typ. NJ rolnr. C0400979/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 31 januari 2006, gewezen in de zaak van: 1. [APPELLANTE SUB 1], wonende te [plaats], hierna: "[appellante sub 1]", 2. [APPELLANTE SUB 2], wonende te [plaats], hierna: "[appellante sub 2]", appellanten bij exploot van dagvaarding van 5 juli 2004, procureur: mr. A.M.H.C. Coppens, tegen: 1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1], wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 1]", geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding, procureur: mr. A.J.F. Manders, 2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2], wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 2]", 3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3], wonende te [plaats], hierna "[geïntimeerde sub 3]", 4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4], wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 4]", geïntimeerden bij voormeld exploot van dagvaarding, niet verschenen, op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 29 januari 2003, 4 juni 2003 en 14 april 2004 tussen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] als eiseressen en [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] als gedaagden. 1. Het verloop van het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen met zaak/rolnummer 58044 HAZA 00-2187. 2. Het verloop van het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven, met producties, hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] twaalf grieven aangevoerd tegen de vonnissen waarvan beroep. Zij hebben geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en na eiswijziging in hoger beroep, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - zakelijk weergegeven: I. zal bepalen dat de woning [adres] te [plaats]op [datum] januari 1991 een waarde in het economisch verkeer, vrij en onverhuurd, heeft van E. 68.067,03, althans een door het hof in goede justitie te bepalen waarde; II. PRIMAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen de waarde van het perceel [adres] te [plaats] per [datum] januari 1991 in te brengen dan wel te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, SUBSIDIAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen om een bedrag van E. 16.676,42 in te brengen dan wel te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; III. PRIMAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen om binnen 14 dagen na het wijzen van het arrest aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] rekening en verantwoording te doen van het door haar gevoerde beheer, in het bijzonder ten aanzien van bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer], vanaf [datum] januari 1991 tot aan [datum] april 2004, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; SUBSIDIAIR [geïntimeerde sub 1] zal bevelen om binnen 14 dagen na het wijzen van het arrest alle bankafschriften vanaf [datum] januari 1991 tot aan [datum] april 2004 van de bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer] in het geding te brengen, althans aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; IV. zal bepalen het zuiver saldo van de nalatenschap van [naam moeder] en [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen tot uitbetaling aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] van hun legitieme porties, PRIMAIR te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, althans [datum] oktober 2000, SUBSIDIAIR onder afdracht van de renteopbrengsten over het bedrag van E. 52.759,10 vanaf 1991 tot 28 april 2004 aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2], alsmede aan [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in de proceskosten in hoger beroep. 2.2. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde sub 1] de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping van de grieven en bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in de proceskosten in hoger beroep. 2.3 [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben vervolgens nog een akte genomen, waarop [geïntimeerde sub 1] bij antwoordakte, met producties, heeft gereageerd. 