typ. KD rolnr. C0301296/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, eerste kamer, van 16 november 2004, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap DIJK VAN NES ONROEREND GOED EXPLOITATIE B.V., gevestigd te IJsselstein, appellante, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, - t e g e n - de besloten vennootschap MAASPLASSEN ROERMOND B.V., gevestigd te Herten, geïntimeerde, procureur: mr. R.A. Søpnel, op het hoger beroep van appellante (Van Nes) tegen het vonnis van de rechtbank te Roermond van 8 oktober 2003, onder rolnr. 55557/HA ZA 03-365 gewezen tussen Van Nes als eiseres en geïntimeerde (Maasplassen) als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg In voormeld vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Van Nes afgewezen en Van Nes in de proceskosten veroordeeld. 2. Het geding in hoger beroep Van Nes is bij exploot van 13 oktober 2003 tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft zij daartegen onder overlegging van producties zeven grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Van Nes zal toewijzen met veroordeling van Maasplassen in de kosten van de procedures van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. Maasplassen heeft de bij memorie van antwoord onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeling van Van Nes in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Daarna hebben partijen de zaak ter zitting van het hof van 21 september 2004 mondeling bepleit, waarbij voor Van Nes het woord gevoerd is door mr. D. van Kampen en voor Maasplassen door haar procureur, beiden aan de hand van een pleitnota die deel uitmaakt van het dossier. Tenslotte hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het beroep De grieven van Van Nes houden, kort en zakelijk weergegeven, het volgende in. In grief 1 klaagt Van Nes over het niet vaststellen door de rechtbank van een naar haar mening relevant feit. In grief 2 klaagt Van Nes over de weergave door de rechtbank van haar, Van Nes', stellingen. Grief 3 betreft de overweging van de rechtbank dat het niet tekenen van de leveringsakte op 5 september 2002 zijn reden vond in drie met name genoemde omstandigheden. De grieven 4, 5 en 6 betreffen de overwegingen van de rechtbank omtrent deze omstandigheden, en wel achtereenvolgens de wettelijke rente, de aalvisser, en de inmeting. In grief 7 maakt Van Nes bezwaar tegen de conclusie van de rechtbank dat van afbreken van de onderhandelingen door Maasplassen geen sprake is, zodat de vordering van Van Nes moet worden afgewezen onder haar veroordeling in de proceskosten. 4. De beoordeling van het geschil 4.1. Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in r.o. 2 van het vonnis is, behalve grief 1 waaraan in het onderstaande tegemoet zal worden gekomen, geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 4.2. Het onderhavige geschil betreft, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het navolgende. Partijen zijn van het voorjaar 2001 tot in het najaar van 2002 met elkaar in onderhandeling geweest over de verkoop door Maasplassen aan Van Nes van het watersportcomplex " Asselt" te Swalmen (verder: het complex). Daarbij hebben zij overeenstemming bereikt over de onroerende en de roerende zaken en de prijs als door de rechtbank in r.o. 2.2 en 2.3 van het bestreden vonnis aangegeven. Tot een complete overeenkomst met betrekking tot alle aspecten van de transactie is het echter niet gekomen. Tussen april 2001 en 5 september 2002 zijn door Maasplassen 7 concept-overnameovereenkomsten en (tenminste) twee concept-leveringsakten opgesteld, de eerste overeenkomst d.d. 3 april 2001 en de laatste d.d. 4 september 2002. Deze laatste versie bevat onder 4.2 de vaststelling, dat indien Van Nes op de overdrachtsdatum (5 september 2002) geen medewerking aan de ondertekening van de overeenkomst en de levering verleent, Maasplassen het recht heeft om tot verkoop en levering aan een derde over te gaan. Verder is onder 5.1 van deze versie van de concept-overeenkomst opgenomen dat de percelen vrij zijn van gebruiks- en genotsrechten anders dan de aan partijen bekende visrechten, dat partijen