typ. NJ rolnr. C0400430/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, tweede kamer, van 31 januari 2006, gewezen in de zaak van: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE SUB 1], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE SUB 2], beide gevestigd en kantoorhoudende te [plaats], appellanten, procureur: mr. K.W.H. Albert, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE GOIRLE, zetelende te Goirle, geïntimeerde, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, op het bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2004 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda onder rolno. 95923 / HA ZA 01-883 gewezen vonnis van 19 november 2003 tussen appellanten - hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant] - als eiseressen en geïntimeerde - hierna: de Gemeente - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties 19 grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van haar vorderingen. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Gemeente onder overlegging van producties de grieven bestreden. 2.3. Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellant] door haar procureur en de Gemeente door mr. F.J.G.M. de Hommel. De procureur van [appellant] heeft gepleit aan de hand van de overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben daarbij tevens bij akte producties in het geding gebracht. 2.4. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd, die na enkele aanhoudingen is bepaald op heden. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. In overweging 3.1 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De partijen hebben niet aangevoerd dat deze overweging onjuist is. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt. 4.2. In haar eerste grief heeft [appellant] wel aangevoerd dat de rechtbank de feiten onvolledig heeft weergegeven. Voor zover [appellant] zich terecht beroept op niet of onvoldoende betwiste feiten, zal het hof daarmee rekening houden indien die feiten van belang zijn voor de beoordeling van het geschil. 4.3. Het hof neemt de door de rechtbank vastgestelde feiten over en acht die hier herhaald en ingelast. Kort en samenvattend weergegeven gaat het in dit hoger beroep om het volgende. 4.3.1. [appellant] is rechtsopvolgster van een aantal besloten vennootschappen. [appellant] en haar rechtsvoorgangsters hielden en houden zich onder meer bezig met het opslaan, sorteren en bewerken van bouw- en sloopafval en met het leveren en verwerken van zand. 4.3.2. Sinds het begin van de jaren '80 is [appellant] in overleg met de Gemeente over een vestigingsplaats voor haar afvalstoffeninrichting. Voorheen was dit deel van de onderneming van [appellant] gevestigd te Hilvarenbeek. In 1983 heeft [appellant] van de Gemeente een terrein aan [adres] te Goirle gekocht. Sindsdien is dit deel van de onderneming van [appellant] daar gevestigd. Nadien is het overleg tussen partijen over uitbreiding van de afvalstoffeninrichting voortgezet. 4.3.3. Vanaf maart 1987 is [appellant] met de Gemeente in overleg over een zandwinningplaats in Goirle. Aanvankelijk is gesproken over een locatie nabij het Alphense Baantje. Vanaf 1988 is gesproken over de locatie van de crossbaan bij de Regte Heide. In opdracht van [appellant] heeft Ingenieursbureau Witteveen en Bos in 1989 een haalbaarheidsstudie daartoe gedaan. Op 18 augustus 1995 heeft Witteveen en Bos namens [appellant] het rapport 'Zandwinning nabij het natuurgebied Regte Heide' uitgebracht. 