2.4 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van hoger beroep Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven. 4. De beoordeling: 4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. [geïntimeerde sub 2], geboren 29 november 1909 (hierna: "vader"), en [naam moeder], geboren [datum] 1913 (hierna: "moeder"), waren met elkaar in eerste echt in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Vader is op [datum] 1971 overleden. Krachtens een bij testament getroffen ouderlijke boedelverdeling is het aandeel van vader in de huwelijksgemeenschap toegedeeld aan moeder. 4.1.2. Moeder heeft in 1973 een bedrag van NLG 25.000,-- aan de (inmiddels overleden) zoon [naam] geschonken zonder vrijstelling van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van moeder. 4.1.3. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde een boerderij met bijgebouwen en ondergrond, plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], groot ca 1.23 ha. Moeder heeft in 1979 de boerderij en ca 1.16 ha van de grond verkocht aan de [gemeente] voor een koopprijs van NLG 260.500,--, inclusief een vergoeding voor verhuiskosten. Het resterende gedeelte van het kadastrale perceel, groot circa 7 are, is aan moeder in eigendom verbleven, onder vestiging van een bouwplicht. 4.1.4. Moeder heeft op [datum] juli 1980 een bouwvergunning verkregen voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het aan haar in eigendom verbleven perceel. Vervolgens heeft Moeder bij akte van [datum] juli 1980 van het aan haar verbleven perceel een gedeelte, groot 4 are 50 centiare, geleverd aan [naam], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met haar dochter [geïntimeerde sub 1], tegen een koopprijs van NLG 19.500,--. Dit perceel is in september 1981 kadastraal afgesplitst en sedertdien kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres] . Het resterende gedeelte, groot 2 are 57 centiare, bleef eigendom van moeder en is vanaf september 1981 kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres 2]. 4.1.5. Moeder en dochter [geïntimeerde sub 1] met haar echtgenoot hebben in 1981 een dubbel woonhuis opgericht op beide percelen. Moeder is in de woning [adres 2] gaan wonen, [geïntimeerde sub 1] en haar echtgenoot in de woning [adres] . 4.1.6. Moeder heeft bij op [datum] 1990 door mr. [notaris], notaris te [plaats], opgemaakt testament voor zover hier van belang als volgt over haar nalatenschap beschikt: "Daar ik gedurende elf jaren door mijn dochter [geïntimeerde sub 1] verzorgd ben, erken ik hierbij ten opzichte van mijn genoemde dochter [geïntimeerde sub 1] een dringende verplichting van moraal en fatsoen om te zorgen, dat zij mijn woning [adres 2] te [plaats], welke aangebouwd is aan de woning van mijn genoemde dochter, in eigendom verkrijgt. Daarom beschik ik over mijn nalatenschap als volgt: VERERVING. Mijn nalatenschap vererft volgens de Nederlandse wet, behoudens, dat, met uitzondering van mijn dochter [geïntimeerde sub 1] ik mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, in de legitieme stel en met inachtneming van het navolgende: BOEDELVERDELING TUSSEN MIJN AFSTAMMELINGEN. Ik maak gebruik van de regelingen als bedoeld in artikel 1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Ik maak derhalve een boedelverdeling tussen mijn dochter [geïntimeerde sub 1] en mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader. A. Ik deel toe aan mijn voornoemde dochter [geïntimeerde sub 1] mijn woning aan de [adres 2] te [plaats], onder de verplichting de daarop drukkende zakelijke lasten en de daarop drukkende hypothecaire schulden geheel voor haar rekening te nemen. Voorts deel ik aan haar toe al mijn geldmiddelen, zowel die op mijn lopende rekening als die op mijn spaarrekeningen. Omdat mijn dochter [geïntimeerde sub 1] voornoemd wordt overbedeeld is zij verplicht om aan mijn afstammelingen-erfgenamen hun wettelijk erfdeel uit te keren. B. Ik deel toe aan ieder van mijn afstammelingenerfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, een vordering op mijn dochter [geïntimeerde sub 1] voornoemd ter grootte van ieders wettelijk erfdeel in mijn nalatenschap. C. Ik deel toe aan mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, al mijn huishoudelijke inboedelgoederen en sieraden. WAARDEBEPALING. Ik wens dat de waarde van mijn woning aan de [adres] te [plaats]in onderling overleg zal worden vastgesteld. Wanneer dit faalt dan wel wanneer de wet dit voorschrijft, dan geschiedt de waardering door deskundigen overeenkomstig de wettelijke regeling bij boedelscheidingen met minderjarigen." 