Gerechtshof 's-Hertogenbosch ---------------------------------------- | VOORLOPIGE HECHTENIS ---------------------------------------- Bijzonderzakennummer: AVNR. 006902-05 Parketnummer 1e aanleg: 02-800839-05 Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, gezien de akte van de griffier van de rechtbank te Breda d.d. 7 juli 2005, waarbij namens [verdachte] geboren [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Frankrijk) Zonder vaste woon- of verblijfplaats , thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Breda d.d. 7 juli 2005, bij welke beslissing de gevangenhouding van [verdachte] voornoemd werd bevolen. gezien de beslissing waarvan beroep; gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman; Met betrekking tot de bevoegdheid van de raadkamer om van het ingestelde appel kennis te nemen merkt het hof het navolgende op. Verdachte is op 7 juli 2005 door de politierechter te Breda veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft tevens op vordering van het openbaar ministerie de gevangenhouding van verdachte bevolen. Namens verdachte is hoger beroep ingesteld zowel tegen de veroordeling in de hoofdzaak als tegen het bevel gevangenhouding. Door het openbaar ministerie is in raadkamer naar voren gebracht dat weliswaar verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding doch dat, gelet op het concentratiebeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering, de strafkamer van het hof die de hoofdzaak in beroep zal behandelen en niet de raadkamer van het hof bevoegd is van het hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding kennis te nemen. Door het openbaar ministerie is daartoe naar voren gebracht dat het bevel gevangenhouding in de onderhavige zaak is te beschouwen als een tussenbeslissing als bedoeld in artikel 406 van het Wetboek van strafvordering en dat dit artikel (mede) de strekking heeft te voorkomen dat het onderzoek in de hoofdzaak wordt belemmerd of vertraagd door een telkens ingesteld hoger beroep van ter terechtzitting gegeven (tussen) beslissingen. Daarnaast dient aldus het openbaar ministerie desintegratie van het onderzoek vooral ook te worden vermeden met het oog op de deugdelijkheid van de in artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering van de rechter gevorderde beslissingen. Het apart in raadkamer behandelen van een hoger beroep tegen een op de zitting in eerste aanleg gegeven bevel gevangenhouding is met het voorgaande strijdig, aldus het openbaar ministerie. Het verweer wordt op de navolgende gronden verworpen. Het hof heeft gezien naar de wetsgeschiedenis met betrekking tot de wijziging van de artikelen 71 en 406 van het Wetboek van Strafvordering (d.d. 22 april 1998, Stbl 250, iwtr 15 mei 1998; Kamerstukken 24219). Bij deze wetswijziging is in het eerste lid van artikel 71 het woord "beschikking" gewijzigd in "beslissing", waardoor verdachte ook van door de rechtbank ter zitting gegeven uitspraken, houdende een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging bij het gerechtshof in hoger beroep kan komen. Voorts is artikel 406 aldus gewijzigd, dat voor de tekst van het bestaande artikel het cijfer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.