BELASTINGKAMER Nr. 97/21496 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH UITSPRAAK Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y tegen het niet tijdig doen van uitspraak op na te noemen bezwaar en tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van de belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift met betrekking tot na te noemen naheffingsaanslag met verhoging opgelegde naheffingsaanslag en het daarbij genomen kwijtscheldingsbesluit.
(1994). Welke posten goedgekeurd zijn en waarom wordt dus (wederom) niet aangegeven. Wel wordt medegedeeld, dat er geen enkele conclusie aan verbonden mag worden. De motiveringseis wordt aldus met voeten getreden en enige vorm van gerechtvaardigd vertrouwen wordt meteen aan de belastingplichtige ontzegd. (...) [Hof: pagina 10] Na het toesturen van de lijst van ondergetekende (G12) wordt, volledig onverklaarbaar, de lijst van de Belastingdienst, waarop later de naheffingsaanslag gebaseerd zal worden, ingekort. Te corrigeren omzet: 1993 1994 1995 vóór toesturen lijst 5.483.508 25.170.758 29.674.934 G12 (op 19-02-1996) Na toesturen lijst G12 518.597 3.699.594 0 Overgebleven correctie 9,45 % 14,69 % 0,00 % De Belastingdienst geeft geen enkele toelichting op het inkorten van de lijst met probleemgevallen, doch een nadere analyse van de oude en de nieuwe lijst 2 van de Belastingdienst leert dat, in ieder geval, 10 van de 12 door ondergetekende nader toegelichte afnemers in lijst G 2 verwijderd zijn. Aangezien de 12 door ondergetekende toegelichte afnemers de 12 grootste afnemers uit de eerste lijst 2 van de Belastingdienst waren, verklaart dat de enorme teruggang in omzetbedragen (in 1994 een teruggang van ruim 85%). Opmerkelijk is dat de 10 verwijderde afnemers allemaal per Swift betaald hebben. De 2 niet verwijderde afnemers hebben contant betaald, doch beschikken verder over exact dezelfde gegevens ais andere afnemers. Het inkorten van lijst 2 van de Belastingdienst, op aangeven van ondergetekende, geeft eens te meer aan dat X B.V. blijkbaar zorgvuldig heeft gehandeld en dat de Belastingdienst blijkbaar bij zijn controle niet zorgvuldig te werk is gegaan. Ondergetekende heeft slechts informatie aangedragen, welke in de administratie van X B.V. voor handen was en welke dus ook aan de controlerend ambtenaar ter beschikking stond. (...)'.
- Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.
- Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 738.182,=, zijnde de correctie met betrekking tot het tarief van nihil, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b van de Wet OB 1968 juncto post a.6 van de bij de Wet OB 1968 behorende tabel II ten aanzien van intracommunautaire leveringen, terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? II. Is de verhoging terecht opgelegd en is tot het juiste bedrag kwijtschelding van de verhoging verleend? De belanghebbende is van oordeel dat deze beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord, de Inspecteur is van mening dat deze beide vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Niet in geschil is de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 137.723,= ter zake van de verzwegen omzet. 3.
- Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke zij daartoe hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij hieraan nog het volgende, kort weergegeven, toegevoegd: De belanghebbende – Zoals reeds opgemerkt in onze brief van 15 december 1995, pagina 2, en van 19 februari 1996, pagina 5, onder 3, kon er geen aansluiting worden gemaakt tussen de door de Inspecteur voorgestelde correcties ter zake van het tarief van nihil en de administratie van de belanghebbende. Het is onduidelijk op welke transacties de correcties betrekking hebben. – Het rapport met betrekking tot het boekenonderzoek inzake de correcties ter zake van het tarief van nihil is nimmer ontvangen. De Inspecteur is bij herhaling gevraagd toe te lichten waarop het bedrag van de naheffingsaanslag was gebaseerd voor zover het de door de Inspecteur voorgestelde correcties ter zake van het tarief van nihil betreft. – Met betrekking tot de heffingsrente bestaat geen zelfstandige grief. – Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief. De Inspecteur – De correcties ter zake van het tarief van nihil zijn na de uitspraak op bezwaar niet meer gebaseerd op een steekproef. Slechts enkele transacties en daarbij behorende boeken bescheiden zijn beoordeeld; vele andere transacties zijn niet gecontroleerd. De naheffingsaanslag is na de uitspraak slechts nog gebaseerd op de omzet van debiteuren, van welke debiteuren transacties in het boekenonderzoek zijn beoordeeld. Een en ander blijkt uit het rapport van het boekenonderzoek. – Uw Hof houdt mij meermalen voor dat het vorenbedoelde rapport niet tot de gedingstukken behoort en dat de belanghebbende in het verleden herhaaldelijk heeft gevraagd om een toelichting van de berekening van de correcties ter zake van het tarief van nihil. – Uit de bijlage bij de brief van 25 april 1996 kon de belanghebbende afleiden op welke debiteur de correcties ter zake van het tarief van nihil betrekking hebben, zo kon zij vervolgens zelf de daarbij behorende transacties erbij zoeken. – (Desgevraagd:) De verhoging is bij uitspraak op bezwaar als volgt vastgesteld: een verhoging, na kwijtschelding, van 25% over fl. 738.182,= (correctie nultarief) = fl. 184.545,= en 10% over fl. 37.625,= (verhoging wegens te late betaling over 1995) = fl. 3.762,=, in totaal: fl. 188.307,=. Voorts is de verhoging aldus per abuis kennelijk te laag, namelijk voor een bedrag van fl. 187.598,= in plaats van voor voornoemd bedrag van fl. 188.307,=, vastgesteld. De verhoging over een bedrag van fl. 1.127,=, zijnde het bedrag van verzwegen omzet dat ook niet later is aangegeven, vervalt. 3.
- Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag, zonder verhoging, tot een bedrag van fl. 137.723,=. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 765.963,= met een verhoging van 25% over fl. 628.240,= en van 10% over fl. 36.498,=.
- Beoordeling van het geschil Vooraf 4.
- In de pleitnota van de Inspecteur heeft deze zich afgevraagd waartegen het beroep zich richt: de niet tijdige uitspraak op bezwaar dan wel de later alsnog door hem gedane uitspraak op bezwaar van 17 april
- Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. 4.
- Bij geschrift van 23 oktober 1997, bij het Hof binnengekomen op 27 oktober 1997, komt de belanghebbende op de voet van artikel 25, eerste lid van de AWR juncto artikel 6:2, aanhef, onderdeel b van de Awb in beroep tegen het door de Inspecteur niet tijdig doen van uitspraak. Gelet op het feit, dat de belanghebbende het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 15 juli 1996 bij de Inspecteur heeft ingediend was de in artikel 25, eerste lid van de AWR bedoelde termijn van één jaar geruime tijd verstreken op het moment, dat de belanghebbende vorenbedoeld beroep heeft ingediend. Nu gesteld noch gebleken is, dat de Inspecteur op de voet van artikel 25, tweede lid, van de AWR deze termijn met toestemming van de staatssecretaris van Financiën heeft verdaagd is het vorenbedoelde beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar ontvankelijk. 4.
- Uit artikel 25, derde lid van de AWR volgt, dat het verstrijken van de termijn om uitspraak op bezwaar te doen de Inspecteur niet ontheft van zijn verplichting uitspraak te doen. Gesteld noch gebleken is, dat de Inspecteur op de voet van artikel 8a, eerste lid van de WARB het Hof heeft verzocht om ontslagen te worden van de verplichting uitspraak te doen. Met dagtekening 17 april 1998 heeft de Inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid van de Awb wordt het op 27 oktober 1997 ingediende beroep geacht zich mede te richten tegen de later gedane uitspraak van 17 april
- In dit verband wijst het Hof op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 14 oktober 2005, nr. 40 155, NTFR 2005/
- 4.