bekend zijn met het gebruik zonder recht of titel (als maisveld, hof) door [naam], dat partijen daaromtrent een regeling hebben getroffen, en dat Maasplassen voor haar rekening opdracht zal geven tot een grensreconstructie. In een e-mailbericht van Van Nes aan Maasplassen d.d. 27 juni 2001 naar aanleiding van de concept-overnameovereenkomst van 25 juni 2001 schrijft Van Nes: " Heb ik het goed als ik begrijp dat het contract met de " Aalvisser" loopt tot 2007? ". Als opschortende/ontbindende voorwaarde voor de levering van het complex gold, dat Van Nes de benodigde vergunningen van Rijkswaterstaat zou verkrijgen. Het benodigde akkoord van Rijkswaterstaat is op 31 mei 2002 verkregen. Maasplassen wenste dat de overeenkomst zo spoedig mogelijk werd ondertekend en heeft verzocht op 2 juli 2001 te transporteren. Daarmee heeft Van Nes niet ingestemd. Een voor het notariële transport voor 28 juni 2002 gemaakte afspraak is door Van Nes op 26 juni 2002 afge- zegd. In een kort geding-dagvaarding van 29 juli 2002 waarin Maasplassen van Van Nes onder meer nakoming van de overnameovereenkomst eiste, staat onder punt 12 vermeld: " Reeds op 16 juni 2002 heeft Maasplassen evenwel Van Nes ervan in kennis gesteld dat lopende huurovereenkomsten reeds waren opgezegd en het ongeoorloofde gebruik reeds was beëindigd, zodat de Activa vrij en onbezwaard zou kunnen worden geleverd." Partijen hebben een bespreking gevoerd op 26 augustus 2002, waarbij (onder meer) gesproken is over het aalvisrecht, de inmeting van stroken grond door het Kadaster, en een nader advies van de accountant over de kosten van een bezwaar-en beroepsprocedure omtrent de BTW. Tevens heeft Maasplassen bij die gelegenheid een eerder gestelde eis tot het betalen van wettelijke rente over de koopsom laten vallen. Van Nes wenste bovendien (bij die bespreking of kort daarna) persoonlijke zekerheidsstelling door de directeur/aandeelhouder van Maasplassen voor de kosten van inmeting en de BTW-procedure. Voor de notariële overdracht is vervolgens een afspraak gemaakt voor 5 september 2002. De accountant heeft aan Van Nes bij brieven van 30 augustus 2002 en 3 september 2002 opgave gedaan van de kosten van de BTW-procedure. Maasplassen heeft de verzochte persoonlijke borgstelling geweigerd. In de ochtend van 5 september 2002 heeft Maasplassen aan (de raadsman van) Van Nes nog twee brieven gefaxt, te weten een brief van [de aalvisser] (verder te noemen de aalvisser) aan Maasplassen d.d. 7 juli 2002 waarin hij de opzegging van de huurovereenkomst (aalvisrecht) bevestigt en verklaart in principe bereid te zijn daarvan afstand te doen mits hem compensatie wordt aangeboden, en een brief van Maasplassen aan de aalvisser d.d. 4 september 2002 waarin Maasplassen bevestigt dat zij in een gesprek op 29 augustus 2002 heeft aangegeven bereid te zijn tot het elders doen verkrijgen van visrechten, waarop naar Maasplassen stelt de aalvisser reageerde dat hij dan de huurovereenkomst zou beëindigen. Partijen zijn op 5 september 2002 wel bij de notaris verschenen, maar het is bij gebreke van overeenstemming niet tot ondertekening van een overeenkomst en dus evenmin tot levering gekomen. Partijen zijn daarop opnieuw met elkaar in onderhandeling getreden. Maasplassen heeft daarbij geëist dat (de helft van) de wettelijke rente zou worden betaald vanaf 31 mei 2002, waarmee Van Nes niet wilde instemmen. Verder is (in elk geval ook) gesproken over de persoonlijke borgstelling, de aalvisser, en de kosten van het ondernemersplan van " ZKA" die Maasplassen had betaald. Maasplassen heeft uiteindelijk op 11 oktober 2002 aan Van Nes bericht: " Zoals ik reeds in mijn fax van 8 oktober jl. heb aangegeven, leidt deze opstelling van uw cliënte ertoe dat cliënt geen andere weg ziet dan de onderhandelingen te staken en zich volledig bevrijdt te achten de onderhavige activa aan derden te vervreemden." Bij brief van 24 maart 2003 heeft Maasplassen aan de aalvisser bevestigd dat deze akkoord gaat met beëindiging van de huurovereenkomst op voorwaarde dat, en op het moment dat, er een overnameovereenkomst tot stand komt met Van Nes. De inmeting door het Kadaster heeft plaatsgevonden op 6 juni 2003. Daarbij bleek dat de over te dragen percelen 6500m2 groter waren dan de in de conceptovereenkomsten genoemde geschatte omvang. Partijen hebben in de loop van het onderhandelingsproces een aantal malen over en weer conservatoir beslag gelegd. Ook zijn over en weer een aantal kort gedingen tussen hen gevoerd, waarbij (in elk geval) twee kort geding-procedures hebben geleid tot een vonnis. Op 8 april 2003 en 27 november 2003 zijn vorderingen van Maasplassen tot opheffing van door Van Nes gelegde conservatoire beslagen door de voorzieningenrechter afgewezen. 