typ. NJ rolnr. C0400812/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, van 10 oktober 2006, gewezen in de zaak van: [APPELLANTE] B.V., gevestigd te [plaats], appellante, procureur: mr. A.K.M. van Meer, tegen: [GEÏNTIMEERDE], wonende te [plaats], geïntimeerde, procureur: mr. J.E. Lenglet, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 september 2005 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 113161/HA ZA 02-1647 gewezen vonnis van 10 maart 2004 tussen appellante - [appellante] - als opposante en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als geopposeerde
- Het tussenarrest van 27 september 2005 Bij genoemd arrest is aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekt en is iedere verdere beslissing aangehouden.
- Het verdere verloop van de procedure De enquête heeft plaatsgevonden op 22 december 2005 en de contra-enquête op 16 februari
- Van de verhoren is proces-verbaal opgemaakt waarvan afschriften bij de stukken. [geïntimeerde] heeft daarna een memorie na enquête genomen onder overlegging van een productie en [appellante] heeft dat vervolgens eveneens gedaan onder overlegging van een productie. Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en uitspraak gevraagd.
- De verdere beoordeling 8.
- In genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] toegelaten tot het bijbrengen van nader bewijs van haar stelling dat tussen wijlen [naam 1] en [appellante] is overeengekomen dat [appellante] aan [naam 1] h.o.d.n. Combiline een bedrag van f. 7.140,00 inclusief btw (E. 3.239,00) per kwartaal zou voldoen als fee voor de bemiddeling bij de detacheringovereenkomst, zolang die overeenkomst inzake [naam 2] tussen [appellante] en PON zou voortduren. 8.
- [geïntimeerde] heeft daartoe drie getuigen doen horen: haarzelf en de heren [naam 2] en [naam 3]. [appellante] heeft de heren [naam 4] en [naam 5] doen horen. 8.
- Het hof overweegt het volgende. 8.3.
- Tussen partijen staat vast dat [naam 2] namens [appellante] de onderhandelingen mocht voeren met [naam 1] over de bemiddelingsfee en dat hij de afspraken daaromtrent met [naam 1] heeft gemaakt. Voor de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst komt het dan ook aan op hetgeen [naam 2] aan [naam 1] heeft medegedeeld omtrent de instemming van [appellante] en is uiteindelijk niet relevant of [naam 2] daarover werkelijk de volledige instemming van de heren [naam 4] en/of [naam 5] van [appellante] had. Grief V, die opkomt tegen de met deze beslissing overeenkomende overweging van de rechtbank faalt derhalve. Ook grief IV faalt, aangezien de rechtbank terecht heeft overwogen dat [naam 4] en [naam 5] niet hebben kunnen verklaren omtrent de inhoud van de gesprekken tussen [naam 2] en [naam 1]. Zij hebben daarover immers alleen informatie gehad van [naam 2], aan wie zij het voeren van die gesprekken hebben overgelaten. 8.3.