- Naar het oordeel van het Hof had de belanghebbende, gelet op de uitblijvende motivering door de Inspecteur met betrekking tot de onderbouwing van de naheffingsaanslag, er belang bij in beroep te komen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan de in artikel 25, eerste lid van de AWR genoemde termijn van één jaar niet is nageleefd en hij heeft evenmin feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan deze termijn niet, met toestemming van de staatssecretaris van Financiën, is verdaagd op de voet van artikel 25, tweede lid van de AWR. Mitsdien is het Hof van oordeel, dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 6:20, zesde lid van de Awb, het beroep reeds gegrond is omdat het terecht is ingediend tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en, zoals hierboven overwogen, de belanghebbende bij dat beroep belang had. Vraag I 4.
- De correctie met betrekking tot het tarief van nihil, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b van de Wet OB 1968 juncto post a.6 van de bij de Wet OB 1968 behorende tabel II ten aanzien van intracommunautaire leveringen (hierna: tarief van nihil), is door de Inspecteur aangebracht op basis van een bij de belanghebbende verricht boekenonderzoek. Ter zake heeft de Inspecteur nageheven over een bedrag van fl. 738.182,=. 4.
- Het Hof stelt voorop, dat op de Inspecteur de bewijslast rust aannemelijk te maken dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven. 4.
- De belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk gesteld, dat de belanghebbende geen aansluiting kan vinden tussen de door de Inspecteur aangebrachte correcties ter zake van het tarief van nihil en de administratie van de belanghebbende. Voorts heeft zij uitdrukkelijk gesteld van dit laatste reeds melding te hebben gemaakt in haar brieven van 15 december 1995, pagina 2, en van 19 februari
- Ook in de motivering van het beroepschrift van 13 november 1998, pagina 5 en pagina 10, merkt de belanghebbende op, dat zij volstrekt in het ongewisse verkeert omtrent de vraag op welke transacties de correcties met betrekking tot het tarief van nihil betrekking hebben en wat er mankeert aan de boeken en bescheiden bij de wél door de Inspecteur beoordeelde transacties. 4.
- De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld, dat de naheffingsaanslag niet (meer) berust op de onder 2.2 vermelde steekproef van 178 facturen, maar dat de correcties met betrekking tot het tarief van nihil zijn onderbouwd in een rapport van de Inspecteur met betrekking tot het boekenonderzoek. 4.
- Het Hof heeft de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk en herhaaldelijk voorgehouden, dat het door hem genoemde rapport (hierna: het rapport) niet tot de gedingstukken behoort. 4.
- De belanghebbende heeft daarop tijdens de mondelinge behandeling - onweersproken - gesteld, dat hij dit door de Inspecteur genoemde rapport inzake de correcties met betrekking tot het tarief van nihil nimmer heeft ontvangen en dat hij meermalig om een motivering van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil aan de Inspecteur heeft verzocht. 4.
- Vervolgens heeft de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling gesteld, dat in de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996 is vermeld dat de correcties met betrekking tot het tarief van nihil zijn gebaseerd op transacties waarbij contant werd betaald. Voorts heeft hij gesteld, dat de belanghebbende uit de bijlage bij die brief kon afleiden op welke debiteuren de correcties ter zake van het tarief van nihil betrekking hebben en dat zij zo vervolgens zelf de daarbij behorende transacties, en daarbij behorende boeken en bescheiden, kon opzoeken. 4.
- Het Hof overweegt, dat de belanghebbende onweersproken heeft gesteld het rapport nimmer te hebben ontvangen. Voorts is het rapport door de Inspecteur niet overgelegd, ook niet nadat het Hof de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk en herhaaldelijk heeft voorgehouden, dat het rapport niet was overgelegd. Gelet hierop is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur met de verwijzing naar het rapport niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken, dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven ter zake van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil. 4.
