ECLI:NL:GHSHE:2004:AO7699
GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van:
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 januari 2004, heeft [de jong-meerderjarige] verzocht de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep dan wel dit beroep ongegrond te verklaren en hun appèlverzoek dan ook af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, met veroordeling van de ouders in de proceskosten.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2004.
Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
In eerste aanleg heeft [de jong-meerderjarige] de rechtbank verzocht haar ouders een onderhoudsbijdrage op te leggen ten behoeve van haar levensonderhoud.
Door de ouders is in eerste aanleg geen verweerschrift ingediend.
4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van [de jong-meerderjarige] toegewezen en de ouders de navolgende bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] opgelegd:
4.3. Van die beslissing zijn de ouders in hoger beroep gekomen.
Voor wat betreft de grieven van de ouders en de stellingen van partijen in hoger beroep verwijst het hof naar het beroepschrift van de ouders en het verweerschrift van [de jong-meerderjarige].
4.4. De ouders hebben in hoger beroep het verzoek gedaan te bepalen dat zij zich van hun onderhoudsplicht jegens [de jong-meerderjarige] mogen kwijten door haar bij hen in huis te nemen en aldaar van het nodige te voorzien, een en ander zoals bedoeld in artikel 1:398 BW.
Nog daargelaten dat het verzoek alleen al op praktische gronden zou moeten stranden omdat de ouders in Brunssum wonen, terwijl [de jong-meerderjarige] thans in Den Bosch en straks in Breda studeert, is het hof van oordeel dat de ouders niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun zelfstandig verzoek nu dit niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (art. 362 Rv).
4.5. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn partijen gedeeltelijk tot overeenstemming gekomen met betrekking tot de door de ouders te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [de jong-meerderjarige].
De tussen partijen getroffen regeling houdt in dat de ouders over de periode van 1 februari 2003 tot 1 oktober 2003 een bijdrage aan [de jong-meerderjarige] betalen van E. 1.450,-- in totaal. Voormeld bedrag zal door de ouders binnen één week na de datum van de mondelinge behandeling worden gestort op de girorekening van [de jong-meerderjarige], waarvan het nummer bij de ouders bekend is.
4.5.1. Gelet hierop dient uitsluitend vanaf 1 oktober 2003 de behoefte van [de jong-meerderjarige] te worden vastgesteld, waarna vervolgens aan de hand van een beoordeling van de draagkracht van de ouders wordt bezien of en zo ja tot welk bedrag de ouders in staat zijn in die behoefte te voorzien.
4.6. Met betrekking tot de behoefte van [de jong-meerderjarige] aan een bijdrage in haar levensonderhoud en studie overweegt het hof het volgende:
4.6.1. De ouders hebben ter zitting ermee ingestemd dat voor wat betreft de vaststelling van de behoefte van [de jong-meerderjarige] kan worden uitgegaan van de door de IBG (Informatie Beheer Groep) gehanteerde bedragen voor een particulier verzekerde, uitwonende MBO-student. Deze bedragen betreffen in augustus tot en met december 2003 de somma van E. 646,59 per maand en in 2004 de somma van E. 665,75 per maand. [de jong-meerderjarige] heeft gesteld dat haar behoefte hoger is dan de hierboven vermelde bedragen omdat zij meer woonlasten heeft en meer kosten aan materialen voor haar opleiding.
Het hof is van oordeel dat [de jong-meerderjarige] onvoldoende heeft aangetoond dat zij meer kosten heeft dan waarmee in de berekening van de IBG, waarin rekening wordt gehouden met kosten voor levensonderhoud, boeken/leermiddelen, onderwijsbijdrage en ziektekostenverzekering van een MBO-student, rekening is gehouden.
