoffer 1] heeft weggeworpen, het aantreffen van een bijpassend wapen Magnum op de aftocht-route van [slachtoffer 1] , en de resultaten van de “schiethand”, het zogenaamde schotrestonderzoek. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep, welke verklaring het hof in de zaak van verdachte ambtshalve aan het dossier zal toevoegen. Uit de stand van de arm van [slachtoffer 1] - naar [medeverdachte 2] ter terechtzitting heeft verklaard - kan worden afgeleid dat het geenszins onaannemelijk is dat deze [slachtoffer 1] , niet gericht maar slechts ter intimidatie van [medeverdachte 2] en verdachte en ter dekking van de aftocht, heeft geschoten. Ter terechtzitting hebben verdachte en [medeverdachte 2] verklaard dat zij vervolgens op hun beurt hebben geschoten, waarna [slachtoffer 1] geraakt is. Tevens hebben zij verklaard dat het nooit vooraf de bedoeling is geweest om op [slachtoffer 1] te schieten maar dat zij in grote angst verkeerden. Onder deze omstandigheden acht het hof aannemelijk dat, mede gelet op de angst die bij zowel verdachte als [medeverdachte 2] bestond, opgeroepen door de gebeurtenissen die voorafgaande aan het schietincident hadden plaatsgevonden, verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer. Hieraan doet niet af of de schoten afgevuurd door [slachtoffer 1] daadwerkelijk gericht waren op [medeverdachte 2] of verdachte, danwel "slechts" ter intimidatie werden gelost om zijn aftocht te dekken. In geval er door [slachtoffer 1] op verdachte en zijn vader [medeverdachte 2] gericht is geschoten was er immers sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding; in het geval dat die [slachtoffer 1] zou hebben geschoten ter intimidatie mochten verdachte en zijn vader [medeverdachte 2] deze schoten beschouwen als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding valt te beschouwen. Door de advocaat-generaal is nog aangevoerd dat aan [medeverdachte 2] en verdachte een beroep op noodweer niet toekomt omdat zij bewust de confrontatie hebben gezocht en zich daartoe elk van een wapen hebben voorzien tot het dragen waarvan zij niet gerechtigd waren. Het hof verwerpt deze zienswijze nu vaststaat dat [medeverdachte 2] en verdachte de confrontatie niet hebben gezocht maar dat die hun is opgedrongen, terwijl voorts uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat aanvankelijk inderdaad "een gesprek" is gevoerd. Pas toen door [slachtoffer 1] , zich terugtrekkend, schoten zijn gelost, hebben [medeverdachte 2] en verdachte op hun beurt geschoten. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is noodweer aannemelijk geworden; daar doet de onwettigheid van het wapenbezit niet aan af. Voor wat betreft het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. Het hof overweegt hierbij dat het door verdachte gehanteerde mes weliswaar is geproduceerd als een speelgoedmes, maar dat dit voorwerp - gelet op de grootte en het uiterlijk - kon worden beschouwd als een voor (af)dreiging en ter aanjaging van schrik en angst geschikt voorwerp, welke schrik en angst bij de slachtoffers daadwerkelijk zijn opgeroepen. Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met: - de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten heeft schuldig gemaakt; - de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder wegens soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld; - de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, namelijk de angst die verdachte heeft veroorzaakt bij de slachtoffers; - het feit dat het bewezenverklaarde zich afspeelt in een verkeerssituatie op de openbare weg en aldus in het publieke domein tegenover een willekeurige verkeersdeelnemer. Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het strafbare feit, ad informandum vermeld op de inleidende dagvaarding onder parketnummer 046285-03, d.d. 15 januari 2003 te Boxtel, te weten het voorhanden hebben van een wapen van categorie II, voor welk feit de verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd. De toegepaste wettelijke voorschriften De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiar ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: sub 1: "Poging tot doodslag", sub 2 subsidiair: "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht". Ontslaat verdachte ten aanzien van feit 1 wegens noodweer van alle rechtsvervolging nu de wederrechtelijkheid aan dat bewezenverklaarde feit is komen te ontvallen en het feit derhalve niet strafbaar is. Verklaart de verdachte strafbaar ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 subsidiair tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht. Dit arrest is gewezen door Mr. Ficq, als voorzitter Mrs. Gründemann en Mooy, als raadsheren in tegenwoordigheid van Mr. Hoekstra, als griffier. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2004.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.