BELASTINGKAMER Nr. 04/00329 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag en de daarbij genomen beschikking tot vaststelling van het verlies. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst van fl. 86.924,- en na verrekening van verliezen uit voorafgaande jaren een belastbaar bedrag van nihil. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar ingediend. Dit bezwaar strekt tot vaststelling van een verlies over 1998 ten bedrage van fl. 3.769,-. Bij de bestreden uitspraak van de Inspecteur is de aanslag gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 232,--. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 januari 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur. 1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben elk zonder bezwaar van de wederpartij ter zitting een stuk overgelegd aan het hof en de wederpartij. Het door belanghebbende overgelegde stuk draagt het opschrift "Overzicht verwerking cessie van huurtermijnen". Door de Inspecteur is overgelegd een afschrift van de uitspraak van het hof van 6 november 2001, nr. 99/00698 met daarbij gevoegd een afschrift van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 september 1998, nr. DB98/3399M, BNB 1998/343. 1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1. Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is de heer A (hierna: de heer A). 2.2. De heer A is eigenaar van een tweetal winkelpanden (hierna: de winkelpanden) die aan derden zijn verhuurd. 2.3. Bij notariële akte van december 1995 heeft de heer A de toekomstige huurtermijnen ter zake van de winkelpanden over de periode 29 december 1995 tot en met 31 december 2005 om niet gecedeerd aan belanghebbende. 2.4. De contante waarde van de gecedeerde huurtermijnen bedroeg ten tijde van de cessie f 620.889,-. Contantmaking vond plaats tegen 5 percent. 2.5. Zonder de cessie zouden de huurtermijnen tot het jaar 2001 als inkomsten uit vermogen bij de heer A in de heffing van inkomstenbelasting zijn betrokken. 2.6. In de aan haar aangifte voor het jaar 1995 ten grondslag gelegde balans per ultimo 1995 is de contante waarde van de gecedeerde huurtermijnen geactiveerd onder de post "financiële vaste activa/overige vorderingen". Daar tegenover staat een passivering van deze contante waarde onder het eigen vermogen, met als benaming "herwaarderingsreserve". In de toelichting op de balans is hieromtrent onder meer opgemerkt: "De herwaarderingsreserve is fiscaal te beschouwen als informeel kapitaal". 2.7. De aanslag voor het jaar 1995 is voor wat betreft de fiscale behandeling van de cessie conform de aangifte opgelegd. 2.8. In de aangiften voor de jaren 1996 tot en met 2000 is de actiefpost "financiële vaste activa/overige vorderingen" jaarlijks verminderd met het saldo van de afschrijving op de gecedeerde huurtermijnen en de oprenting van het beginsaldo met 5 percent. Daartegenover zijn de ontvangen huren als baten verantwoord. 2.9. Op 1 januari 1998 beliep de actiefpost "financiële vaste activa/overige vorderingen" f 496.711,-. De oprenting over 1998 bedroeg f 24.836,- en er werd f 86.924,- afgeschreven. Aldus resteerde per ultimo 1998 een actiefpost van f 434.623,-. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende het saldo van de afschrijving en de oprenting ten laste van haar resultaat mag brengen. Belanghebbende is van oordeel dat de in geschil zijnde vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd: Belanghebbende Over 1998 en 1999 is een verlies aangegeven, over 2000 is een positief resultaat aangegeven. Over al deze jaren is de afschrijving op de contante waarde van de huurtermijnen gecorrigeerd. Toch resteerde steeds een nihilaanslag. De procedure gaat dan ook niet zozeer over de hoogte van de aanslag, als wel over de omvang van de bij beschikking vast te stellen verliezen over 1998 en 1999. Over 2000 gaat het geschil over de mate waarin verliezen uit voorgaande jaren verrekend moeten worden. In de bezwaarfase is niet gehoord, maar daar wil ik niet over klagen. Ik trek het beroep op het vertrouwensbeginsel in voor zover het betreft het vertrouwen ontleend aan de aanslagregeling over de voorafgaande jaren. Ik heb geen bezwaar tegen overlegging door de Inspecteur van de uitspraak van het hof van 6 november 2001, nr. 99/00698 en het daarbij gevoegde Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 september 1998, nr. DB98/3399M, BNB 1998/343 (hierna: het Besluit BNB 1998/343). Ik stel mij na kennisneming van die stukken op het standpunt dat belanghebbende aan dat besluit het in rechte te eerbiedigen vertrouwen kan ontlenen dat de correctie in het jaar van cessie, te weten 1995, zou worden toegepast en niet in de latere jaren. De Inspecteur Ik stel mij nader op het standpunt dat niet de (bruto) afschrijving gecorrigeerd moet worden, maar de afschrijving minus de oprenting van de contante waarde van de gecedeerde huurtermijnen. Het door belanghebbende overgelegde overzicht van de hoogte van de belastbare winsten over 1998 tot en met 2000, voor het geval dat ik in het gelijk wordt gesteld, is juist. Over de cijfermatige uitwerking zijn wij het eens. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vaststelling van het verlies op f 3.769,- en tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten van de beroepsfase. De Inspecteur concludeert naar het hof begrijpt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbare winst van f 58.319,-, met verrekening van verliezen uit voorafgaande jaren, zodanig dat een belastbaar bedrag resteert van nihil. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Belanghebbende doet zijn standpunt steunen op drie stellingen, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.