typ. MdL rolnr. C0401410/MA ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, eerste kamer, van 14 maart 2006, gewezen in de zaak van: MR. RAYMOND JOZEF HUBERTUS VLECKEN Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator van KO-VE BOUW B.V., wonende te Heerlen, appellant bij exploot van dagvaarding van 5 oktober 2004, procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw, tegen: de vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN [LOCATIE], gevestigd te Eygelshoven, gemeente Kerkrade, geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 21 juli 2004 tussen appellant - de curator - als eiser en geïntimeerde - de VVE - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 86229/HA ZA 03-818) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft de curator grieven aangevoerd, zijn eis gewijzigd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, primair tot veroordeling van de VVE tot betaling van E. 46.339,60 met rente, subsidiair tot veroordeling van de VVE tot betaling van het bedrag dat zij niet mag opschorten met rente, alles met veroordeling van de VVE in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft de VVE, onder overlegging van producties, de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, de curator door mr. W.C.G.J. Sterk en de VVE door mr. G.M.J. Diederen. Mr. Sterk heeft gepleit aan de hand van een - door hem overgelegde - pleitnota. 2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak, kort samengevat en voorzover in hoger beroep van belang, om het volgende. 4.1.1. Op 15 februari 2001 is tussen Ko-Ve Bouw B.V. (hierna: Ko-Ve) en de VVE een aannemingsovereenkomst gesloten terzake de afbouw van het appartementencomplex aan de [locatie] voor een bedrag van f 650.000,-- excl. BTW. De overeengekomen opleveringsdatum was 15 mei 2001. 4.1.2. Op 12 juni 2001 is tussen Ko-Ve en de VVE een overeenkomst gesloten, waarin staat opgenomen: "Facturen te betalen door Vereniging van Eigenaren [locatie] [onderaannemer 1] (..) fl. 51.389,00 [onderaannemer 2] (..) fl. 12.925,00 fl. 6.500,00 fl. 1.950,00 [onderaannemer 3] (..) fl. 8.500,00 fl. 855,04 Bankopname fl. 20.000,00 Totaal fl.102.119,04 Deze facturen voor een totaalbedrag ad fl. 75.730,04 worden heden 12 juni 2001 telefonisch overgemaakt naar de desbetreffende crediteuren door de Vereniging van Eigenaren in opdracht van Ko-Ve bouw b.v. (..) Ko-Ve bouw b.v. vrijwaart de Vereniging van Eigenaren voor het betalen van de achtste termijn en het eerste gedeelte van de negende termijn, ter betaling van voornoemde facturen en bevestigt bij ondertekening van dit schrijven de achtste en gedeeltelijk negende termijn ontvangen te hebben." Deze overeenkomst is namens Ko-Ve en de VVE ondertekend door respectievelijk [directeur Ko-Ve], directeur van Ko-Ve, en [penningmeester VVE], penningmeester/ administrateur van de VVE en [voorzitter VVE] voorzitter van de VVE. [onderaannemer 1], [onderaannemer 2] en [onderaannemer 3] zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als "de drie onderaannemers". Tussen partijen staat vast dat de optelling van de vermelde facturen in deze overeenkomst (sluitend op f 75.730,04) onjuist is, en dat het gaat om een bedrag van f 82.119,--. 4.1.3. Factuur nr. 1025 terzake de achtste termijn en de gedeeltelijke negende termijn, in totaal tot een bedrag van f 102.119,04 is door Ko-Ve op 14 juni 2001 aan de VVE overhandigd. Onder op deze factuur staat geschreven: "Ontvangen per kas 14-6-01" voorzien van de handtekening van [directeur Ko-Ve], directeur van Ko-Ve. 4.1.4. Op 15 juni 2001 is op factuurpapier van Ko-Ve de volgende verklaring opgenomen: "Hierbij verklaart de heer [zoon penningmeester VVE] dat hij van de heer [penningmeester VVE], penningmeester/administrateur van bovengenoemde Vereniging (de VVE, hof) het bedrag van fl. 20.000,00 te hebben ontvangen voor het doen van aankopen voor het bovenstaande project [locatie]. De heer [zoon penningmeester VVE] zal tevens alle aankoopbonnen overleggen aan de heer [penningmeester VVE]. Dit is in overleg met de heer [directeur Ko-Ve], bevoegd directeur van de firma Ko-Ve bouw b.v." Deze verklaring is door [penningmeester VVE en diens zoon] getekend, en voorts "voor akkoord en ontv." getekend door [directeur Ko-Ve] op 16 juni 2001. 4.1.5. Ko-Ve is op 9 augustus 2001 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Vlecken (appellant) tot curator. 4.1.6. Stellende dat de overeenkomst van 12 juni 2001 een onverplichte rechtshandeling was waardoor de gezamenlijke schuldeisers van Ko-Ve zijn benadeeld, en dat Ko-Ve en de VVE op de hoogte waren van het naderend faillissement en dus wisten dat de andere schuldeisers benadeeld zouden worden, heeft de curator de overeenkomst op 21 maart 2002 vernietigd en de VVE op 9 april 2002 gesommeerd het bedrag van E. 46.339,60 (f 102.119,04) nogmaals te betalen. 