typ. JD rolnr. C0301072/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, eerste kamer, van 6 september 2005, gewezen in de zaak van: MR. JAAP ANNE VAN DER MEER Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam], wonende te 's-Hertogenbosch, appellant bij exploot van dagvaarding van 6 augustus 2003, procureur: mr. R.J. Koekkoek, tegen: DE COÖPERATIE COÖPERATIEVE RABOBANK HEUSDEN-VLIJMEN U.A., gevestigd te Vlijmen, gemeente Heusden, geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis vann 7 mei 2003 tussen appellant- de curator- als eiser en geïntimeerde - de Rabobank - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 71431/HA ZA 01-2141) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep Bij memorie van grieven heeft de curator zes grieven aangevoerd, producties overgelegd, en, mede gelezen de appeldagvaarding, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie gewezen en, kort gezegd, tot in conventie uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van de Rabobank tot betaling aan de curator van E. 75.236,70 met wettelijke rente over E. 27.013,93 vanaf 6 oktober 1999 en vanaf 13 oktober 1999 over E. 11.681,72 en in reconventie tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de Rabobank, met veroordeling van de Rabobank in de kosten in beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft de Rabobank de grieven bestreden. De curator heeft onder overlegging van één productie een akte genomen. De Rabobank heeft een antwoordakte genomen. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. In overweging 2 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. 4.2.1. Het hof zal thans eerst de grieven 1 en 2 bespreken, welke zien op het oordeel van de rechtbank in conventie. 4.2.2. Het gaat, voor wat betreft de conventie, in dit hoger beroep kort samengevat om het volgende. De Rabobank had twee kredieten verstrekt aan [naam] (hierna: [bedrijf]). Tot zekerheid voor de terugbetaling daarvan had de Rabobank (stil) pandrecht op roerende zaken en een recht van hypotheek op de onroerende zaken van [bedrijf] verkregen. Het ging al geruime tijd zakelijk gezien niet goed met [bedrijf], doch zij voldeed wel aan haar verplichtingen jegens de Rabobank. In mei 1999 overleed [persoon 1], directeur van [bedrijf]. In het voorjaar van 1999 hebben diverse gesprekken plaatsgevonden met potentiële overnemers van het bedrijf, doch zonder resultaat. 4.2.3. Op 5 oktober 1999 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [weduwe directeur], [administrateur bedrijf] en [vertegenwoordiger Rabobank]. [vertegenwoordiger Rabobank] heeft hetgeen toen besproken is bevestigd in een brief van 5 oktober 1999, waarin hij onder meer schrijft dat de liquiditeitspositie van het bedrijf zeer slecht is. Per valutadatum 6 oktober 1999 en 13 oktober 1999 zijn op de bankrekening die [bedrijf] bij de Rabobank aanhield betalingen door derden ter grootte van in totaal f 156.931,87 binnengekomen, welke betalingen de Rabobank heeft verrekend met het debetsaldo van deze bankrekening. 4.2.4. Op 13 oktober 1999 is [bedrijf] op aanvraag van [weduwe directeur] failliet verklaard met benoeming van mr. Van der Meer (thans appellant) als curator. Ter zake de verstrekte kredieten had de Rabobank toen van [bedrijf] te vorderen f 538.1907,54. 4.2.5. De curator heeft de Rabobank in rechte betrokken en betaling door de Rabobank van E. 75.236,70 met rente gevorderd, omdat, naar hij stelt, dat de Rabobank niet te goeder trouw was in de zin van art 54 Fw toen zij op 6 en 13 oktober 1999 de op de bankrekening van [bedrijf] ontvangen bedragen verrekende, en zij derhalve de ontvangen betalingen dient af te dragen aan de boedel. 4.2.6. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Tegen dit oordeel richten zich grieven 1 en 2. 4.3.1. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. De curator heeft zijn stelling dat de Rabobank bij de toegepaste verrekening niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw gebaseerd op genoemde brief van [vertegenwoordiger Rabobank] van 5 oktober 1999 en op de door [vertegenwoordiger Rabobank] afgelegde getuigenverklaring, ter gelegenheid van het ten overstaan van de rechtbank gehouden voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van de Rabobank. In hoger beroep heeft de curator daarnaast aangeboden te bewijzen door middel van het horen van een deskundige, in het bijzonder een registeraccountant, dat de brief van [vertegenwoordiger Rabobank] van 5 oktober 1999 "in financieel technische zin uitdrukking is van de wetenschap van Rabo dat er bij [bedrijf] sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen". 