4.3. Van Nes heeft Maasplassen bij exploot van 14 februari 2003 gedagvaard en gevorderd dat Maasplassen wordt veroordeeld tot betaling van schade aan Van Nes - primair het positief, subsidiair het negatief contractsbelang -, op te maken bij staat, en tot betaling van proceskosten. Daartoe heeft Van Nes gesteld dat Maasplassen toerekenbaar tekort schiet dan wel onrechtmatig jegens Van Nes handelt door in strijd met de precontractuele redelijkheid en billijkheid de onderhandelingen met Van Nes niet naar behoren voort te zetten c.q. op onaanvaardbare wijze af te breken. Maasplassen obstrueert volgens Van Nes de ondertekening van een overeenkomst en de levering van het complex door het opvoeren van drie haars inziens ondergeschikte punten, en wel de wettelijke rente vanaf 31 mei 2002, onjuiste informatie betreffende de beëindiging van de overeenkomst met de aalvisser, en door de inmeting niet vóór de levering te willen laten uitvoeren. Het vorderen van nakoming is volgens Van Nes zinloos, zodat zij de door haar geleden schade als gevolg van het niet doorgaan van de transactie vordert. 4.4. De rechtbank heeft, nadat bij tussenvonnis een comparitie van partijen was bevolen, bij eindvonnis van 8 oktober 2003 de vorderingen van Van Nes afgewezen. De rechtbank overweegt dat zij zal beoordelen of Van Nes op 5 september 2002 terecht geweigerd heeft de leveringsakte te ondertekenen, zodat zij een vordering heeft op Maasplassen. Op grond van haar oordeel dat de wettelijke rente blijkens hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard geen beletsel was, dat de situatie rond de aalvisser onvoldoende reden voor Van Nes opleverde om ondertekening te weigeren, en dat de tijd te kort was om tijdig een inmeting te kunnen verkrijgen, heeft de rechtbank beslist dat van afbreken van de onderhandelingen door Maasplassen geen sprake is, zodat de vordering van Van Nes moet worden afgewezen. 4.5. Van Nes heeft tegen deze oordelen grieven ingebracht, die in r.o. 3 van dit arrest kort zijn weergegeven. Uit de weergave van de feiten door het hof vloeit voort dat het hof van oordeel is dat de eerste grief slaagt, hetgeen overigens verder op zichzelf geen gevolgen heeft. Grief 2 moet worden verworpen, nu r.o. 3.4 van het vonnis van de rechtbank, anders dan Van Nes stelt, geen oordeel van de rechtbank betreft, maar een weergave is van de stellingen van Van Nes, waarbij punt 14 van de inleidende dagvaarding van Van Nes letterlijk is weergegeven. 4.6. In eerste aanleg heeft Van Nes een uitvoerige uiteenzetting gegeven van de gebeurtenissen tot en met 5 september 2002 en als grondslag aangevoerd dat Maasplassen "de" onderhandelingen onterecht heeft afgebroken, waarbij Van Nes echter weinig tot geen aandacht heeft geschonken aan de periode na 5 september 2002. Pas in haar akte na comparitie van 3 september 2003 komt éénmaal de datum 11 oktober 2002, als het breekpunt, voor. In hoger beroep heeft Van Nes het zwaartepunt van haar argumenten enigszins verlegd en gesteld dat het gaat om de vraag, of Maasplassen gezien alle feiten en omstandigheden, de onderhandelingen op 11 oktober 2002 terecht heeft afgebroken en heeft mogen afbreken. Maasplassen is op deze discussie volledig ingegaan. 4.7. In de derde grief voert Van Nes dan ook terecht aan, dat de rechtbank het geschil tussen partijen te beperkt heeft weergegeven door als kernvraag te beschouwen of Van Nes op 5 september 2002 terecht geweigerd heeft de leveringsakte te ondertekenen. Naar inmiddels duidelijk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.