9 november 2004 Rekestenkamer Rekestnummer R200300622 GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, de man, procureur mr. J.E. Lenglet, t e g e n [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, de vrouw, procureur mr. J.E. Benner. Deze beschikking wordt gegeven als vervolg op de door dit hof op 16 december 2003 tussen partijen gegeven beschikking. 1. De beschikking van 16 december 2003 Bij die beschikking heeft het hof -voorzover thans van belang- iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van een door de meest gerede partij over te leggen herstelbeschikking van de rechtbank te Breda, inhoudende de in het dictum opgenomen bepaling dat van de beschikking van die rechtbank van 4 juni 2003, voorzover die als tussenbeschikking moet worden aangemerkt, hoger beroep kan worden ingesteld. 2. Het verdere verloop van de procedure 2.1. Bij herstelbeschikking van voormelde rechtbank van 15 januari 2004 is alsnog bepaald dat van de hiervoor vermelde beschikking van 4 juni 2003 hoger beroep kan worden ingesteld. De herstelbeschikking bevindt zich bij de stukken. 2.2. Het hof heeft nog kennisgenomen van de inhoud van de brief d.d. 22 april 2004 met bijlage van de advocaat van de man. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 april 2004. Bij die gelegenheid zijn partijen in persoon en hun raadslieden gehoord. 3. De verdere beoordeling 4.1. Partijen verschillen nog van mening omtrent de vraag of de echtelijke woning aan de Ed Hoornikstraat te [woonplaats] met de daaraan verbonden hypothecaire leenschuld al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoort en of het vermogen van de man voor zover voortspruitend uit schenking, making en erfrechtelijke verkrijging, alsmede de vruchten daaruit, benevens de vermogensvermeerdering daarvan en de opbrengsten van geschreven callopties en saldi van verkoopwinsten en -verliezen uit aandelentransacties al dan niet buiten de verrekening dienen te blijven. 4.2. In het kader van de beoordeling van het geschil is het volgende van belang. Partijen, die al sinds 1989 samenwoonden, zijn op 3 september 1994 gehuwd. Voorafgaande aan dit huwelijk zijn zij op 1 september 1994 huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij onder meer het volgende zijn overeengekomen: Artikel 1. Iedere huwelijksgoederengemeenschap wordt uitgesloten. Artikel 4 . De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van de inkomens van de echtgenoten en, voorzover deze inkomens daartoe ontoereikend zijn, ten laste van ieders vermogen, een en ander naar evenredigheid daarvan. Tot die kosten worden gerekend de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk van de echtgenoten geboren kinderen en van die, welke door hen zijn geadopteerd of die met beider toestemming in hun gezin werden opgenomen. Tot die kosten worden niet gerekend de in artikel 3 bedoelde premies of koopsommen (levensverzekering). Artikel 5. De belastingen, die van het inkomen of vermogen van ieder van de echtgenoten worden geheven en waarvoor aan een hunner een aanslag is opgelegd, worden door iedere echtgenoot in privé gedragen en wel naar evenredigheid van ieders inkomen of vermogen waarover zodanige belasting is berekend, ongeacht hoe de aansprakelijkheid tegenover de fiscus in de desbetreffende belastingwetten is geregeld. Artikel 6. Elke vordering tot verrekening van hetgeen een echtgenoot meer heeft betaald dan hetgeen ingevolge de beide voorgaande artikelen te zijnen laste komt, vervalt na verloop van een jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin zodanige betaling plaatsvond. Artikel 7. Zolang tussen de echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding bestaat, zal het gedeelte van ieders inkomen, dat na verloop van enig kalenderjaar blijkt niet te zijn besteed voor de betaling van de bedoelde kosten van de huishouding en belastingen, door de echtgenoten ter verdeling bij helfte worden bijeengevoegd. Het recht om deze verrekening te vorderen vervalt eveneens na verloop van een jaar na afloop van laatstbedoeld kalenderjaar. De echtgenoten zijn verplicht elkaar alle te dezer zake nodige gegevens te verschaffen. (...) 4.3. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 25 februari 2003 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beslissing op (onder meer) het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden werd aangehouden. De beschikking tot echtscheiding is op 12 maart 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.4. In de uitsluitend door de man bestreden beschikking van 4 juni 2003, welke beschikking bij herstelbeschikking van voormelde rechtbank van 15 januari 2004 alsnog vatbaar voor hoger beroep is verklaard, heeft de rechtbank de navolgende feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen: - Partijen wonen sinds 1989 samen; - Partijen zijn op 3 september 1994 gehuwd; - Op 1 september 1994 zijn zij huwelijkse voorwaarden aangegaan, inhoudende volledige uitsluiting van de gemeenschap van goederen; - Voorzover van belang hield artikel 7 van deze huwelijkse voorwaarden in dat per einde van elk kalenderjaar de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeenvoegen hetgeen van hun inkomsten over dat jaar onverteerd is gebleven; - Partijen zijn hiertoe nimmer overgegaan; - Op 30 oktober 1992 heeft de man in eigendom verkregen de echtelijke woning aan De Geer in [woonplaats] voor een kooprijs van E. 63.983,01 (ƒ 141.000,--); - De eigendom van voornoemde woning stond op naam van de man; - De aankoop van voornoemde woning is mede gefinancierd met een hypothecaire