rekestnr. R05/01253 BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, 27 juni 2006, gegeven in de zaak van: [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, verder te noemen: [A.], procureur: mr. J.E. Lenglet, tegen: [Geintimeerde], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, verder te noemen: [B.], procureur: mr. J.M. Jonkergouw, op het hoger beroep tegen het door de recht-bank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom gegeven beschikking van 20 september 2005. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 366329 AZ VERZ 05-772) Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van voormelde beschikking alsmede naar de daaraan voorafgaande beschikking van 3 februari 2005 (zaaknr. 336757 AZ 04-1270). 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ter griffie van het hof binnenge-komen op 5 december 2005, heeft [A.] vijf grieven aangevoerd en, kort gezegd, geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van 20 september 2005 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, dat het hof, het geding dat geleid heeft tot de beschikking van 3 februari 2005 zal heropenen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [B.] tot voorwaardelijke ontbin-ding van de arbeidsovereenkomst met [A.] af zal wijzen, althans niet toe zal wijzen dan onder gelijktijdige toe-kenning van een vergoeding met een zeer hoge C-factor, met veroordeling van [B.] in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij verweerschrift, ter griffie van het hof binnenge-komen op 2 januari 2006, heeft [B.] de grieven bestreden en primair verzocht [A.] niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Subsidiair heeft [B.] het hof verzocht zich onbevoegd te verklaren terzake van het onderhavige verzoek. Meer subsidiair heeft [B.] verzocht het verzoek van [A.] af te wijzen met handhaving van voormelde be-schikking van 20 september 2005, met veroordeling van [A.] in de kosten van deze procedure. 2.3. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsge-von-den op 12 april 2006. Verschenen zijn [A.], bijgestaan door zijn advocaat mr. B.P.A. van Beers en de heer [X.] voor [B.], bijgestaan door haar advocaat mr. I. van Meete-ren. Beide raadslieden hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van in het geding gebrachte notities. 2.4. Het hof heeft de uitspraak nader bepaald op heden. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van grieven en de toelichting daarop ver-wijst het hof naar het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. 4.1.1. Bij inleidend verzoekschrift heeft [B.] verzocht de arbeidsovereenkomst met [A.] voorwaardelijk te ontbinden op grond van een gewichtige reden. 4.1.2. [A.] heeft zich daartegen verweerd. 4.1.3. Bij beschikking van 3 februari 2005 heeft de kan-tonrechter de onderhavige arbeidsovereenkomst voorwaarde-lijk, voorzover deze arbeidsovereenkomst nog bestaat, ont-bonden met ingang van 4 februari 2005. 4.1.4. Bij inleidend verzoekschrift van 2 september 2005 heeft [A.] verzocht voormelde beschikking van 3 februari 2005 te herroepen omdat hij van mening is dat [B.] in die procedure bedrog heeft gepleegd. 4.1.5. Bij beschikking van 20 september 2005 heeft de kan-tonrechter aanstonds geoordeeld dat [A.] de door hem ge-stelde grond tot heropening op geen enkele wijze heeft on-derbouwd. Op grond daarvan heeft hij geweigerd om het on-derhavige geding te heropenen. Tegen deze beschikking komt [A.] thans op. De ontvankelijkheid 4.2.1. Ingevolge art. 388 lid 2 van het Wetboek van Bur-gerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met art. 391 Rv is de onderhavige beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep. 4.2.2. [A.] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat het in art. 388 lid 2 Rv neergelegde appelverbod van de beslis-sing inzake de heropening van het geding niettemin wordt doorbroken, doordat de kantonrechter fundamentele rechts-beginselen heeft geschonden, aangezien hij in de bestre-den beschikking in strijd heeft gehandeld met art. 279 Rv. 4.2.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Een beroep, zoals in dit geval, op het leerstuk van de doorbreking van het appelverbod kan eerst aan de orde ko-men in die gevallen waarin de wetgever hogere voorziening heeft uitgesloten (HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242). In die gevallen waarin de klachten – die aanleiding zouden kunnen geven tot doorbreking van het appelverbod – langs een af-zonderlijke weg aan de rechter ten toets kunnen worden voorgelegd, met als resultaat dat de gevolgen van de ge-wraakte beslissing teniet kunnen worden gedaan, dient deze afzonderlijke weg te worden gevolgd. Er bestaat dan immers geen noodzaak voor appel tegen de gewraakte beschikking, noch een zelfstandig belang bij vernietiging. Van de hier-bedoelde situatie is evenwel geen sprake. 4.2.4. Weliswaar staat van de beslissing inzake de herope-ning cassatieberoep open, doch aangenomen moet worden dat dit beroep is beperkt op de wijze als is vermeld in art. 80 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) (HR 19 december 2003, NJ 2005, 181). Het bepaalde in art. 80 lid 1 RO leidt ertoe dat de hiervoor onder 4.2.2. ver-melde rechtsklacht, die door [A.] is aangevoerd tegen de beschikking inzake de heropening niet in cassatie kan wor-den behandeld. 4.2.5. Voor de ontvankelijkheid in het (uitgesloten) ho-ger beroep is voldoende dat men zich op het standpunt stelt dat één van de in de jurisprudentie erkende door-brekingsgronden zich voordoet te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.