BELASTINGKAMER Nr. 02/03335 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid P te Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hierna te melden aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen en een premie-inkomen van ƒ 74.350,-, waarbij een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is verleend van ƒ 5.872,-, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.350,- en een premie-inkomen van ƒ 39.585,-, waarbij een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is verleend van ƒ 5.872,-. 1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,-. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 juni 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 21 april 2004 aangetekend met handtekening retour naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, tijdig heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. 1.4. De Inspecteur heeft ter zitting kopieën overgelegd van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999, van de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1997, van een ambtshalve verleende vermindering van 7 januari 2003 van de onderhavige aanslag en van een notitie met berekeningen van het premie-inkomen, bestaande uit twee pagina's. Van al deze stukken, die het Hof tot de gedingstukken rekent, is een afschrift aan belanghebbende verzonden. 1.5. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding. 1.6. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast. 2.1.1. Belanghebbende, geboren in 1948, woont in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is werkzaam als beroepsmusicus. 2.1.2. Vanaf 1996 verricht hij als zanger werkzaamheden in dienstbetrekking bij het omroepkoor van A te Duitsland. Hij krijgt daar telkens een tijdelijke aanstelling bij A voor maximaal een half jaar. Aldus vermijdt A dat zij hem op basis van het Duitse arbeidsrecht een vaste aanstelling moet aanbieden. In het onderhavige jaar 1999 werkte belanghebbende aldus in Duitsland gedurende de periode 6 januari tot en met 21 april en de periode 23 augustus tot en met 24 november (hierna ook: de Duitse perioden). Dit gebeurde op 5 dagen in de week. Hij verdiende daarmee ƒ 47.167,-. 2.1.3. Over de perioden dat hij niet in Duitsland werkzaam is, ontvangt belanghebbende een Nederlandse werkloosheidsuitkering. In 1999 bedroeg deze uitkering in totaal ƒ 25.870,-. 2.1.4. Belanghebbende verricht tevens werkzaamheden buiten loondienst, zoals hierna omschreven onder 2.1.5 en 2.1.6. Deze werkzaamheden worden verricht in Nederland. 2.1.5. Belanghebbende is dirigent c.q. koorleider van een drietal koren in Nederland. Deze werkzaamheden verricht hij doorlopend, dus ook tijdens de Duitse perioden. De betreffende koren hebben wekelijks een repetitie-avond en gemiddeld eens per maand een uitvoering. De inkomsten die belanghebbende hiermee verdient bedroegen in 1999 ƒ 16.806,-. 2.1.6. In Nederland heeft belanghebbende in 1999 ook nog enkele eenmalige optredens gehad als lid van een ensemble, met name rond het carnaval. Hiermee verdiende hij ƒ 2.035,-. 2.1.7. De fiscaal aftrekbare beroepskosten van belanghebbende bedroegen in 1999 ƒ 8.767,-. 2.1.8. Het belastbare inkomen van belanghebbende over het jaar 1999 bedroeg ƒ 79.404,- (zie hierna onder 2.3.2). De Inspecteur vermeldt weliswaar in de opstelling in zijn brief van 9 december 2004 op pagina acht dat het belastbaar inkomen ƒ 79.406,- bedraagt, doch dit berust kennelijk op een vergissing. Het in die opstelling vermelde bedrag aan inkomsten genoten voor de werkzaamheden als dirigent c.q. koorleider in Nederland is ƒ 16.808,-, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat deze inkomsten ƒ 16.806,- hebben bedragen (zie onder 2.1.5). 2.2.1. De regeling van de aanslagen over de drie voorafgaande jaren is als volgt verlopen. 2.2.2. Over het jaar 1996 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij een bedrag van ƒ 10.592,- aan premie aan hem in rekening is gebracht. Daarbij is geen rekening gehouden met het feit dat hij een deel van zijn inkomsten met werkzaamheden in loondienst in Duitsland had verdiend. Belanghebbende heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur met toepassing van artikel 4, lid 3 van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 (tekst 1999) het premie-inkomen verminderd met het in Duitsland verdiende salaris. Het resterende premie-inkomen bedroeg minder dan de belastingvrije som. De Inspecteur heeft het premiedeel van de aanslagen over 1996 daarom naar aanleiding van het bezwaarschrift teruggebracht naar nihil. De toelichting hierop was summier: de Inspecteur gaf alleen aan dat de aanslag te hoog blijkt te zijn vastgesteld en dat de aanslag als gevolg hiervan is verminderd met ƒ 10.592,-. 2.2.3. Over het jaar 1997 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij geen premie aan hem in rekening is gebracht. Ook in dat jaar was het premie-inkomen na aftrek van het in Duitsland verdiende salaris minder dan de belastingvrije som. 2.2.4. Over het jaar 1998 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij aan hem een bedrag van ƒ 7.780,- aan premie in rekening is gebracht. Het premie-inkomen is daartoe kennelijk berekend onder aftrek van het in Duitsland verdiende salaris. Dat in dit jaar na aftrek van de belastingvrije som wel een positief bedrag resteerde, kwam doordat belanghebbende in 1998 aanzienlijk meer bruto arbeidsinkomsten in Nederland had verdiend (ƒ 47.083,-, inclusief een uitkering van het GAK, tegenover bedragen van ƒ 17.114,- in 1996 en ƒ 17.379,- in 1997). 