lening van E. 49.915,82 (ƒ 110.000,--) op naam van de man; op deze lening werd niet afgelost; - Aan deze hypothecaire lening was een spaarpolis op naam van de man gekoppeld waarvan de premie aanvankelijk E. 44,20 (ƒ 97,40) (inclusief E. 33,49 (ƒ 73,81) spaarpremie) bedroeg en per 1 december 1997 E. 62,05 ( ƒ 136,73) (inclusief E. 51,34 (ƒ 113,14) spaarpremie; De man heeft voor de aankoop van voornoemde woning tevens een schenking van E. 14.747,87 (ƒ 32.500,--) van zijn moeder aangewend; - Bij akte van 2 december 1998 verwierf de man de eigendom van een perceel bouwgrond te [woonplaats] aan de Ed Hoornikstraat voor een bedrag van E. 27.345,70 (ƒ 60.262,--); - Op 2 december 1998 hebben de man en de vrouw zich hoofdelijk verbonden voor een hypothecaire geldlening op deze grond en de daarop in aanbouw zijnde woning. Geleend werd een bedrag van E. 120.251,76 (ƒ 265.000,--), waarvoor de man en de vrouw zich hoofdelijk verbonden; - Op 2 juli 1999 heeft de ABN-AMRO bank aan partijen een overbruggingskrediet verstrekt van E. 105.277,01 (ƒ 232.000,--) in afwachting van de verkoop van de eerste echtelijke woning; - De verkoop van de eerste echtelijke woning aan De Geer te [woonplaats] vond plaats op 17 augustus 1999; de opbrengst van de woning bedroeg uiteindelijk E. 106.281,23 (ƒ 234.213,01); - Met voornoemde opbrengst is het hiervoor genoemde overbruggings-krediet afgelost. 4.5. In die beschikking heeft de rechtbank verder onder meer overwogen: - dat per 1 september 2002 in werking is getreden de wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, welke wet regels geeft met betrekking tot verrekenbedingen, alsmede dat op een periodiek verrekenbeding als tussen partijen overeengekomen deze wet onmiddellijke werking heeft; - dat ingevolge artikel 141 lid 3 BW geldt dat, nu bij het einde van het huwelijk niet is voldaan aan de bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht, het thans aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, alsmede dat artikel 1:136 lid 2 BW dit vermoeden ten aanzien van de te onderscheiden bestanddelen van het vermogen herhaalt. - dat partijen het er over eens zijn dat als peildatum voor verrekening dient te gelden 1 november 2002 en dat de rechtbank deze datum als peildatum heeft gehanteerd. 4.6. De man heeft tegen de hiervoor vermelde uitgangspunten geen grieven geformuleerd, zodat ook het hof deze uitgangspunten hanteert. 4.7. Partijen zijn het er ook in hoger beroep niet over eens wat tot het te verrekenen vermogen behoort. 4.8. De man kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat alle inkomsten van partijen, zowel door de man als de vrouw genoten over de periode vanaf 1 september 1994 tot 1 november 2002, ongeacht de bron of de herkomst van deze bron, alsmede alle activa en de daaraan toe te rekenschulden tot het te verrekenen vermogen behoren. In dit verband heeft de man aangevoerd dat uitsluitend het inkomen van partijen uit arbeid over de periode vanaf 1 september 1994 tot 1 november 2002 voorzover niet besteed voor de kosten van de huishouding en belastingen tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw heeft deze stelling van de man uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. 4.9. Het hof is met de rechtbank op de in de bestreden beschikking aangegeven gronden van oordeel dat partijen, gelet op de bewoordingen in de huwelijkse voorwaarden, het begrip inkomsten niet nader hebben willen beperken tot uitsluitend het inkomen uit arbeid van partijen. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat partijen het oog hebben gehad op het inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting. 4.10. De man heeft ter zitting van het hof wel verklaard dat hij bij het maken van de huwelijkse voorwaarden in de veronderstelling verkeerde dat de waarde-vermeerdering van de door hem ingebrachte woning en de inkomsten uit de door hem ingebrachte aandelen bij uitsluiting van de vrouw aan hem zouden toekomen, maar deze verklaring van de man komt het hof niet aannemelijk voor nu partijen met het maken van huwelijkse voorwaarden juist hebben beoogd de vermogens- rechtelijke gevolgen van hun voorgenomen huwelijk te regelen en het dus voor de hand zou hebben gelegen dat de man, indien en voorzover hij in de veronderstelling verkeerde dat de waardevermeerdering van de door hem ingebrachte woning en de inkomsten uit de door hem ingebrachte aandelen bij uitsluiting van de vrouw aan hem zouden toekomen, dit uitdrukkelijk in de akte huwelijkse voorwaarden had laten opnemen. De vrouw heeft ter zitting van het hof ook uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken dat tot het inkomen uitsluitend het inkomen van partijen uit arbeid gerekend dient te worden en de man heeft zijn andersluidende stelling niet te bewijzen aangeboden. 4.11. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW tot het te verrekenen vermogen tevens alle activa alsmede de daaraan toe te rekenen schulden behoren en dat in het onderhavige geval derhalve uitgangspunt is dat de echtelijke woning aan de Ed Hoornikstraat te [woonplaats], met de daaraan verbonden hypothecaire leenschuld en de daarbij behorende kapitaalverzekering, alsmede de aandelenportefeuille van de man de polissen en de bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen behoren, tenzij een partijen een afwijking van dit uitgangspunt verzoekt en deze afwijking al dan niet na bewijslevering kan rechtvaardigen. 4.12. De man is het met dit oordeel van de rechtbank op de navolgende onderdelen niet eens.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.