4.1.7. Moeder is op [datum] 1991 overleden. Toen waren vier van haar kinderen in leven, [appellante sub 2] (geboren in 1939), [appellante sub 1] (geboren in 1941), [geïntimeerde sub 4] (geboren in 1944) en [geïntimeerde sub 1] (geboren in 1946). Haar zoon [naam] was vóór haar overleden. [naam] had twee bij het overlijden van moeder nog minderjarige kinderen, [geïntimeerde sub 2] (geboren in 1974) en [geïntimeerde sub 3] (geboren in 1977). 4.1.8. Op 4 februari 1991 heeft notaris Mr. [notaris] een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin hij verklaart dat [geïntimeerde sub 1] uit kracht van het testament van moeder is gerechtigd om alle geldmiddelen van moeder 'naar en onder zich te nemen'. 4.1.9. De kantonrechter heeft bij beschikking van 26 februari 1991 op verzoek van deze notaris voor de waardering van het woonhuis en van de inboedel volstaan met benoeming van één deskundige, te weten [deskundige], taxateur te [plaats]. 4.1.10. [deskundige] heeft op [datum] maart 1991 een taxatierapport uitgebracht, waarin hij het woonhuis [adres 2] waardeert op NLG 97.900,-- in onbewoonde staat en op NLG 58.700,-- in bewoonde staat, en de verkoopwaarde van de inboedel op NLG 775,--. 4.1.11. De notaris heeft in september 1991 aangifte voor de successiebelasting gedaan, waarin hij komt tot navolgende opstelling van het zuiver saldo van de nalatenschap van moeder en van de legitieme porties: Activa: - woonhuis [adres 2] NLG 97.900,-- - inboedel NLG 775,-- - geldmiddelen NLG 124.557,53 Totaal: NLG 223.232,53 Af: Passiva NLG 4.583,33 Saldo Activa/Passiva: NLG 218.649,20 Bij: Inbreng schenking [vooroverleden zoon] NLG 25.000,-- Saldo: NLG 243.649,20 Af: Begrafeniskosten NLG 8.206,28 Zuiver saldo: NLG 235.442,92 ============== Legitieme porties: [appellante sub 1] NLG 35.316,44 [appellante sub 2] NLG 35.316,44 [geïntimeerde sub 4] NLG 35.316,44 [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], na aftrek van inbreng NLG 10.316,44 Totaal uit te keren: NLG 116.265,76 ============== Resteert voor [geïntimeerde sub 1]: NLG 119.177,16 ============== 4.1.12. De erven hebben geen overeenstemming bereikt over de omvang van de door [geïntimeerde sub 1] aan de overige erven uit te keren legitieme porties. De sieraden en inboedelzaken zijn feitelijk verdeeld. 4.1.13. [geïntimeerde sub 1] heeft het op grond van de successie aangifte in totaal uit te keren bedrag aan legitieme porties van NLG 116.265,76 gereserveerd op bankrekening nummer [bankrekeningnummer] ten name van [naam]. 4.1.14. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben bij brief van hun advocaat van 30 juli 1999 [geïntimeerde sub 1] gesommeerd alle gegevens en inlichtingen te verstrekken ter bepaling van de omvang van de nalatenschap van moeder en ter vaststelling van de legitieme porties. Daarbij hebben zij aanspraak gemaakt op renteopbrengsten van tot de nalatenschap behorende banktegoeden c.q. op de wettelijke rente over de legitieme porties. 4.1.15. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben bij exploten van dagvaarding van 12 oktober 2000 tegen [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], na eiswijzigingen, gevorderd als weergegeven in de vonnissen waarvan beroep. 4.1.16. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 juni 2003 [taxateur], taxateur te [plaats], tot deskundige benoemd teneinde de waarde in het economische verkeer op [datum] juli 1980 te doen vaststellen van het hiervoor onder 4.1.4 bedoelde perceel, kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres] . [deskundige] heeft op 25 september 2003 zijn deskundigenbericht uitgebracht, waarin deze waarde per 4 juli 1980 is bepaald op NLG 56.250,--. 