Resumerend komt het hof tot de slotsom dat voor wat betreft de behoefte van [de jong-meerderjarige] per 1 oktober 2003 dient te worden uitgegaan van E. 646,59 per maand waarop in mindering wordt gebracht de door [de jong-meerderjarige] ontvangen basisbeurs van E. 203,11 per maand, zodat een behoefte resteert van E. 443,48 per maand, en in 2004 E. 665,75 per maand minus de door [de jong-meerderjarige] ontvangen basisbeurs van E. 209,93 per maand, derhalve E. 455,82 per maand.
Het hof houdt bij de behoeftebepaling geen rekening met de door [de jong-meerderjarige] ontvangen studielening, nu deze gelet op de terugbetalingsverplichting niet als behoefteverlagend kan worden beschouwd.
4.7. Nu de behoefte van [de jong-meerderjarige] vaststaat dient thans aan de hand van de beoordeling van de draagkracht van de ouders te worden bezien of en zo ja tot welk bedrag de zij in staat zijn in die behoefte te voorzien.
4.7.1. Met betrekking tot de financiële situatie van de ouders neemt het hof als uitgangspunt de door de ouders bij beroepschrift overgelegde draagkrachtberekening waaruit blijkt van een totaal netto gezinsinkomen van E. 2.919,59 per maand.
4.7.2. Met uitzondering van de hieronder vermelde posten houdt het hof in zijn geheel rekening met de in de draagkrachtberekening door de ouders opgevoerde lasten, te weten:
Voorts wordt rekening gehouden met de bijstandsnorm voor een gezin, exclusief de woonkostencomponent.
4.7.3. Met betrekking tot de opgevoerde "overige kosten" overweegt het hof dat de in deze post opgenomen bijdrage ten behoeve van [de jong-meerderjarige] van E. 130,-- per maand geen deel dient uit te maken van de lasten, nu de bijdrage juist in het kader van deze procedure berekend dient te worden. Overigens zij verwezen naar hetgeen in r.o. 4.7. is overwogen.
Voorts houdt het hof geen rekening met de spaarregeling van E. 15,-- ten behoeve van de andere dochter. Deze last heeft geen voorrang boven de plicht van de ouders om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [de jong-meerderjarige]. Het hof acht het onder de gegeven omstandigheden wel redelijk om rekening te houden met de door de ouders betaalde autokosten van E. 87,50 van de andere dochter.
Met de door de ouders aangegane bouwspaarleningen (Bausparurkunden) van respectievelijk DM. 30.000,-- en DM 40.000,--, waarmee een maandelijkse terugspaarverplichting is gemoeid van E. 460,17 dient geen rekening te worden gehouden aangezien dit enerzijds leidt tot vermogensvorming en anderzijds deze verplichting niet dient te prevaleren boven de dringende onderhoudsverplichting van de ouders jegens [de jong-meerderjarige].
Op basis van het hiervoor vermelde inkomen van de ouders en de door het hof geaccepteerde lasten concludeert het hof dat de ouders in staat zijn volledig aan hun onderhoudsverplichting jegens [de jong-meerderjarige] te voldoen.
Het hof overweegt ten overvloede dat ook indien naast de voormelde door het hof geaccepteerde lasten, met tweederde deel van deze terugspaarverplichting voor de bouwspaarlening (E. 306,78 per maand) rekening wordt gehouden, bij de ouders voldoende draagkracht aanwezig is om in de hierboven in r.o. 4.5.1. vastgestelde behoefte van [de jong-meerderjarige] te voorzien.
4.8. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat moet worden beslist op de in het dictum aan te geven wijze.
Voor zover de ouders met ingang van 1 oktober 2003 bedragen aan [de jong-meerderjarige] hebben voldaan terzake van kosten van levensonderhoud en studie kunnen deze in mindering worden gebracht op hetgeen door hen terzake thans verschuldigd is.
Proceskosten.
4.9. Het hof ziet geen aanleiding de ouders te veroordelen in de aan de zijde van [de jong-meerderjarige] gevallen proceskosten, zoals door haar is verzocht. Daarom worden deze kosten tussen partijen gecompenseerd als na te melden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, van Etten en Stollenwerck en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.