ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6069
BELASTINGKAMER Nr. 05/00464 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.
1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. Dat hof heeft beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 23 april 2004, nr. 02/960.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 augustus 2005, nr. 40.896, gepubliceerd in BNB 2005/352, de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem vernietigd onder verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
1.4. De Inspecteur heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een schriftelijke conclusie ingediend welke op 19 oktober 2005 bij het hof is binnengekomen.
Belanghebbende heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, bij op 16 januari 2006 ter griffie van het hof ontvangen conclusie op voormeld arrest en de inhoud van de conclusie van de Inspecteur gereageerd.
1.5. Met toestemming van partijen heeft het hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
In de stukken na het arrest van de Hoge Raad zijn door partijen geen andere feiten in het geding gebracht.
Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de voorlopige aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 47.000,=.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4.2. Na verwijzing moet derhalve nog de vraag worden beantwoord of A zakelijk heeft gehandeld door de vordering kwijt te schelden nadat deze was verjaard.
4.3. Naar het oordeel van het Hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote na augustus 1995 (definitief) zijn gestopt met het aflossen van de schuld. Gelet op deze voor hem kenbare omstandigheid diende A ermee rekening te houden dat belanghebbende, indien tot betaling aangesproken, met een beroep op de ingetreden verjaring zou weigeren zijn schuld te betalen. Dat neemt niet weg dat er voor belanghebbende nog wel een natuurlijke verbintenis bleef bestaan om de schuld te voldoen. A zou echter slechts in een aantal specifieke gevallen alsnog betaling van de schuld kunnen afdwingen. Een dergelijk geval zou zich met name voordoen, indien sprake zou zijn van een bevoegdheid tot verrekening met een eigen verbintenis (artikel 6:131, lid 1, BW), een bevoegdheid tot opschorting van een eigen verbintenis (artikel 6:56 BW) of een bevoegdheid tot verhaal op een tot zekerheid verstrekt vuistpand (artikel 3:323, lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke bevoegdheid ten tijde van de kwijtschelding bestond of naar verwachting zou kunnen ontstaan. Deze omstandigheid brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat A zich ten tijde van de kwijtschelding niet op een bevoegdheid als hiervóór bedoeld kon beroepen of in de afzienbare toekomst zou kunnen beroepen. Nu dit voor A kenbaar was, althans kon zijn, heeft hij geenszins onzakelijk gehandeld door de vordering kwijt te schelden.
4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval zijn partijen het erover eens dat de aanslag moet worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 47.000,=.
Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op de kosten van de behandeling van het beroep bij het gerechtshof te Arnhem, zijnde € 1449,= (3 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak)), vermeerderd met de kosten van de behandeling van het beroep bij dit hof ten bedrage van € 241,50 (0,5 (punten) x € 322,-- x 1,5 (gewicht van de zaak)) is in totaal € 1690,50,=.
Aldus gedaan op 13 juli 2006 door A.J. van Soest, voorzitter, R.J. Koopman en N. van Beelen, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 juli 2006 Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.
Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.