4.1.7. In de onderhavige procedure heeft de curator een verklaring voor recht gevorderd dat de buitengerechtelijke vernietiging rechtsgeldig was geschied, alsmede veroordeling van de VVE tot betaling van het bedrag van E. 46.339,60 met rente. 4.1.8. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat een bedrag van f 20.000,-- (E. 9.075,60) door de VVE aan Ko-Ve is betaald, en niet valt in te zien dat de gezamenlijke schuldeisers tot dit bedrag zijn benadeeld (r.o. 3.3.). Ten aanzien van het resterende bedrag van f 89.119,-- (E. 40.440,44) was de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van benadeling van schuldeisers, nu deze bij het achterwege blijven van de gekozen betalingsconstructie niet in een gunstiger positie zouden hebben verkeerd. Tegen dit oordeel zijn de grieven van de curator gericht. 4.2.1. In appel beroept de VVE zich ten verwere allereerst op de niet-ontvankelijkheid van de curator. De curator had de vordering moeten instellen tegen de individuele appartementseigenaren en leden van de VVE, en niet tegen de VVE. 4.2.2. Deze stelling wordt verworpen. De VVE kan binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke appartementseigenaren in en buiten rechte vertegenwoordigen (art. 5:126 lid 2 BW), en exploiten en kennisgevingen die tot de gezamenlijke appartementseigenaars zijn gericht kunnen - zoals in het onderhavige geval ook is geschied - aan de persoon of de woonplaats van een bestuurder van de vereniging worden gedaan en behoeven dan niet de namen en woonplaatsen van de appartementseigenaars te bevatten (art. 5:134 lid 1 BW). Nu niet gesteld (noch gebleken) is dat de VVE buiten de grenzen van haar bevoegdheid is getreden, is de curator ontvankelijk in zijn tegen de VVE gerichte vordering. 4.3.1. Ten pleidooie is naar aanleiding van een vraag van het hof door de curator geantwoord dat factuur nr. 1025 van 12 juni 2001 op dat moment opeisbaar was. Door de VVE is dit niet tegengesproken. Het hof zal hier derhalve van uitgaan. Voorts heeft de curator verduidelijkt dat de betalingen die door de VVE zijn gedaan - via betaling van de vorderingen van de drie onderaannemers - betalingen betreffen ter voldoening aan de opeisbare vorderingen die Ko-Ve op de VVE had. 4.3.2. Vaststaat tussen partijen dat de vorderingen van de drie onderaannemers op Ko-Ve, welke door de VVE zijn betaald, op het moment van het sluiten van de overeenkomst opeisbaar waren. 4.4.1. De curator heeft geklaagd tegen de vaststelling door de rechtbank, dat van factuur 1025 een bedrag van f 20.000,-- aan Ko-Ve is betaald. Dit is onjuist, aldus de curator, omdat het bedrag van f 20.000,-aan derden is betaald, nu de VVE daarvan naar haar stelling materieel (en materiaal) heeft gekocht. Een nadere specificatie zijdens de VVE ontbreekt echter. 4.4.2. Uit nr. 2 van de memorie van grieven blijkt, dat de curator niet betwist dat het bedrag van f 20.000,-- is gebruikt "om aankopen te doen ten behoeve van het appartementencomplex", en dat deze betaling door de penningmeester van de VVE ([penningmeester VVE]) daartoe is gedaan aan zijn zoon [zoon penningmeester VVE]. 4.4.3. Vaststaat tussen partijen dat [zoon penningmeester VVE] in juni 2001 in dienst was van Ko-Ve. De VVE heeft in dit kader gewezen op de hierboven onder r.o. 4.1.4. geciteerde verklaring, waaruit het hof, met de VVE, slechts kan afleiden dat [zoon penningmeester VVE] het bedrag van f 20.000,-- ten behoeve van Ko-Ve van de VVE heeft ontvangen om aankopen voor het project [locatie] te doen. Door de directeur van Ko-Ve is deze verklaring voor akkoord en ontvangen mede-ondertekend. De stelling van curator dat uit deze verklaring niet blijkt dat aan Ko-Ve is betaald, deelt het hof derhalve niet. 4.4.4. De grief faalt derhalve. 4.5.1. Vervolgens klaagt de curator over het oordeel van de rechtbank dat door en met de overeenkomst van 15 juni 2001 geen sprake is geweest van benadeling van schuldeisers in de zin van art. 42 Fw. De curator stelt dat de boedel door de gekozen betalingsconstructie juist is verarmd, omdat de vordering van f 102.119,04 op de VVE niet meer aanwezig was. De schuldeisers waren beter af geweest als de vordering was blijven bestaan omdat de curator deze dan in rechte had kunnen invorderen en de VVE maar had moeten aantonen dat zij betaling van de vordering volledig kon opschorten. De kans dat dit zou slagen is nul, aldus nog steeds de curator, omdat met de betaling door de VVE aan de drie onderaannemers is komen vast te staan dat zij hun prestatie jegens Ko-Ve waar hebben gemaakt en de prestatie van Ko-Ve dus ook in orde was. 4.5.2. Ten pleidooie heeft de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.