4.3.4. Partijen hebben een intentieovereenkomst, gedateerd 18 april 1996 gesloten, waarin op voorstel van de Gemeente een koppeling is aangebracht zoals de Gemeente die in haar brief van 4 april 1996 aan de Provincie had verwoord. De intentieovereenkomst luidt onder meer als volgt: in aanmerking nemende: (...) dat partijen zich ten doel stellen met elkaar of onderling een of meerdere samenwerkingsovereenkomsten aan te gaan zodra voldoende zekerheid is verkregen over de mogelijkheden tot verplaatsing en de verwervingen welke daarmee samenhangen en bekend is welke bijdrage nodig is en beschikbaar kan komen om de uitvoering veilig te stellen; dat de ondergetekenden zich zullen inspannen om de in de vorige alinea genoemde activiteiten, voor zover dat in hun besluitvormend vermogen ligt, te bevorderen. Kennisnemend: van de samenhang als aangegeven in het besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle d.d. 3 oktober 1995, luidend als volgt: 1. Mede gezien het standpunt van G.S. kan in principe medewerking worden verleend aan de zandwinning tussen het Rielse Kwadrant en de Regte Heide conform het rapport van Witteveen en Bos d.d. 18 augustus 1995. Eindbestemming dient te passen in natuurontwikkeling. 2. Manege [naam] dient in het belang van de verkeersveiligheid van de [locatie] verplaatst te worden naar het [locatie] als minst kwetsbare locatie. 3a.De doelstelling is sanering van de [locatie] om dit onderdeel van natuurontwikkeling te maken. 3b.Er wordt niet langer meegewerkt aan de uitbreiding van de afvalstoffeninrichting aan [locatie] ([appellant]). 3c.Het gildeterrein en de gemeentelijke opslag dienen eveneens te verdwijnen (bestemmingsplanwijziging). 4. De afvalstoffeninrichting dient verplaatst te worden naar [(locatie huidige manege)]. Verklaren: A. Dat partijen in overleg de juiste omvang en ligging zullen bepalen waar de zandwinning zal plaatsvinden, waarvoor [appellant] bij de provincie een ontgrondingsvergunning zal aanvragen en dat bij dat overleg de meest betrokken instellingen inzake landschap en milieu worden betrokken. B. Dat de gemeente en [appellant] omtrent de noodzakelijke grondverwerving voor de ontgronding met elkaar zullen overleggen om tot een zo optimaal mogelijke afstemming te komen ten voordele van beide partijen. (...) Voorbehoud: A. Zijdens de Gemeente Goirle: dat instemming wordt verkregen van de gemeenteraad en/ of hogere overheden, blijkende uit besluitvorming ter zake. (...) Deze intentieovereenkomst zal op 31 december 1999 vervallen, indien een van de partijen op die datum of daarna te kennen geeft onvoldoende zekerheid aanwezig te achten om het project verder in ontwikkeling en/of uitvoering te nemen. 4.3.5. In de vergadering van de gemeenteraad van Goirle van 10 februari 1998 heeft de raad geweigerd in te stemmen met de intentieovereenkomst. Het overleg tussen [appellant] en de Gemeente is ook nadien doorgegaan, maar heeft niet tot resultaten geleid. 4.3.6. In eerste aanleg heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, en een veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van de daardoor door [appellant] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 4.3.7. Na door de Gemeente gevoerd verweer heeft de rechtbank in het thans bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van de Gemeente. 4.4. Bij memorie van grieven heeft [appellant] haar eis gewijzigd. [appellant] vordert thans het bestreden vonnis te vernietigen en voor recht te verklaren dat de Gemeente in de precontractuele fase onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en tijdens de contractuele fase toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de gesloten intentieovereenkomst, althans daardoor onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en daarnaast meerdere keren onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, zoals in grief II omschreven, waardoor [appellant] schade heeft geleden, met veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over de geleden schade met ingang van de dagvaarding in eerste aanleg [17 april 2001], en met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alles zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. intentieovereenkomst 4.5.1. In grief III klaagt [appellant] er onder meer over dat de rechtbank in r.o. 3.7. een verkeerde maatstaf voor de beoordeling van de door [appellant] aan de Gemeente verweten gedragingen heeft aangelegd. 