parketnummer: 20.002236.04 uitspraakdatum: 23 november 2004 tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 mei 2004 in de strafzaak onder parketnummer 01/059077/03 01/055109/01 (tul) tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1971, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "Oosterhoek" te Grave. Het hoger beroep De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. De tenlastelegging Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over. In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen. De bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: op 3 juli 2003 te Oss tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een tas en een hoeveelheid geld en een gouden armband toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededader een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] hebben gehouden en de handen van die [slachtoffer] hebben vastgebonden en vastgetaped en de ogen en de mond van die [slachtoffer] hebben dichtgeplakt en tape om de nek/hals van die [slachtoffer] hebben gedaan en die [slachtoffer] meerdere malen op het bed hebben geduwd/gesmeten en een kussen op het hoofd van die [slachtoffer] hebben geduwd/gehouden en die [slachtoffer] tegen het hoofd hebben geslagen, welk bovenomschreven feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft gehad, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken kaak en een gebroken neus en twee gebroken oogkassen. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen PRO MEMORIE De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit. Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste en tweede lid in samenhang met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Evenmin kan worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof heef hierbij rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast heeft het hof gelet op het buitengewoon lafhartige karakter van het gepleegde feit. Verdachte en zijn mededader hebben -kennelijk alleen lettend op hun eigen geldelijke gewin- een toen 89-jarige vrouw in haar eigen huis in de voor de nachtrust bestemde tijd overvallen. Bij de voorbereiding heeft verdachte rekening gehouden met de mogelijkheid dat geweld tegen de op de locatie aanwezige perso(o)n(en) zou worden uitgeoefend. Dit blijkt uit het gegeven dat door verdachte en zijn mededader tevoren is besproken dat zij het latere slachtoffer zouden kunnen verdoven of vastbinden. Verdachte heeft daartoe schilderstape bij zich gestoken en had zich voorzien van een middel waarmee het slachtoffer wellicht verdoofd had kunnen worden. De mogelijkheid van geweldpleging is uitgekomen. Verdachte en zijn mededader hebben de aanwezige bewoonster van het pand bedreigd en mishandeld. Zij is bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Haar hoofd werd vrijwel geheel afgetaped. Tenslotte is het slachtoffer ernstig mishandeld. Het hof rekent deze mishandeling aan verdachte toe. Aan deze mishandeling heeft het slachtoffer blijvend lichamelijk letsel overgehouden. Daarnaast heeft zij psychische klachten opgelopen en ondervindt zij opnieuw last van het trauma, dat zij aan haar ervaringen uit de tweede wereld-oorlog heeft overgehouden. Als gevolg van het vorenstaande is het slachtoffer niet langer in staat zelfstandig te wonen. Het hof heeft in ernstig strafverzwarende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en dat hij dit feit gepleegd heeft terwijl hij nog maar korte tijd in vrijheid was gesteld ter zake van een straf opgelegd voor een drietal overvallen, waarbij tenminste in één geval door verdachte geweld is gebruikt. Van deze veroordeling liep verdachte bovendien in een proeftijd ten tijde van het onderhavige delict. Bij de oplegging van de straf heeft het hof dan ook mede rekening gehouden met het feit dat de samenleving langere tijd tegen verdachte beschermd moet worden. Over verdachte is door A.T. Spangenberg, psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater -beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum- een rapport d.d. 9 april 2004 omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer -zakelijk weergegeven- in: "Bij betrokkene is sprake van een gecombineerde problematiek in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met daarnaast kinderlijk-theatrale en borderline kenmerken en tevens van zwakbegaafdheid en cannabisafhankelijkheid (met dit laatste wordt de ziekelijke stoornis bedoeld). Meest in het oog springende kenmerken van genoemde antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn bij betrokkene: zijn hang naar directe behoeftebevrediging, waarbij zijn behoeftes weinig uitstel verdragen, en zijn lacunaire gewetensfuncties. Bij het tenlastegelegde stond naar het zich laat aanzien een geldelijk motief voorop. Betrokkene erkent ook dat hij, op weg naar het tenlastegelegde (met middelen ter overmeestering van het slachtoffer bij zich respectievelijk deze onderweg verzamelend) zich gerealiseerd heeft dat hij opnieuw een foute route aan het bewandelen was. Aangezien wij echter ook enige invloed zien bij het tot stand komen van het tenlastegelegde van betrokkenes zwakbegaafdheid (gebrekkig overzicht in situaties) en zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis (beperkte vermogens behoeftenbevrediging uit te stellen en impulsiviteit), achten wij betrokkene enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Betrokkene wordt niet als het ware 'gedreven' om feiten als het onderhavige tenlastegelegde te plegen; het achterwege laten van het tenlastegelegde met het daarbij aangewende geweld, was vanuit betrokkenes stoornis heel goed voorstelbaar geweest." Het hof neemt bovenstaande overwegingen en conclusie over en heeft met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in mitigerende zin rekening gehouden bij de vaststelling van de duur van de na te melden gevangenisstraf. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van Euro 16.445,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.