4.3.2. In de brief van [vertegenwoordiger Rabobank] van 5 oktober 1999 staat onder meer het volgende. "Na het overlijden van uw man bent u al enige tijd bezig om te kijken of u het bedrijf/de aandelen ervan kunt verkopen. Tot op heden zijn deze onderhandelingen op niets uitgelopen. De liquiditeitspositie van het bedrijf is op dit ogenblik zeer slecht, (..) De positie van het bedrijf is volledig uitgehold, naast de slechte liquiditeitspositie, is de vermogenspositie fors negatief en zijn er geen nieuwe opdrachten binnen gekomen voor nieuw werk. (..) De bank onderschrijft uw conclusie dat er op zeer korte termijn zicht moet komen op de verdere te nemen stappen. Ik sprak met u af dat we vanaf heden de verdere gang van zaken nauwgelet zullen volgen. Betalingen aan crediteuren kunnen alleen plaatsvinden in overleg met de bank." 4.3.3. Gehoord ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van de Rabobank heeft [vertegenwoordiger Rabobank] over deze kwestie het volgende verklaard. "Ik nam het dossier over van een collega en uit het dossier kon worden afgeleid dat het eigenlijk al vanaf 1992 moeilijk ging met de vennootschap. Die situatie heeft zich niet gewijzigd (..) Het kwam er eigenlijk op neer dat de resultaten mager waren, maar dat men voldeed aan de verplichtingen. (..) In dat gesprek [20 april 1999, hof] is mij verteld dat men op dat moment met een concrete overname kandidaat in bespreking was. Bij mij is niets bekend van een aan crediteuren aangeboden akkoord, c.q. een poging daartoe. In de brief van 5 oktober schrijf ik dat de liquiditeitspositie zeer slecht is. Daarmee bedoel ik niet slechter dan voorheen, maar onverminderd slecht. De hele brief is opzettelijk wat zwaar aangezet en had de bedoeling dat er vaart zou worden gemaakt met de onderhandelingen. In het gesprek zijn alle toekomstmogelijkheden aan de orde geweest. Ik vermoed dat de faillissementsoptie als laatste genoemd zal zijn. [weduwe directeur] en [een vriend van [weduwe directeur], hof] wilden echter een faillissement uitdrukkelijk voorkomen. (..) De brief was dus bedoeld om garen op de klos te krijgen. (..) De bank is daar [bij de faillissementsaanvraag door [weduwe directeur], hof] niet betrokken bij geweest (..) Ik kan beamen dat ik mij verbaasd heb over de snelheid waarmee dit alles heeft plaatsgevonden; het faillissement werd immers uitgesproken ruim een week na het gesprek van 5 oktober, zonder dat over het voornemen daartoe met de bank is gesproken. (..) niemand bij de bank [heeft] het faillissement zien aankomen, ook de directeur niet. Als iemand het had kunnen weten, was ik dat geweest. Ook de financiering op zich gaf geen aanleiding te denken dat een faillissement een oplossing was. Het krediet was niet overschreden (..) De betalingen konden worden gedaan zonder dat de limiet werd overschreden. Er was ruimte om betalingen te doen. De financiering was ook nooit opgezegd. Daarmee is ook nooit gedreigd en ook in het gesprek van 5 oktober heb ik niet de indruk daartoe gewekt. (..) Dit alles was voor de bank in ieder geval reden om niet aan faillissement te denken. De bank had immers voldoende zekerheden." 4.3.4. Naast [vertegenwoordiger Rabobank] zijn in eerste aanleg ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor [vriend weduwe directeur], [administrateur bedrijf]] en [weduwe directeur] over deze kwestie gehoord. [vriend weduwe directeur] verklaarde voor zover van belang als volgt: [over het gesprek van 5 oktober 1999, hof]:"(..) er was bepaald optimisme met betrekking tot een eventuele overname. Een faillissement is tijdens dat gesprek niet als mogelijke optie genoemd. (..) de inhoud van dit gesprek was nogal mild. De bevestigingsbrief (..) was echter veel harder van toon. Vrijwel direct na het gesprek met de heer [vertegenwoordiger Rabobank] liepen de onderhandelingen vast. (..) Er is geprobeerd een betalingsregeling te treffen met de schuldeisers (..) Vervolgens heb ik samen met [weduwe directeur] op dinsdag het faillissement aangevraagd, dat vervolgens op woensdags daarna is uitgesproken. Ik verklaar uitdrukkelijk dat wij over de faillissementsaanvraag, of het voornemen daartoe, niet met de heer [vertegenwoordiger Rabobank], of iemand anders van de Rabobank hebben gesproken. (..) Wij hadden de zaak wellicht nog wat langer kunnen rekken, maar volgens ons had dat uiteindelijk geen zin. Op dat moment was het in ieder geval geen optie om met de bank te praten." [administrateur bedrijf] verklaarde voor zover van belang: "De zorgelijke financiële situatie bestond al een groot aantal jaren. (..) Op de vraag of een faillissement onafwendbaar was, kan ik antwoorden dat de situatie tamelijk zorgelijk was, echter er waren nog voldoende dekkingsmiddelen om de schulden te betalen. In de laatste fase waren er weinig orders, hoewel er ten tijde van de faillissementsaanvrage nog twee verzoeken lagen om offertes uit te brengen. Er was sprake van een leeglopende orderportefeuille." [weduwe directeur] tenslotte verklaarde onder meer: "In dit gesprek (van 5 oktober 1999, hof) is helemaal niet over een mogelijk faillissement gesproken. Ik wilde dat trouwens ook helemaal niet. Zelfs de optie van een faillissement is niet aan de orde geweest. Ik vind dat ook logisch want wij waren op dat moment nog bezig met [overnamekandidaat]. (..) In het weekend van 10 oktober viel [overnamekandidaat] als overnamekandidaat definitief af. Wij zijn toen bij elkaar gekomen en toen is door ons de beslissing genomen om faillissement aan te vragen. Met ons bedoel ik: mijn 2 kinderen, [vriend weduwe directeur] en ikzelf. Niemand wist er verder van. (..) [vriend weduwe directeur] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.