BELASTINGKAMER Nr. 03/02631 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten
zij haar grief,
het geheel buiten haar schuld ligt,
zowel de aangifte als de belasting te laat hebben plaatsgevonden, laat varen. 3.
- Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, alsmede van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
- Beoordeling van het geschil 4.
- Artikel 67c, lid 1, van de AWR bepaalt: "Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4 537 kan opleggen". 4.
- Ingevolge het bepaalde in § 23, lid 4, van het BBBB legt de inspecteur in geval van een verzuim wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting bij een eerste verzuim geen boete op. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 1 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van €
- Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet tijdig betaalde belasting met een maximum van €
- 4.
- In § 24, aanhef, lid 1 en 2, van het BBBB is het volgende vermeld: "In afwijking in zoverre van paragraaf 23 ziet paragraaf 24 op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.
- Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting (premies volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van €
- In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4537 indien sprake is van 'vrijwillige verbetering' in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.". 4.
- Tussen partijen is niet in geschil,
de aangifte en de betaling van de dividendbelasting te laat hebben plaatsgevonden. In
geval kan de Inspecteur een verzuimboete op grond van artikel 67c van de AWR opleggen. 4.5. Belanghebbende stelt,
de boete ten onrechte is opgelegd en voert hiertoe aan,
in § 23, lid 4, van het BBBB is geregeld,
een eerste verzuim van een niet tijdige betaling van een tijdstipbelasting niet tot een boete leidt, maar slechts tot een mededeling. De Inspecteur stelt zich op het standpunt,
§ 23
van het BBBB uitsluitend ziet op periodiek te doen aangiften, terwijl § 24 van het BBBB van toepassing is op niet periodieke aangiften, zodat - nu sprake is van een vrijwillige verbetering - terecht het vierde lid van § 24 van het BBBB is toegepast. 4.6. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. § 23 van het BBBB ziet op belastingen, die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen. De beperking tot periodiek te doen aangiften, zoals de Inspecteur voorstaat, valt in die bepaling niet te lezen. § 24 van het BBBB ziet op situaties, waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald, omdat er te weinig - in casu geen - belasting is aangegeven. De stelling van de Inspecteur,
§ 24
uitsluitend op niet periodieke aangiften van toepassing is, vindt geen steun in de tekst van die bepaling. In de Toelichting bij § 24 van het BBBB wordt weliswaar vermeld,
§ 24
op situaties ziet, waarin de Inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren,
belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven, doch er valt niet in te lezen,
die bepaling uitsluitend op niet periodieke aangiften van toepassing is. Immers ook bij een periodiek in te dienen aangifte kan sprake zijn van een situatie,
de Inspecteur pas naderhand constateert,
te weinig belasting is betaald, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Nu naar het oordeel van het Hof § 24 van het BBBB op zowel periodieke als niet periodieke aangiften ziet, heeft de Inspecteur hoe dan ook terecht § 24 van het BBBB toegepast. 4.
- Het opleggen van de verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Nu de verweten gedraging - niet tijdig betalen - begaan is, doordat de aangifte niet tijdig is gedaan, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof, gelet op de aard van de in § 24 van het BBBB bedoelde verzuimen, waarvan de Inspecteur in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte kan raken, terecht de verzuimboete opgelegd zonder een verzuimenreeks te hanteren. De vrijwillige verbetering doet hier niet aan af. Het Hof acht de opgelegde boete passend en geboden gelet op de absolute hoogte van het te laat aangegeven en betaalde bedrag van belasting alsmede gelet de hoogte van de boete in verhouding tot het bedrag van de verschuldigde belasting. 4.
- Het Hof is niet gebleken van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in Hoofdstuk VI van het BBBB, die aanleiding kunnen geven tot matiging van de opgelegde boete. Wel ziet het Hof aanleiding de boete te verlagen op grond van het hiernavolgende. 4.
- De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 april 2005, nr. 37 984, VN 2005/22.6, onder 4.3 en 4.5 overwogen,
voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden,
deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien het Hof niet binnen 2 jaar, nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de beboete en/of diens gemachtigde op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld. 4.
- De boete is aangekondigd op 25 maart
- Belanghebbende is tegen die boete in bezwaar gekomen op 11 april
- De Inspecteur heeft op het bezwaar beslist bij de uitspraak van 14 oktober
- Het beroepschrift is bij het Hof ingekomen op 24 november 2003 en een maand later op 23 december 2003 aangevuld. Dit beroepschrift is door het Hof aan de Inspecteur doorgezonden op 14 mei
- Het Hof heeft daarbij echter een verkeerd adres gebruikt, zodat de Inspecteur met een vertraging van anderhalve maand kennis heeft genomen van het beroepschrift. Het Hof heeft daarom de termijn voor het indienen van het verweerschrift met anderhalve maand verlengd tot 14 juli
- Het verweerschrift is bij het Hof ingekomen op 2 augustus 2004, derhalve met een vertraging van 19 dagen, die toe te rekenen is aan de Inspecteur. Het Hof heeft partijen opgeroepen voor de zitting van 1 juni 2005, welke zitting op verzoek van belanghebbende is uitgesteld. Uiteindelijk heeft de zitting van het Hof plaatsgehad op 14 september
- De uitspraak van het Hof wordt gedaan 2 jaar en 8 maanden na de aankondiging van de boete, waarvan ruim 4 maanden toe te rekenen zijn aan belanghebbende. 4.
- Gelet op het onder 4.10 geschetste procesverloop komt het Hof tot de conclusie,
de termijn van 2 jaar genoemd door de Hoge Raad in het arrest 37 984 onder 4.3, is overschreden, nu de onderhavige zaak geen ingewikkelde fiscale problematiek behelst en de overschrijding voor slechts ruim 4 maanden toe te rekenen is aan belanghebbende. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn vermindert het Hof de boete met 10%,
is met € 454,=, tot € 4.083,=. 4.
- Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen moet worden beslist als hierna vermeld.
- Griffierecht Het Hof is van oordeel,
er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten,
aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
- Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
- Beslissing Het Hof: - verklaart het beroep ongegrond, - vernietigt de uitspraak alsmede de boetebeschikking, en - vermindert de boete tot een bedrag van € 4.083,=. Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 22 november 2005 Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 november 2005 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.