- De verwijzing van de Inspecteur naar de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996 acht het Hof eveneens onvoldoende. De belanghebbende heeft uitdrukkelijk gesteld dat zij geen aansluiting kon verkrijgen tussen haar administratie en de door de Inspecteur aangebrachte correcties. Anders dan de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, was het kennelijk voor de belanghebbende niet mogelijk de door de Inspecteur uiteindelijk aangebrachte correcties met betrekking tot het tarief van nihil in haar administratie te traceren aan de hand van de bijlage bij de onder 2.5 vermelde brief van 25 april
- Het Hof is van oordeel, dat gelet op hetgeen de belanghebbende na de vorenbedoelde brief van 25 april 1996 in de onder 2.7 vermelde brief van 17 september 1997, pagina 4, laatste alinea, en pagina 5, bovenaan en laatste volzin, in het onder 2.10 vermelde beroepschrift d.d. 23 oktober 1997, pagina 5, tweede alinea en in de onder 2.13 vermelde motivering van het beroepschrift van 13 november 1998, pagina 5 en pagina 10 heeft geschreven, het op de weg van de Inspecteur lag de belanghebbende, en met haar het Hof, te informeren omtrent de vraag welke transacties door de Inspecteur waren beoordeeld en omtrent de daarbij geconstateerde gebreken met betrekking tot de beoordeelde boeken en bescheiden en deze informatie, bij betwisting door de belanghebbende, aannemelijk te maken. Overigens overweegt het Hof, dat ook uit hetgeen de Inspecteur in het vertoogschrift op pagina 6, eerste volzin heeft opgemerkt blijkt dat het de Inspecteur duidelijk was dat de belanghebbende er niet van de op de hoogte was op welke beoordeelde transacties de bestreden uitspraak is gebaseerd. Met de verwijzing van de Inspecteur naar de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996 acht het Hof de Inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken, dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven ter zake van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil. 4.
- Uit het overwogene onder 4.7 tot en met 4.13 volgt, dat de Inspecteur in genen dele heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken, dat terecht en tot de juiste bedragen is nageheven ter zake van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil. 4.
- Aan het overwogene onder 4.14 doet niet af, dat op de belanghebbende de bewijslast rust aan de hand van boeken en bescheiden als bedoeld in artikel 12 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 te doen blijken dat zij het tarief van nihil terecht heeft toegepast. Immers, voordat aan de vervulling van die bewijslast wordt toegekomen ligt het in eerste instantie op de weg van de Inspecteur om aan te geven welke transacties hij heeft beoordeeld, zodat de belanghebbende vervolgens in de gelegenheid is om zich te verweren tegen het oordeel van de Inspecteur inzake deze transacties. 4.
- Vraag I moet ontkennend worden beantwoord. Vraag II 4.
- Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I vervalt de verhoging over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van fl. 738.182,= ter zake van de correcties met betrekking tot het tarief van nihil. 4.
- Voor de beantwoording van vraag II resteert alsdan de vraag of de bij uitspraak op bezwaar ex artikel 22 van de AWR gehandhaafde verhoging van 10% van fl. 37.625,= ter zake van de te late betaling van dit bedrag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. 4.
- Daargelaten of een zogenoemde conversie van een verhoging ex artikel 21 van de AWR (betreffende een verhoging op grond van opzet of grove schuld bij naheffing omdat te weinig belasting is geheven) in een verhoging ex artikel 22 van de AWR (betreffende een verhoging wegens te late betaling van belasting die op aangifte behoort te worden voldaan) in rechte stand kan houden, overweegt het Hof als volgt. 4.
- De belanghebbende heeft in de motivering van het beroepschrift d.d. 13 november 1998, pagina 1, onderaan en pagina 2, bovenaan gesteld ter zake van de correctie verzwegen omzet een bedrag van fl. 37.625,= - fl. 1.127,= = fl. 36.498,= te hebben verwerkt in de aangifte over december 1995 en aldus te hebben voldaan. De Inspecteur heeft deze laatste stelling erkend (pagina 5, bovenaan van het vertoogschrift). 4.