4.5.2. De rechtbank heeft het handelen van de Gemeente getoetst aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en in het bijzonder heeft zij getoetst of de Gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarmee heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof een juiste maatstaf gehanteerd. Bij de toetsing aan deze maatstaf kon de rechtbank relevante omstandigheden, zoals opgesomd in r.o. 3.7. in ogenschouw nemen zodat dit onderdeel van de grief faalt. Voor de verdere behandeling van de grief verwijst het hof naar r.o. 4.9. 4.6.1. In grief XI klaagt [appellant] erover dat de rechtbank in r.o. 3.16. haar stelling heeft verworpen dat de Gemeente met de intentieovereenkomst een onvoorwaardelijke toezegging tot het te behalen resultaat zou hebben gedaan. 4.6.2. Deze grief faalt omdat het oordeel van de rechtbank juist is. Voor zover [appellant] in haar toelichting op deze grief erover klaagt dat de Gemeente zich onvoldoende heeft ingespannen om de doelen van de intentieovereenkomst te verwezenlijken, komt dit bij de behandeling van de volgende grieven aan de orde. 4.7.1. In grief VIII klaagt [appellant] over r.o. 3.13. waarin de rechtbank als vaststaand aanneemt dat [eigenaar manege] heeft geweigerd zijn manege te verplaatsen en dat alleen al om die reden de verplaatsing van de afvalstoffeninrichting van [appellant] niet door kon gaan. De grieven IX en X hebben deels eveneens betrekking op het verwijt van [appellant] dat de Gemeente zich onvoldoende heeft ingespannen om met [eigenaar manege] tot een overeenkomst te geraken, waarbij [appellant] de Gemeente tevens verwijt niet tot onteigening van het perceel van [eigenaar manege] te zijn overgegaan terwijl de Gemeente bij [appellant] wel de gerechtvaardigde verwachting daartoe had gewekt. Uit de toelichting op deze grieven en uit grief XI volgt dat de klacht in twee onderdelen uiteen valt. 4.7.2. Het eerste onderdeel betreft de stelling van [appellant] dat zonder verplaatsing van de manege er nog voldoende basis was tot uitvoering van de overige afspraken van de intentieovereenkomst. 4.7.3. Dit onderdeel faalt. Tussen partijen staat vast dat bij het sluiten van de intentieovereenkomst als uitgangspunt heeft gediend de koppeling die door de gemeente is aangebracht tussen de uitvoering van de diverse in die overeenkomst genoemde onderdelen. Zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de intentieovereenkomst zou verplichten tot de uitvoering van afzonderlijke onderdelen op het moment dat blijkt dat de voorgenomen koppeling niet meer te handhaven valt. [appellant] betoogt voorts dat partijen dienden terug te keren naar hun vroegere uitgangspunten nadat gebleken was dat de koppeling niet viel te handhaven. Deze stelling zal in r.o. 4.10. worden behandeld. 4.7.4. In het tweede onderdeel klaagt [appellant] erover dat de Gemeente zich onvoldoende heeft ingespannen om de manege [naam] te verplaatsen en dat zij niet alle haar ter beschikking staande mogelijkheden heeft benut. [appellant] onderbouwt deze klacht enerzijds met de stelling dat de Gemeente onvoldoende onderhandelingsinspanningen heeft verricht en niet alle onderhandelingsruimte tussen haar en [eigenaar manege] heeft benut. Anderzijds beroept [appellant] zich erop dat de Gemeente bij haar de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat de Gemeente zonodig zou overgaan tot onteigening van de manege van [eigenaar manege] en tot opzegging van de met deze gesloten pachtovereenkomst met betrekking tot gronden gelegen binnen het beoogde zandwinningsgebied. 4.7.5. Naar het oordeel van het hof komt uit de processtukken onvoldoende onderbouwing naar voren voor de stelling van [appellant] dat de Gemeente niet alle onderhandelingsruimte met [eigenaar manege] zou hebben benut. [appellant] stelt wel dat de Gemeente in gebreke is gebleven met het doen van een tegenvoorstel toen de door [eigenaar manege] voorgestelde locatie op de hoek van de [locatie] voor haar onbespreekbaar was. [appellant] laat echter na onderbouwde en levensvatbare suggesties te doen met betrekking tot plaatsen waar de manege dan naar toe verplaatst zou kunnen worden en waarvan aangenomen kan worden dat [eigenaar manege] met een dergelijk voorstel zou instemmen. Verder levert het enkele feit dat het per 1 januari 1997 aangetreden nieuwe college van B&W op 25 februari 1997 aan [appellant] de wens te kennen heeft gegeven om de intentieovereenkomst te ontbinden nog geen onderbouwing op voor de stelling dat de Gemeente zich in een te geringe mate heeft ingespannen. 