BELASTINGKAMER Nr. 02/03966 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Douane district P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Douane Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslagen in de accijns en in de omzetbelasting. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 18 december 1995 de volgende, op één aanslagbiljet verenigde, naheffingsaanslagen opgelegd ter zake van de uitslag van tabaksproducten en alcoholhoudende producten tot een bedrag van fl. 34.092,-- aan accijns (hierna: de naheffingsaanslag) en met betrekking tot deze tabaksproducten en alcoholhoudende producten tot een bedrag van fl. 10.897,-- aan omzetbelasting, met een verhoging van 100%, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen heeft besloten geen kwijtschelding te verlenen. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag in de accijns gehandhaafd, de naheffingsaanslag in de omzetbelasting vernietigd, en de verhoging geheel kwijtgescholden. 1.3. Belanghebbende is tegen de sub 1.2 genoemde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 109,--. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 17 juni 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede, de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. 1.5. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst in verband met een door belanghebbende gedaan verzoek een tweetal getuigen te horen. 1.6. Voor de nadere zitting heeft de Inspecteur nadere stukken aan het Hof - en door tussenkomst van de Griffier aan belanghebbende -doen toekomen, te weten de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nummers 38.707 en 38.723 (NTFR 2004/1073), alsmede een nadere beschouwing naar aanleiding van die arresten. 1.7. Het nadere onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 27 januari 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, voornoemd, alsmede, de Inspecteur. Tevens zijn verschenen de door het Hof opgeroepen personen A en B, die, na de belofte te hebben afgelegd, als getuige zijn gehoord. De verklaringen zijn op de voet van artikel 8:61, achtste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) opgenomen in het proces-verbaal van het onderzoek ter nadere zitting. 1.8. Naar aanleiding van het getuigenverhoor heeft de gemachtigde verzocht nader douaneambtenaren die destijds bij A B.V. aanwezig waren, als getuigen te doen horen. Daartoe heeft hij verklaard dat, als de ambtenaren wisten dat geleverd werd voor ander gebruik dan aan boord, dat een ander licht op de zaak zou werpen. Deze ambtenaren hadden de leveringen dan moeten tegenhouden; de overheid is wellicht betrokken bij het belastbare feit. Subsidiair heeft hij gevraagd een schriftelijke conclusie te mogen nemen. Van de hem door het Hof geboden gelegenheid, na een schorsing van dertig minuten mondeling op het verhoor te reageren, heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. 1.9. Na schorsing heeft het Hof beide verzoeken van de gemachtigde afgewezen. 1.10. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde op beide zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1. Belanghebbende was vanaf 1973 werkzaam in de binnenvaart, eerst als matroos, later als stuurman, bij een Duitse rederij. In 1994 en 1995 kocht hij regelmatig accijnsgoederen (onder meer wijn, alcoholhoudende producten en tabaksproducten) van scheepsprovianderingsbedrijf A B.V. te Q (hierna: A B.V.), dat deze goederen voorradig had in een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP) in de zin van artikel 1a, letter d, van de Wet op de accijns, (hierna: de Wet). Op de door de leverancier opgemaakte facturen is onder meer vermeld: "R (...)" "C B.V. Astraat 1 S NEDERLAND" en "VERKLARING O.G.V. ART. 66A WET ACC.". Aan de voet van de facturen is afgedrukt: "DE OP DEZE FACTUUR VERMELDE GOEDEREN ONTVANGEN VOOR GEBRUIK AAN BOORD TUSSEN TWEE OF MEERDERE LIDSTATEN VAN DE E.E.G. HANDTEKENING VOOR ACCOORD:" "Door acceptatie van de factuur en de daarop vermelde goederen stelt de afnemer zich aansprakelijk voor alle navorderingen van invoerrechten, accijnzen en overige boetes, indien later mocht blijken dat de goederen ten onrechte zijn verbruikt.". 2.2. Belanghebbende werkte op duwboten die eigendom waren van de rederij C B.V. te S. C B.V. beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 19a van het Uitvoeringsbesluit accijns (hierna: het Besluit). 2.3. Een deel van de sub 2.1. genoemde goederen is niet gebruikt aan boord van schepen in het verkeer naar een andere lidstaat, doch in Nederland door belanghebbende zelf verbruikt, of doorverkocht aan derden. 2.4. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de uitslag uit de AGP mitsdien de vrijstelling, bedoeld in artikel 66a, lid 1, letter a, van de Wet, niet van toepassing is. Ter zake van het voorhanden hebben van de afgenomen hoeveelheden accijnsgoederen heeft hij belanghebbende in de heffing van accijns betrokken. In verband met de onderhavige leveringen heeft hij ook aan de leverancier naheffingsaanslagen opgelegd, maar deze, na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van 20 december 1999, vernietigd. 2.5. De naheffingsaanslag in de accijns is berekend aan de hand van de tot de gedingstukken behorende facturen van de leverancier A B.V. met de nummers 13333, 70, 165, 12455, 12456 en 12457, 12532, 12944, 13551 en 13598. Ten aanzien van de op deze facturen vermelde accijnsgoederen heeft belanghebbende bij verhoren door ambtenaren van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) verklaard dat deze goederen niet waren bestemd voor gebruik aan boord, maar voor gebruik aan de wal door hemzelf, of door derden aan wie hij deze goederen doorverkocht. Bij brief van de gemachtigde van 30 mei 1996 zijn vorengenoemde facturen als zodanig "erkend", met uitzondering van de facturen met het nummer 12944 respectievelijk 13333. De processen-verbaal van verhoor behoren tot de gedingstukken. 2.6. De Inspecteur heeft bij ambtshalve op 19 mei 2003 verleende teruggaaf de aanslag verminderd tot fl. 29.202,80 aan accijns. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de op factuur met nummer 12944 vermelde goederen ten onrechte in de naheffingsaanslag zijn betrokken. Voorts is een correctie toegepast omdat bij de berekening van de accijns voor sigaretten van een onjuiste kleinhandelsprijs is uitgegaan. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht tot het sub 2.6. genoemde bedrag in de heffing van accijns is betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende heeft de volgende grieven aangevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.