4.1.17. Bij eindvonnis van 14 april 2004 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. 4.1.18. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] kunnen zich niet met de vonnissen van 29 januari 2003, 4 juni 2003 en 14 april 2004 verenigen en komen daarvan in hoger beroep. 4.2. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 4 juni 2003, zodat zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep. 4.3. De tegen de vonnissen van 29 januari 2003 en 14 april 2004 aangevoerde grieven stellen de volgende geschilpunten aan de orde: - de waardering van het woonhuis [adres] te [plaats](grieven 1, 2, 3 en 7); - de grondtransactie van [datum] juli 1980 (grieven 4, 5 en 6); - de AOW-uitkeringen in 1990 (grief 8); - de vordering tot het doen van rekening en verantwoording, in het bijzonder ten aanzien van de mutaties van de saldi van de bankrekeningen (grieven 9 en 10); - de bepaling van het zuiver saldo van de nalatenschap van moeder en van de legitieme porties (grief 11); - rentevergoeding over de legitieme porties (grief 12). 4.4. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Het geschil in hoger beroep betreft het hiervoor onder 4.1.6 aangehaalde testament van moeder en haar op 8 januari 1991 opengevallen nalatenschap. Ingevolge het bepaalde in artikel 69 van de Overgangswet NBW is daarom het erfrecht zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden op de door de erven in de nalatenschap van moeder verkregen rechten van toepassing. Op de boedelverdeling is de vijfde afdeling van de zestiende titel van Boek 4 zoals deze tot 1 januari 2003 heeft gegolden van toepassing. De verplichting tot inbreng van giften dient te worden beoordeeld naar het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht, de artt. 4:1132 en volgende (oud) BW. Op de verdeling van de nalatenschap is ingevolge art. 101 Overgangswet NBW het vanaf 1 januari 1992 geldende recht van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in art. 3: 186, lid 1 BW. 4.5. Uitgangspunt bij de beoordeling van de grieven is dat krachtens de testamentaire boedelverdeling de nalatenschap partieel is verdeeld met ingang van [datum] januari 1991, namelijk voor wat betreft het woonhuis aan de [adres 2] en het bezit van de in de erfboedel aanwezige geldmiddelen. Daarmee geldt [datum] januari 1991 als peildatum voor de waardering van dat woonhuis. Waardering van het woonhuis [adres 2] te [plaats]: 4.6. De rechtbank heeft zich voor de waardering van het woonhuis van moeder aangesloten bij de hiervoor onder 4.1.10 bedoelde taxatie van [taxateur]. Deze taxatie is door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gemotiveerd betwist. Zij voeren daartoe aan dat de in 1991 geldende wettelijke regeling van de waardering van onroerende zaken bij boedelscheidingen waarbij minderjarigen zijn betrokken - welke in het testament is voorgeschreven voor het hier aan de orde zijn geval waarin de erfgenamen niet onderling tot overeenstemming kunnen komen over de waardering - niet is nageleefd omdat de taxatie van het woonhuis in strijd met het bepaalde in art. 4: 1123 (oud) BW niet door drie deskundigen is verricht. Bovendien heeft de betrokken notaris, mr. [notaris] voornoemd, hen niet geraadpleegd omtrent het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n). Ten slotte stemt de taxatie niet overeen met de werkelijke waarde van het woonhuis op [datum] januari 1991, hetgeen onder meer zou blijken uit de in de aanslag onroerend goed belasting uit 1991 gehanteerde hogere waarde van NLG 106.000,--. Zij hebben uitdrukkelijk bewijs door deskundigenbericht aangeboden. 4.7. Het hof acht op grond van hetgeen door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] is aangevoerd een nieuwe taxatie van het woonhuis [adres] te [plaats]aangewezen. Het hof acht in dit verband mede van belang dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet in de gelegenheid zijn gesteld om aan de deskundige vragen te stellen of opmerkingen te maken. Voorts is van belang dat de taxatie is opgemaakt ten behoeve van de successieaangifte en op geen enkele wijze is onderbouwd. Het hof zal daarom een of meer deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.