4.7.6. Het hof overweegt dat [appellant] haar gestelde gerechtvaardigde verwachting dat de gemeente zonodig tot onteigening zou overgaan met name of alleen baseert op uitlatingen van [naam], die indertijd wethouder van de Gemeente was. [appellant] verwijst daartoe naar een gespreksverslag van de bespreking van 15 maart 1996 (productie C007) tussen onder meer [appellant] en wethouder [naam]. Daarin staat onder meer: Na het gesprek met de gedeputeerde wil de wethouder een gesprek met [eigenaar manege]. Hij zal dan de stand van zaken doorgeven en aangeven welke lokatie voor de gemeente bespreekbaar is. Verder zal hij meedelen dat het bestemmingsplan zal worden gewijzigd en indien nodig de onteigeningsprocedure gestart. Hiermee zal de druk op [eigenaar manege] worden vergroot en zal hij wellicht bereid zijn om positief mee te denken. 4.7.7. Het hiervoor weergegeven citaat levert naar het oordeel van het hof een ontoereikende onderbouwing voor de stelling van [appellant] op. Het geeft enkel weer dat de wethouder zal proberen [eigenaar manege] onder druk te zetten, waarbij hij een dreiging met onteigening niet zal schuwen. Een toezegging aan [appellant] dat de Gemeente daadwerkelijk zal trachten het perceel van [eigenaar manege] te onteigenen is er niet in te lezen. Ook het beroep van [appellant] op de bij memorie van grieven (prod. 12) overgelegde verklaring van [ex-wethouder] van 13 mei 2004 waarin deze onder meer schrijft: 'Het college van B&W was vastbesloten zonodig tot onteigening van [eigenaar manege] over te gaan teneinde het verplaatsingsplan te realiseren. Dat is - als beleidsvoornemen - ook duidelijk kenbaar gemaakt aan [appellant]' levert die onderbouwing niet op. Enerzijds is deze enkele opmerking, die niet ondersteund wordt door een verdere onderbouwing in de overgelegde stukken, te mager om een voldoende onderbouwde stelling op te leveren, terwijl anderzijds met deze stelling eraan voorbij wordt gegaan dat ook [eigenaar manege] enig terrein ter beschikking zou moeten krijgen om zijn manege naar te verplaatsen. Vaststaat dat daarover geen overeenstemming met [eigenaar manege] was bereikt terwijl het hof - als overwogen - evenmin van oordeel is dat de gemeente zich onvoldoende heeft ingespannen om die overeenstemming te bereiken. Bovendien ontbreekt iedere aanwijzing dat de gestelde onteigening haalbaar was, temeer nu [appellant] niet, dan wel onvoldoende, is ingegaan op de te volgen procedures en bijvoorbeeld op de vraag of aan [eigenaar manege] niet de bescherming op grond van op het bestemmingsplan betrekking hebbende overgangsrechtelijke bepalingen zou toekomen. Dit onderdeel faalt derhalve. Het aanbod om de heer [eigenaar manege] als getuige te horen, wordt verworpen nu uit het voorgaande volgt dat dit niet tot de beslissing van de zaak kan bijdragen. 4.7.8. Gelet op de koppeling van de diverse onderdelen in de intentieovereenkomst zou de enkele opzegging van de pachtovereenkomst niet tot een ander resultaat dan het voorgaande hebben kunnen leiden. De stelling van [appellant] dat de Gemeente bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij die pachtovereenkomst zou opzeggen, hoeft op deze plaats dan ook geen verdere bespreking. Bij de aparte bespreking van de zandwinning zal het hof daarop zonodig terugkomen. 4.7.9. Voorts klaagt [appellant] in grief IX erover dat de rechtbank heeft overwogen dat de Gemeente op grond van de intentieovereenkomst niet verplicht was om [appellant] toe te laten zelf met [eigenaar manege] te onderhandelen, terwijl het [appellant] overigens vrijstond om zonder toestemming van de Gemeente met [eigenaar manege] te gaan onderhandelen. 