- De grief III betreft de waardering en weging van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen. Het hof zal deze grieven betrekken in de beoordeling van het thans door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs. De verklaring van [geïntimeerde] als getuige bij het hof is vrijwel gelijkluidend aan haar verklaring bij de rechtbank; zij geeft expliciet aan dat er in het restaurant [naam restaurant] overeenstemming is bereikt over een vast bedrag van f. 6.000,- per kwartaal onder voorbehoud van goedkeuring van [appellante], en dat zij daar destijds aantekeningen van heeft gemaakt. De afspraak tussen [naam 2] (namens [appellante]) en [naam 1] omtrent f. 6.000,- per kwartaal wordt door [naam 3] bevestigd, die thans verklaart dit niet alleen van [naam 2] te hebben gehoord, maar ook van [naam 1] zelf, terwijl [naam 2] hem nadien nogmaals heeft bevestigd dat de afspraken met [naam 1] rond waren. [naam 2] blijft bij zijn verklaring zoals in eerste aanleg afgelegd. Het hof oordeelt de verklaring van [geïntimeerde] nu wel voldoende gesteund door die van [naam 3], waarin deze immers thans verklaart ook zelf van [naam 1] te hebben vernomen dat er een fee van fl. 6.000,- per kwartaal is afgesproken. Het hof oordeelt het feit dat [naam 3] betrokken is geweest bij Combiline, mede gelet op de uitleg die daarover is gegeven door de getuigen [geïntimeerde] en [naam 3], geen reden om aan de geloofwaardigheid van de verklaring die [naam 3] in deze zaak heeft afgelegd, te twijfelen. Evenmin oordeelt het hof het feit dat er een geschil bestond tussen [naam 2] en [appellante] en dat [naam 2] uit dien hoofde een bedrag aan [appellante] dient te betalen, reden om aan de verklaringen van [naam 2] te twijfelen, mede gelet op diens ontkenning enig belang te hebben bij de uitkomst van deze procedure. Grief III faalt derhalve eveneens. De verklaring die [naam 4] als getuige aflegt verschilt op substantiële punten van zijn verklaring in eerste aanleg: [naam 4] verklaarde in eerste aanleg dat hij aan [naam 2] heeft medegedeeld dat [naam 5] en hij bereid waren tot betaling van een eenmalige vergoeding van f. 6.000,- exclusief btw en dat "nadat" hij dat gesprek met [naam 2] had gevoerd, [naam 2] terug kwam met een getekende opdracht van PON. Hieruit volgt dat volgens [naam 4] deze afspraak met [naam 2] is gemaakt voordat [naam 2] in dienst trad bij PON. Thans in hoger beroep verklaart hij dat nadat [naam 2] bij PON was gestart, hij een e-mail kreeg van [naam 2] met een voorstel over de fee, en dat hij akkoord ging mits deze beperkt werd tot een bedrag gerekend over 6 maanden. Die e-mail is door hem aan het hof overgelegd ter gelegenheid van de enquête en is aan het proces-verbaal gehecht. [naam 5] verklaart eveneens dat pas nadat [naam 2] bij PON aan de slag was, [naam 2] met het verhaal kwam dat zijn relatie voor de bemiddeling een fee wenste, en dat [naam 2] daarover een voorstel per e-mail heeft gedaan. Aan de verklaringen die [naam 4] en [naam 5] in eerste aanleg hebben afgelegd, inhoudende dat vooraf een vaste limiet van fl. 6.000,- zou zijn genoemd door [naam 4] aan [naam 2] - waarmee nog niet gezegd is dat [naam 2] dit ook zo is overeengekomen met [naam 1] - wordt afbreuk gedaan door de daarmee in strijd zijnde verklaring in hoger beroep, dat er pas veel later door [naam 2] zou zijn gemeld dat [naam 1] een fee wenste. Uit de e-mail van [naam 2] die is overgelegd blijkt slechts een voorstel van [naam 2] aan [naam 4] om aan [naam 1] 4% over diens omzet bij PON te betalen, waarbij hij berekent dat dit over twee periodes neerkomt op f. 6.480,-. Uit de e-mail blijkt niet hoe het voorstel van [naam 4] aan [naam 5] om de fee tot een periode van 6 maanden te beperken, is gecommuniceerd met [naam 2]. Met name blijkt noch uit deze e-mail, noch uit de - niet consistente - verklaringen van [naam 4] en [naam 5] wat [naam 2] mogelijk voordien namens [appellante] heeft afgesproken met [naam 1]. Voorts schreef [naam 5] op 27 september 2001 aan [geïntimeerde] dat de bemiddelingskosten slechts voor een periode van drie maanden zouden gelden, wat ook weer niet overeenkomt met hetgeen [naam 4] en [naam 5] als getuigen in hoger beroep verklaren. Dit alles doet ernstig afbreuk aan het tegenbewijs. Al met al oordeelt het hof dan ook dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat er een fee van f. 6.000,- per kwartaal is overeengekomen tussen [naam 2] en [naam 1]. Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. 8.3.
- [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerde].
- De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 755,- aan verschotten en E. 2.592,- aan salaris procureur; Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 oktober 2006.