tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH economische kamer A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Breda van 10 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 043323-01 tegen: [verdachte rechtspersoon] vof, gevestigd te [adres]. Het hoger beroep De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in of omstreeks de periode van 28 april 2000 tot 10 november 2000 te Moerdijk al dan niet opzettelijk, nadat veranderingen waren aangebracht, dat veranderde deel van een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor de overslag en tijdelijke opslag van (verontreinigde) materialen, opslag en het bewerken van verontreinigde waterstromen, het bewerken van van bodemsaneringswerken afkomstig verontreinigd materiaal en de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, immers waren in die inrichting zonder daartoe verleende vergunning ongeveer 18.400, in elk geval een aantal, vaten inhoudende fotoconcentraat opgeslagen. In deze weergave van de tenlastelegging is de in eerste aanleg toegelaten wijziging begrepen. Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. -2- Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat sinds de zitting in eerste aanleg op 10 juni 2002 tot aan de behandeling in hoger beroep op 30 juli 2004 een periode van ruim twee jaar is verstreken, terwijl de onderhavige zaak niet ingewikkeld is en deze vertraging niet aan het optreden van de verdachte te wijten is geweest. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De volgende data zijn in dit verband van belang. Op 13 juni 2002 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter. Het strafdossier is op 21 augustus 2002, alzo binnen een termijn van acht maanden, ter griffie van dit hof binnengekomen. Het hof wijst arrest op 13 augustus 2004, derhalve meer dan twee jaar na het instellen van het hoger beroep, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Dit brengt mee dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in casu inderdaad geschonden is. Bij afweging evenwel van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen. Het verweer van de raadsvrouwe wordt daarom verworpen. De bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 28 april 2000 tot 10 november 2000 te Moerdijk opzettelijk, nadat veranderingen waren aangebracht, dat veranderde deel van een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor de overslag en tijdelijke opslag van (verontreinigde) materialen, opslag en het bewerken van verontreinigde waterstromen, het bewerken van van bodemsaneringswerken afkomstig verontreinigd materiaal en de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, immers waren in die inrichting zonder daartoe verleende vergunning ongeveer 18.400 vaten inhoudende fotoconcentraat opgeslagen. Hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen PRO MEMORIE De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. -3- Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt het hof nader als volgt. Essentieel is de vraag of de opslag van de 18.400 vaten inhoudende fotoconcentraat onder de reikwijdte valt van de aan [de rechtsvoorganger van verdachte], verleende vergunning d.d. 21 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.