4.7.10. Bij deze klacht heeft [appellant] reeds geen belang nu zij zelf aangeeft dat zij vanuit tactisch oogpunt de Gemeente vanzelfsprekend niet voor de voeten wilde lopen en wilde voorkomen dat niet goed gecoördineerde onderhandelingsstappen averechts zouden werken. Uit deze toelichting valt geen verwijt in de richting van de gemeente te destilleren zodat de rechtbank terecht heeft overwogen zoals zij heeft overwogen. 4.7.11. In grief X tenslotte klaagt [appellant] er nog over dat de Gemeente pas met [eigenaar manege] is gaan onderhandelen op het moment dat zij zelf al de wens tot beëindiging van de intentieovereenkomst had uitgesproken. 4.7.12. Deze grief ontbeert feitelijke grondslag nu [appellant] in de toelichting op haar elfde grief zich beroept op de verklaring van ex-wethouder [naam] (mvg prod 12.) dat hij reeds vóór het sluiten van de intentieovereenkomst verschillende gesprekken met [eigenaar manege] en diens adviseur had gevoerd. 4.7.13. Uit het voorgaande volgt dat de grieven VIII, IX en X falen. 4.8. Ook grief XIII, waarin [appellant] de Gemeente verwijt niet vóór het sluiten van de overeenkomst te hebben onderzocht of verplaatsing van de manege tot de mogelijkheden behoorde, moet dit lot delen. Enerzijds is deze stelling immers in strijd met de hiervoor in r.o. 4.7.12. reeds vermelde verklaring van ex-wethouder [naam] (mvg prod 12). Anderzijds valt ook zonder de verklaring van [ex-wethouder] niet in te zien dat het achterwege laten van het door [appellant] bedoelde onderzoek aan de Gemeente als een onrechtmatige gedraging valt te verwijten. De enkele omstandigheid dat partijen al geruime tijd met elkaar in overleg waren, maakt dat niet anders omdat bij de intentieovereenkomst partijen juist de verplichting op zich hebben genomen zich naar behoren in te spannen voor het bereiken van de in die overeenkomst genoemde activiteiten. 4.9.1. Het hof begrijpt dat [appellant] in grief III (naast het reeds in r.o. 4.5. behandelde) er tevens over klaagt dat de gemeente ten onrechte niet schadeplichtig is geoordeeld voor de wijze waarop zij de intentieovereenkomst heeft beëindigd. Ook de vierde grief stelt dit aan de orde. 4.9.2. Het hof stelt voorop dat partijen zich bij de intentieovereenkomst over en weer hebben verplicht zich te zullen inspannen om de in de intentieovereenkomst genoemde activiteiten, voor zover dat in hun besluitvormend vermogen ligt, te bevorderen. Hieruit volgt een inspanningsverbintenis. In r.o. 4.7. heeft het hof reeds de grieven verworpen, die betrekking hadden op de gestelde onvoldoende inspanning door de Gemeente. 4.9.3. Voor zover de grieven betrekking hebben op de beëindiging van de intentieovereenkomst falen ze eveneens. Vaststaat immers dat voor de gemeente bij het sluiten van de intentieovereenkomst als uitgangspunt heeft gediend de door haar gewenste koppeling van de in die overeenkomst genoemde activiteiten. Toen de verplaatsing van de manege niet te realiseren bleek, verviel daarmee voor de gemeente voornoemd uitgangspunt. 4.9.4. Daarnaast had de gemeente bij het sluiten van de overeenkomst het voorbehoud van toestemming van de gemeenteraad gemaakt. In zijn vergadering van 10 februari 1998 heeft de raad zijn toestemming aan de overeenkomst onthouden. Uit het van die vergadering overgelegde verslag blijkt niet dat B&W de raad onjuist heeft voorgelicht of een negatief stemadvies heeft gegeven. De Gemeente heeft onbetwist gesteld dat al haar wethouders vóór de goedkeuring van de intentieovereenkomst hebben gestemd. Het door [appellant] aan B&W (en dus aan de Gemeente) terzake de verwerping door de raad gemaakte verwijt, is derhalve ongegrond. 4.9.5. Dit brengt met zich dat grief III en IV falen. 4.10.1. In de grieven V, VI, VII en XIX bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat de stellingen van [appellant] met betrekking tot aan de Gemeente vóór het sluiten van de intentieovereenkomst verweten onrechtmatige gedragingen gepasseerd worden nu [appellant] volgens de rechtbank haar vorderingen met name baseert op de niet-nakoming door de Gemeente van haar verplichtingen uit de intentieovereenkomst. 4.10.2. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven slagen. Gesteld noch gebleken is dat bij het sluiten van de intentieovereenkomst de Gemeente is teruggekomen op eventuele toezeggingen, die zij in de periode vóór de totstandkoming van de intentieovereenkomst heeft gedaan, noch dat [appellant] afstand zou hebben gedaan van eventuele door haar voordien verkregen rechten. Ook de tekst van de intentieovereenkomst biedt geen aanknopingspunt voor deze conclusie. Daarentegen heeft de Gemeente niet bestreden dat [appellant] in haar reactie op de door de Gemeente voorgestelde koppeling bij brief van 12 oktober 1995 (prod. B039/C002) aan de gemeente onder meer heeft meegedeeld: (...) Vanzelfsprekend dient daarbij vast te staan, dat bestaande rechten en belangen van ons bedrijf gerespecteerd blijven: - De zandwinning bij de Regte Heide kan nooit afhankelijk worden gesteld van het al dan niet door kunnen gaan van de verplaatsing van de manege "De Heideruiters"(...)'. Weliswaar heeft de Gemeente aangevoerd dit voorbehoud niet te hebben geaccepteerd, maar dat staat er niet aan in de weg dat [appellant] aldus geen afstand heeft gedaan van eerder verkregen rechten op grond van door de Gemeente gedane toezeggingen of gerechtvaardigd bij [appellant] opgewekte verwachtingen. 4.10.3. Hieruit volgt dat de Gemeente ook jegens [appellant] aansprakelijk kan zijn voor zover zij los van de intentieovereenkomst aan [appellant] toezeggingen heeft gedaan of gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt die zij ten onrechte niet is nagekomen of heeft gehonoreerd en waardoor schade is veroorzaakt. Aan de hand van de nog te bespreken grieven zal het hof nagaan of daarvan sprake is. 4.11.1. In dat kader komt tevens grief II aan de orde, waarin [appellant] de rechtbank verwijt een te beperkte weergave van de grondslagen van haar vordering te hebben gegeven. [appellant] onderbouwt die grief door te wijzen op een zestal omstandigheden. Deze zullen in het navolgende behandeld worden. 4.11.2. Als eerste wijst [appellant] erop dat de Gemeente haar pas bij brief van 6 oktober 1995 ervan in kennis heeft gesteld dat zij de afvalstoffeninrichting van [appellant] wilde verplaatsen naar het terrein van de manege. [appellant] voert aan dat de Gemeente het besluit daartoe reeds in de zomer van 1994 heeft genomen en op 21 september 1994 met de provincie heeft besproken. Desondanks heeft de Gemeente op 23 september 1994 aan [appellant] voorgesteld een milieuaspectenstudie voor de terreinuitbreiding van de afvalstoffeninrichting [locatie] te laten uitvoeren (rapport Witteveen en Bos van 2 augustus 1995; prod. A044b). Hieruit blijkt, aldus [appellant], dat de gemeente haar aan het lijntje heeft gehouden en onnodig dure onderzoeken heeft laten uitvoeren. 4.11.3. De gemeente heeft de stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist. Onder verwijzing naar het daarvan overgelegde verslag (conclusie van dupliek prod 1.) heeft zij aangevoerd dat het bewuste gesprek met de provincie pas op 21 september 1995 heeft plaatsgevonden. Nu [appellant] niet op deze gemotiveerde betwisting is ingegaan heeft zij het gestelde verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat het faalt. 4.11.4. [appellant] noemt als tweede onrechtmatige gedraging de ommezwaai van de Gemeente van 6 oktober 1995 (de koppeling) omdat daarmee voorbij werd gegaan aan de bij [appellant] gewekte gerechtvaardigde verwachtingen dat zij aan de [locatie] mocht uitbreiden en ook tot zandwinning mocht overgaan. 4.11.5. Het hof is van oordeel dat de ommezwaai jegens [appellant] niet onrechtmatig was. De Gemeente heeft op grond van gewijzigd inzicht een andere beleidslijn willen volgen, waarmee [appellant] bovendien, zij het onder voorbehoud, heeft ingestemd. Daarenboven heeft [appellant] bij het sluiten van de intentieovereenkomst niet zijn eventuele rechten uit toezeggingen of gerechtvaardigde verwachtingen verloren (zie hiervoor r.o. 4.10.3). 4.11.6. Als derde factor noemt [appellant] het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.