Parketnummer: 20-007942-05 Uitspraak : 27 februari 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 november 2004 in de strafzaak met parketnummer 03-008176-04 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [adres]. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en de verdachte terzake zal veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met twee jaar proeftijd, met toewijzing van vorderingen van benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen een en ander als vermeld in haar op schrift gestelde requisitoir. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging Namens de verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, op de grond dat de vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Hiertoe is gesteld dat A. aan de onderhavige wegblokkade ca. 90 personen hebben deelgenomen, van wie er slechts negen worden vervolgd; B. in andere gevallen van het veroorzaken van een file geen strafvervolging is ingesteld. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Ad A Uitgangspunt is dat op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering het Openbaar Ministerie beslist over het instellen van strafvervolging. De beslissing omtrent vervolging kan door de rechter worden getoetst aan de wet, aan verdragen en aan ongeschreven rechtsregels, waarbij de rechter de ruime beslissingsvrijheid van het openbaar ministerie moet respecteren. Het niet opsporen en vervolgen van sommige verdachten en het wel opsporen en vervolgen van andere bij hetzelfde incident betrokken personen leidt op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dat kan anders zijn indien het Openbaar Ministerie naar willekeur de ene verdachte wel en de andere niet opspoort of vervolgt, hoewel deze verdachten in een sterk vergelijkbare positie verkeren. Het enkele feit dat in het onderhavige geval de politie aan de hand van foto's of beeldopnamen dan wel na andersoortig onderzoek meer personen dan uiteindelijk zijn aangehouden, had kunnen identificeren, maakt niet dat sprake is van willekeur, nu de enkele aanwezigheid op de bewuste kruising onvoldoende bewijs oplevert voor het medeplegen van het versperren van die kruising. De politie kon zich naar het oordeel van het hof in haar opsporingsactiviteiten redelijkerwijs beperken tot die geïdentificeerde personen ten aanzien van wie sprake was van aanwijzingen dat zij een grotere betrokkenheid hadden bij het versperren van de kruising dan de enkele aanwezigheid aldaar op het bewuste moment. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie blijkens zijn requisitoir op grond van een inhoudelijke beoordeling van het bewijs tegen de als verdachte aangemerkte personen beslist om wel of niet tot vervolging over te gaan. Niet aannemelijk is geworden dat de officier van justitie om andere dan bewijstechnische redenen geen vervolging heeft ingesteld dan wel dat de politie op oneigenlijke gronden geen verdergaande opsporingshandelingen heeft verricht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het verbod van willekeur wordt derhalve verworpen. Ad B Het enkele feit dat er gevallen zijn die met de onderhavige zaak overeenkomst vertonen maar die niet tot een vervolging hebben geleid, brengt niet mee dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging in de onderhavige zaak. Ook indien in die andere gevallen strafvervolging ten onrechte achterwege is gebleven, doet dit niet af aan het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak. Dit kan anders zijn indien het Openbaar Ministerie naar willekeur of op oneigenlijke gronden in de ene zaak wel en in de andere geen strafvervolging instelt, maar daarvan is naar het oordeel van het hof niet gebleken. De beslissing tot vervolging in de onderhavige zaak is op zijn eigen (strafrechtelijke) merites genomen. Niet aannemelijk is geworden dat oneigenlijke motieven bij deze beslissing een rol hebben gespeeld. Derhalve wordt ook in dit verband het beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het verbod van willekeur verworpen. Voorts heeft de raadsman van de verdachte gepleit voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op grond dat de politie en het Openbaar Ministerie te voren ervan op de hoogte waren dat de "Geusseltkruising" op 14 april 2004 mogelijkerwijs zou worden geblokkeerd en desondanks niet tijdig actie hebben ondernomen om de blokkade te verhinderen. Ook dit verweer wordt verworpen, nu de blokkade niet door de gestelde nalatigheid van de politie of van het Openbaar Ministerie is veroorzaakt, maar door het handelen van de verdachte (en zijn mededaders). Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 april 2004 in de gemeente Maastricht, tezamen in vereniging met anderen, opzettelijk de kruising van de openbare landwegen de A2, de Terblijterweg, de President Rooseveltlaan en de Viaductweg heeft versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt het hof nader als volgt. (De paginanummers verwijzen naar het doorgenummerde proces-verbaal van politie.) Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. Op de avond van 13 april 2004 hebben bewoners van woonwagencentrum [naam] tijdens een bijeenkomst in hun clubhuis besloten om uit protest tegen het beleid van de burgemeester van Maastricht in de vroege ochtend van 14 april 2004 gedurende de ochtendspits een blokkade op te werpen op de "Geusseltkruising" te Maastricht. Voor die kruising is bewust gekozen om zodoende zoveel mogelijk hinder en overlast voor het verkeer te veroorzaken. Die ochtend is in dichte mist daadwerkelijk tot versperring van de kruising overgegaan. De kruising werd versperd door onder meer huisvuil, autobanden, diverse voertuigen en een groot aantal mensen, onder wie bewoners van [woonwagencentrum voornoemd]. De blokkade heeft er, mede door de dichte mist, toe geleid dat er gevaar voor de veiligheid van het verkeer is ontstaan. Bij aankomst van de mobiele eenheid omstreeks 10.30 uur hebben de actievoerders het kruispunt verlaten. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte zich geruime tijd temidden van de actievoerders op het kruisingsvlak heeft opgehouden. Blijkens het relaas van [verbalisant 1] die omstreeks 6.40 uur ter plaatse was, was de verdachte kort na de aankomst van [verbalisant 1] op de kruising aanwezig (p. 10 en 11). Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij van het begin tot het einde is gebleven. Dat de verdachte slechts als een nieuwsgierige toeschouwer op het kruisingsvlak heeft rondgelopen, zoals door de verdediging is aangevoerd, acht het hof ongeloofwaardig. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen het relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op pagina 13 van het proces-verbaal: "[verdachte] mengde zich regelmatig in de gesprekken die wij met demonstranten voerden. Tijdens de gesprekken deed [verdachte] regelmatig uitspraken dat zij niet voornemens waren om te vertrekken en dat ze zelf bepaalden hoelang de demonstratie gehandhaafd zou blijven. Hij verwees regelmatig naar de schuld van [burgemeester]. Ook riep [verdachte] dat, of [burgemeester] naar de kruising kon komen om te praten, of naar het [woonwagencentrum voornoemd] moest komen. [verdachte] vertelde tevens dat deze actie pas het begin was en dat de bewoners van [woonwagencentrum voornoemd] nog andere acties in petto hadden die grimmiger zouden zijn. Halverwege de actie stelden wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3], aan de demonstranten voor om 3 woordvoerders, waaronder [medeverdachte 1] en [verdachte], aan de rand van de kruising apart te spreken, waardoor er beter overlegd zou kunnen worden. [verdachte] wilde dit niet en zei onder meer dat het niet kon om 2 of 3 man uit de groep te halen. Hij zei hierbij onder meer dat de kampbewoners één waren en samen beslisten. Er zou niemand uit de groep gaan." Dat er in dat proces-verbaal sprake zou zijn van een persoonsverwisseling acht het hof niet aannemelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zijn aanwezigheid op de "Geusseltkruising" onder voornoemde omstandigheden zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het versperren van die kruising. Dat de verdachte op enig moment tevens op een deëscalerende wijze is opgetreden (het aanmanen van actievoerders om te stoppen met het gooien van glaswerk, p.11) maakt het voorgaande niet anders. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 162, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van dat wetboek. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straffen Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Met de rechtbank rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij tezamen met anderen de "Geusseltkruising" heeft versperd. Er is bewust door de actievoerders gekozen voor voornoemde kruising en voor het tijdstip tijdens de ochtendspits, omdat dan de meeste overlast en schade zou ontstaan. Bovendien was de actie onaangekondigd en is deze ondanks de mist en het gevaar voor de verkeersveiligheid toch doorgezet. Ook was de actie van lange duur. Gevolg van deze actie, die bedoeld was om uiting te geven aan het ongenoegen over het beleid van de gemeente, is dat buitenstaanders de dupe zijn geworden en er een enorme maatschappelijke schade is ontstaan. Op zichzelf genomen acht het hof, gelet op het vorenstaande, oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gerechtvaardigd. Evenwel vindt het hof in de omstandigheid dat de actie geweldloos is verlopen en de actievoerders het niet op een confrontatie met de mobiele eenheid hebben laten aan komen, alsmede in het feit dat de verdachte niet eerder veroordeeld is, aanleiding hier van af te zien. Het hof acht oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden. Met oplegging daarnaast van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Schadevergoeding De verschillende benadeelde partijen worden hierna in alfabetische volgorde genoemd. Behalve de verdachte worden acht andere personen vervolgd terzake van hetzelfde feit. Niet in alle (negen) zaken zijn alle vorderingen van de benadeelde partijen aan de orde, maar om redenen van overzichtelijkheid worden hier alle benadeelde partijen besproken. Naam toegewezen opnieuw gevoegd Rechtbank (EUR) in hoger beroep (EUR) [benadeelde partij 1] BV 528 528 [benadeelde partij 2] NV 6495 - [benadeelde partij 3] BV 1 373,7 5 373,75 [benadeelde partij 4] BV 560 - [benadeelde partij 5] 420 - [benadeelde partij 6] BV 360 - [benadeelde partij 7] 361,562 2 361,56 [benadeelde partij 8] BV 326,403 3 - [benadeelde partij 9] BV 1980 4 - [benadeelde partij 10] BV 240 240 [benadeelde partij 11] BV - 1600 [benadeelde partij 12] BV 210 375,605 5 [benadeelde partij 13] 2500 - Gemeente Maastricht - 5086,096 6 [benadeelde partij 14] BV 52,50 52,50 [benadeelde partij 15] - - [benadeelde partij 16] 250 250 [benadeelde partij 17] BV 552 - [benadeelde partij 18] 100 100 [benadeelde partij 19] BV 653,25 841,50 [benadeelde partij 20] BV 1260 - [benadeelde partij 21] 1000 1000 [benadeelde partij 22] 202,50 202,50 [benadeelde partij 23] - - [benadeelde partij 24] BV 225 - [benadeelde partij 25] NV - 7383,44 [benadeelde partij 26] BV 337,50 - [benadeelde partij 27] BV 57,08 600 1 Uitsluitend gevoegd inzake [medeverdachte 2] (20-010086-05). 2 Geen beslissing door de rechtbank op deze vordering inzake [medeverdachte 3] (20-007943-05), [medeverdachte 4] (20-007944-05 en [medeverdachte 5] (20-007945-05). 3 Idem als noot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.