2.2.5. Belanghebbende heeft tegen de aanslag over het jaar 1998 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat via het GAK voldoende inhoudingen zouden zijn verricht en dat in Duitsland door A reeds meer dan 45% is ingehouden. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur bij uitspraak op het bezwaar de aanslag verminderd met de daarin begrepen premie volksverzekeringen. De motivering daarvan hield slechts in: "De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd met ƒ 7.780,-.". 2.2.6. Deze uitspraak van de Inspecteur berust op een vergissing. De ambtenaar die het bezwaarschrift afhandelde, en die niet deskundig was op het gebied van de premieheffing, heeft zich gebaseerd op het feit dat over de jaren 1996 en 1997 uiteindelijk ook geen premie is geheven. 2.3.1. Over het thans in geding zijnde jaar 1999 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij de maximale premie ad ƒ 14.235,- in rekening is gebracht. Daarbij is kennelijk geen rekening gehouden met het feit dat belanghebbende een deel van zijn inkomsten met werkzaamheden in loondienst in Duitsland had verdiend. Voor de heffing van inkomstenbelasting is hier wel rekening mee gehouden; het belastingdeel van de aanslag is berekend onder toepassing van een "aftrek elders belast" van ƒ 5.872,-. Deze aftrek is toegepast op een bedrag aan belasting ad ƒ 12.106,-, dat gebaseerd is op een belastbaar inkomen van ƒ 74.350,-. Na de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting resteert dan een bedrag aan inkomstenbelasting van ƒ 6.234,-. 2.3.2. Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur van een te laag belastbaar inkomen uitgegaan. Dit is een gevolg van het feit dat belanghebbende de nominale bedragen van zijn Duitse en Nederlandse inkomsten in zijn aangifte bij elkaar had opgeteld zonder de Duitse inkomsten om te rekenen in guldens. Als deze omrekening wel correct had plaatsgevonden, was het belastbare inkomen vastgesteld op het in 2.1.8 genoemde bedrag van ƒ 79.404,-. 2.3.3. Belanghebbende heeft tegen de aanslag over 1999 bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij dezelfde argumenten aangevoerd als in het onder 2.2.5 vermelde bezwaarschrift over 1998. Bij uitspraak op het bezwaar heeft de Inspecteur het premie-inkomen nader vastgesteld op ƒ 39.585,-. Daardoor is de verschuldigde premie, rekening houdend met de belastingvrije som van ƒ 8.799,-, nader vastgesteld op ƒ 9.097,-. 2.3.4. Naar aanleiding van het beroepschrift dat belanghebbende tegen deze uitspraak heeft ingediend, heeft de Inspecteur het premie-inkomen op 7 januari 2003 met toepassing van het arrest Hoge Raad 14 maart 2001, nr. 35 593, BNB 2002/394, ambtshalve nader vastgesteld op een tijdsevenredig deel van het maximum premie-inkomen. Hij is daarbij uitgegaan van 163 dagen verzekeringsplicht in Nederland in dat jaar. Dit leidde tot een premie-inkomen van ƒ 30.612,-. Rekening houdend met de belastingvrije som, is het premiedeel van de aanslag daarom nader vastgesteld op ƒ 6.446,-. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft uiteindelijk uitsluitend het antwoord op de volgende vraag: Heeft de Inspecteur belanghebbende terecht en voor het juiste bedrag aangeslagen in de premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen? Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd: Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, 14 maart 2001, nr. 35 593, BNB 2002/394, heb ik de aanslag op 7 januari 2003 ambtshalve verminderd. Belanghebbende verrichtte de werkzaamheden als dirigent c.q. koorleider in Nederland het gehele jaar door, waarschijnlijk in de avonduren. Gedurende de tijdvakken waarin belanghebbende in 1999 in loondienst werkzaam was in Duitsland, verrichtte hij derhalve tevens werkzaamheden anders dan in loondienst op Nederlands grondgebied. Belanghebbende is in het onderhavige jaar in Duitsland in loondienst geweest van 6 januari tot en met 21 april en van 23 augustus tot en met 24 november. Het is erg lastig om belanghebbendes situatie voor wat betreft de premieheffing volksverzekeringen op een juiste wijze in het computersysteem te brengen. Bovendien dient de tijdsevenredige herleiding van het maximum premie-inkomen handmatig berekend te worden. 3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert eveneens tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden uitspraak, gevolgd door handhaving van het premiedeel van de aanslag, zoals dat bij de ambtshalve verleende vermindering van 7 januari 2005 nader is vastgesteld. Verder concludeert de Inspecteur, naar het Hof verstaat, tot een vermindering van het belastingdeel van de aanslag, in die zin dat het brutobedrag van de aanslag op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 79.404,- wordt vastgesteld op ƒ 14.634,-, en dat ter voorkoming van dubbele belasting een bedrag van ƒ 8.987,- als "aftrek elders belast" wordt afgetrokken, berekend op basis van het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. De conclusie van de Inspecteur impliceert dat een bedrag aan inkomstenbelasting resteert van ƒ 5.647,-. 4. Beoordeling van het geschil Vooraf en ambtshalve Blijkens de ter griffie terugontvangen retourkaart van de onder 1.3 vermelde uitnodiging, is deze postzending op 23 april 2004 op het adres van belanghebbende uitgereikt en aldaar in ontvangst genomen. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op regelmatige wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden. Ten aanzien van het geschil
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.