typ. MdL rolnr. C04001753/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, eerste kamer, van 25 april 2006, gewezen in de zaak van: 1. de besloten vennootschap TRONIX EUROPE B.V., gevestigd te Uden, 2. [APPELLANT SUB 2], wonende te [plaats], appellanten bij exploot van dagvaarding van 22 november 2004, procureur: mr. L.R.G.M. Spronken, tegen: de naamloze vennootschap [GEÏNTIMEERDE], gevestigd te [plaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: F.C.J.J. Jessen, op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 10 november 2004 tussen appellanten - hierna in enkelvoud: Tronix - als gedaagden en geïntimeerde - [naam] - als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109979/HA ZA 04-997 Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep Bij memorie van grieven heeft Tronix zeven grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de wettelijke rente over deze proceskosten indien zij niet binnen 14 dagen na het heden te wijzen arrest zijn voldaan. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep, kort samengevat, om het volgende. Tronix importeert elektrische apparatuur uit het Verre Oosten. [geïntimeerde] is de expediteur van Tronix. [geïntimeerde] heeft in opdracht van Tronix (althans van de voormalige vennootschap onder firma Tronix, waarvan de vennoten waren Tronix B.V. en [appellant sub 2]) transporten van zaken verzorgd, alsmede de inklaring van deze zaken. De verschuldigde invoerrechten werden door [geïntimeerde] betaald, en vervolgens door haar doorbelast aan Tronix. 4.1.2. Op 28 maart 2003 (volgens het dagstempel) of 31 maart 2003 (volgens de dagtekening) heeft de douane te Rotterdam aan [geïntimeerde] een naheffing opgelegd van E. 28.921,68. [geïntimeerde] heeft dit bedrag aan de douane betaald op 28 mei 2003 (de inleidende dagvaarding vermeldt per abuis 28 mei 2004). Op 22 april 2003 heeft [geïntimeerde] het door haar betaalde bedrag bij Tronix in rekening gebracht. Op 2 september 2003 heeft Tronix de helft betaald aan [geïntimeerde]. 4.1.3. [geïntimeerde] heeft bij de inspecteur der belastingen (douane) bezwaar aangetekend tegen de naheffing, welk bezwaar tot een bedrag van E. 1.027,13 gegrond werd geacht en voor het overige werd afgewezen. 4.1.4. [geïntimeerde] heeft betaling van de andere helft (E. 14.460,84) van Tronix gevorderd, stellende dat Tronix dit bedrag op grond van de toepasselijke Fenex-voorwaarden (art. 17 lid 6) verschuldigd was. Voorts heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van E. 1.450,99 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, die Tronix verschuldigd zou zijn op grond van art. 18 lid 2 van de Fenex-voorwaarden en van de contractuele rente vanaf 22 mei 2003. 4.1.5. De rechtbank heeft de Fenex-voorwaarden van toepassing geoordeeld en eveneens geoordeeld dat het beding waarop [geïntimeerde] zich beriep, niet vernietigbaar is. De rechtbank heeft Tronix veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de gevorderde hoofdsom, onder aftrek van E. 1.027,13, en tot betaling van een bedrag van E. 1.343,37 ter zake buitengerechtelijke kosten. Tegen dit oordeel richten zich de grieven van Tronix. 4.2.1. Grief 1 klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte haar beoordeling van het geschil niet vooraf heeft doen gaan van een vaststelling van de feiten. 4.2.2. Art. 230 lid 1 sub e Rv schrijft voor dat een vonnis de feiten moet bevatten waarop de beslissing rust. Een apart kopje "de feiten" is daarbij niet noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof bevat het beroepen vonnis in voldoende mate de feiten, waarop de rechter zijn beslissing heeft gegrond. Iets anders is, dat het vonnis het verweer van Tronix niet (of nauwelijks) heeft omschreven. Zulks is echter niet noodzakelijk (de rechter dient slechts voldoende gemotiveerd op het verweer te beslissen). In zoverre faalt de grief. 4.2.3. Blijkens de toelichting ziet Tronix er met deze grief ook op, dat de rechtbank niet is ingegaan op haar verweren. Deze klacht is naar het oordeel van het hof terecht geuit. Het hof zal hier thans nader op in gaan met de bespreking van grief 4. 4.3.1. De verweren van Tronix zien op het volgende. Tronix heeft (onbetwist) gesteld dat [geïntimeerde] reeds sinds 1997 voor Tronix zaken uit het Verre Oosten importeert. Teneinde de hoogte van de verschuldigde invoerrechten aan te geven, geeft een expediteur (i.c. [geïntimeerde]) op de invoerformulieren een bepaalde code aan, waarmee de aard van de ingevoerde zaken wordt omschreven. De douane controleert de opgegeven codes steekproefsgewijs, en is de code zodanig dat ten onrechte te weinig invoerrechten zijn betaald, dan volgt een naheffing en een boete. 4.3.2. Tronix stelt dat [geïntimeerde] stelselmatig de verkeerde codes heeft opgegeven, waardoor Tronix hetzij teveel invoerrechten heeft betaald, hetzij te weinig heeft betaald, waardoor naheffingen en boetes volgden. Naar aanleiding van klachten hierover hebben partijen op 14 november 2004 een overeenkomst gesloten, welke kort gezegd inhield dat Tronix de aard van de zaken op een opdrachtformulier zou invullen, en [geïntimeerde] beter zou opletten bij het invullen van de codes. [geïntimeerde] heeft op zich de overeenkomst van 14 november 2001, en de inhoud daarvan, niet betwist. 4.3.3. Tronix stelt nu dat de (boete
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.