- Met betrekking tot de verhoging over het voornoemde bedrag van fl. 37.625,= heeft de belanghebbende in de onder 2.7 vermelde brief van 17 september 1996, pagina 6, laatste alinea gesteld, dat in de eindbespreking is afgesproken dat met betrekking tot de verhoging inzake de correctie verzwegen omzet overleg zou plaatsvinden en dat dit overleg nimmer heeft plaatsgevonden. Ook tijdens het horen op 3 februari 1997 heeft de belanghebbende deze stelling verdedigd (hoorverslag, pagina 2). Voorts heeft zij in de onder 4.20 bedoelde motivering, pagina 11, tweede en derde alinea, gesteld, dat een verhoging niet aan de orde is gesteld tijdens de eindbespreking van het boekenonderzoek in december 1995 (zie pagina 2, tweede alinea, van het beroepschrift d.d. 23 oktober 1997) en dat een dergelijke verhoging ook bestreden zou zijn. Het Hof verstaat dit een en ander als een grief van de belanghebbende, dat zij niet uiterlijk op het moment van het opleggen van de verhoging, zijnde 6 juli 1996, in bijzonderheden op de hoogte is gesteld van de gronden waarop de verhoging en de kwijtschelding daarvan berusten. 4.
- Gelet op de onder 2.5 vermelde brief van 25 april 1996, welke brief kennelijk dient ter motivering van de op dat moment nog op te leggen naheffingsaanslag en waarin over een verhoging met betrekking tot de correctie verzwegen omzet niet wordt gerept, is naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan het uit het artikel 6 van de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden voortvloeiende vereiste dat de belanghebbende uiterlijk op het moment van het opleggen van de verhoging, zijnde 6 juli 1996, in bijzonderheden op de hoogte is gesteld van de gronden waarop de verhoging en de kwijtschelding daarvan berusten. Feiten en omstandigheden, waaruit zou volgen dat de belanghebbende wél uiterlijk op 6 juli 1996 door de Inspecteur in bijzonderheden is medegedeeld op welke gronden de verhoging, en de kwijtschelding daarvan, met betrekking tot de correctie verzwegen omzet berusten zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien dient de verhoging van 10% over fl. 37.625,= te vervallen. (In dit verband wijst het Hof op onder meer het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 20 december 1989, nr. 25 469, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/102, van 19 december 1990, nr. 26 576, onder meer gepubliceerd in BNB 1991/176 en van 5 september 2003, nr. 37 784, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/349.) 4.
- Nu de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft opgemerkt in beroep de verhoging van 25% over een bedrag van fl. 1.127,= ter zake van verzwegen omzet niet meer te willen verdedigen, volgt uit het vorenoverwogene, dat de verhoging in het geheel dient te vervallen. 4.
- Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord. Slotsom 4.
- Uit het overwogene onder 4.4 volgt reeds, dat het beroep gegrond is. Uit de ontkennende beantwoording van vragen I en II volgt, dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Partijen zijn het er voor dat geval over eens, dat de naheffingsaanslag dient te worden vastgesteld op een bedrag van fl. 137.723,= (€ 62.495,97) aan enkelvoudige belasting. De verhoging dient geheel te vervallen.
- Proceskosten en griffierecht 5.
- In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door de belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 3.550,= (€ 1.610,92). 5.
- Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de WARB, aan de belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.
- Beslissing Het Hof: – vernietigt de bestreden uitspraak; – vermindert de naheffingsaanslag tot één ten bedrage van fl. 137.723,= (€ 62.495,97) aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging; – veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 3.550,= (€ 1.610,92)onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en – gelast dat door de Inspecteur aan de belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 36,30 wordt vergoed. Aldus vastgesteld op 25 januari 2006 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W.J. Huige en P. Fortuin, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 25 januari 2006 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.