RD 29 november 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R200601034 & R200601035 GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep met nummers R200601034 en R200601035 van: [Vader], en [Moeder], beide wonende te [woonplaats], appellanten, hierna te noemen: vader en moeder, de ouders, procureur mr. J.M. Jonkergouw, t e g e n Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, geïntimeerde, hierna te noemen: de stichting. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 6 juni 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 september 2006, hebben ouders verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [X] onmiddellijk zal worden opgeheven. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2006, heeft de stichting verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. Van Ek; - de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw Van Kessel en mevrouw Kuiper. Hoewel behoorlijk opgeroepen is namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, niemand verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift en verweerschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 juni 2006; - de brief van de procureur van de ouders d.d. 18 september 2006 met bijlagen; - de brief van de stichting d.d. 27 oktober 2006 met bijlagen; - de brief van de advocaat van de ouders d.d. 1 november 2006. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Uit de relatie van de ouders zijn de volgende minderjarigen geboren: - [X], hierna te noemen: [naam X], op [geboortejaar] te [geboorteplaats] (Hongarije); - [Y], hierna te noemen: (naam Y], op [geboortejaar] te [geboorteplaats]. Vader heeft [X] en [Y] erkend. Het gezag over de minderjarigen berust bij de moeder. Het onderhavige beroep heeft uitsluitend betrekking op [X]. 4.2. Bij beschikking van 4 mei 2004 van de rechtbank Maastricht is [X] ondertoezicht gesteld van de stichting. Bij beschikking van 17 juni 2005 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op verzoek van de stichting is bij beschikking van 27 april 2006 zowel de termijn van deze machtiging tot uithuisplaatsing als de termijn van de ondertoezicht-stelling voorlopig verlengd tot 8 juni 2006 . Bij beschikking waarvan beroep is de termijn waarvoor [X] onder toezicht is gesteld verlengd met ingang van 8 juni 2006 tot en met 5 februari 2007 en is tevens de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 8 juni 2006 tot en met 5 februari 2007. De rechtbank overwoog daartoe onder meer dat [X] zich gehecht heeft aan zijn pleegouders en dat de kans zeer wel aanwezig is dat hij schade zal oplopen als hij het pleeggezin zal moeten verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de onzekerheid waarin [X] komt te verkeren schadelijk voor hem is. De situatie in Hongarije is voor de ouders en de kinderen alleszins niet duidelijk en gelet op de ervaringen met de moeder in het verleden is het niet zeker dat zij in Hongarije blijft wonen. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat het niet in het belang van [X] is als hij in deze onzekere situatie komt te verkeren. De kinderrechter is bovendien van oordeel dat het thans nog niet in het belang van [X] is dat hij weer door de moeder verzorgd en opgevoed zal worden. De kinderrechter heeft er tenslotte op gewezen dat ten aanzien van [Y] bij beschikking van 27 januari 2006 de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn verlengd, tegen welke beschikking geen hoger beroep is ingesteld. De kinderrechter acht het ongewenst dat één kind in Hongarije zal verblijven en één in Nederland. De ouders kunnen zich niet verenigen met de beschikking waarvan beroep en komen daarvan in beroep. 4.3. De ouders voeren het volgende aan. 4.3.1. In hun beroepschrift geven de ouders aan dat zij door de ontstane situatie tussen de wal en het schip vallen. In Nederland kunnen de ouders geen bestaan opbouwen vanwege hun illegaliteit, terwijl een stabiel bestaan een voorwaarde is voor terugkeer van [X] naar huis. Een terugkeer echter naar Hongarije met de kinderen, waar de ouders wel perspectief hebben op werk, woonruimte en een sociaal netwerk, is onmogelijk zonder de papieren van de kinderen, die als gevolg van de uithuisplaatsing in het bezit van de stichting zijn. De ouders geven aan niet zonder hun kinderen naar Hongarije te willen terugkeren. 4.3.2. Het door de kinderrechter geschetste probleem dat bij het vertrek van ouders met [X] naar Hongarije, [Y] in Nederland zal blijven, wordt volgens de ouders opgelost doordat zij bij beëindiging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [X], onmiddellijk om opheffing van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van [Y] zullen verzoeken. 4.3.3. De door de kinderrechter genoemde hechting van [X] aan zijn pleegouders, behoort volgens de ouders niet in de weg te staan aan een thuisplaatsing. Indien een dergelijke redenering wel zou opgaan, zou dit betekenen dat een eenmaal geëffectueerde uithuisplaatsing nimmer ongedaan zou kunnen worden gemaakt, terwijl, zo stellen de ouders, opvoeding door en verblijf bij de eigen ouders ten allen tijde het uitgangspunt dient te zijn. 4.4. De stichting voert het volgende aan. 4.4.1. In haar verweerschrift stelt de stichting dat het met het oog op de geschiedenis en de huidige situatie van de ouders zeer onwaarschijnlijk is dat zij binnen afzienbare tijd een stabiele thuissituatie kunnen creëren waarbinnen zij de kinderen een leeftijdsadequate opvoeding kunnen bieden. Zowel in Nederland als in Hongarije is de situatie van de ouders onvoorspelbaar en instabiel te noemen, aldus de stichting. Volgens de stichting staan de ouders erg wisselend tegenover de hulpverlening met betrekking tot de kinderen. 4.4.2. Ter zitting stelt de stichting dat de kinderen sinds juni 2005 samen verblijven in een pleeggezin, alwaar zij zich goed ontwikkelen en hechten. Hun ontwikkelingsachterstanden hebben zij inmiddels ingelopen. 4.4.3. Indien de ouders met de kinderen naar Hongarije vertrekken, komen zij daar op basis van een beschikking van de Hongaarse rechter (voorlopig) in een kindertehuis terecht, waarna niet duidelijk is waar ze geplaatst zullen worden. In Nederland ligt de toekomst voor [X] volgens de stichting bij een perspectiefbiedend pleeggezin, waar hij en [Y] binnen nu en 3 maanden geplaatst zullen worden. 4.5. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof het volgende. 4.5.1. Het hof is van oordeel dat ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de gronden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [X] aanwezig waren gelet op enerzijds de weinig stabiele leefsituatie van de ouders en anderzijds het hechtingsproces van [X] in het pleeggezin. Het hof dient echter tevens te bezien of en in hoeverre thans de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Vooropgesteld moet worden dat hier sprake is van een bijzondere situatie, te weten het feit dat de moeder, die het gezag heeft, de Hongaarse nationaliteit heeft, evenals de kinderen, terwijl de vader, die de kinderen heeft erkend, de Armeense nationaliteit heeft en dat allen illegaal in Nederland verblijven. De stichting is voornemens voor de kinderen een verblijfsvergunning aan te vragen, doch de moeder weigert daaraan mee te werken; zij wenst met de vader en de kinderen terug te keren naar Hongarije. De ouders geven aan in Hongarije te willen trouwen en perspectief te hebben met betrekking tot werk, woonruimte en een sociaal netwerk. Zij wensen niet zonder de kinderen te vertrekken. Gelet op hun illegale status zijn de ouders thans niet in staat in Nederland te voldoen aan de eisen van een stabiele woon- en inkomenssituatie. Als grond voor de beslissing tot verlenging van de uithuisplaatsing overwoog de rechtbank tevens dat [X] zich gehecht heeft aan zijn pleegouders en dat de kans zeer wel aanwezig is dat hij schade zal oplopen als hij het pleeggezin zal moeten verlaten. Ter zitting is het hof echter gebleken dat de stichting voornemens is zowel [X] als zijn broertje [Y] binnen nu en drie maanden over te plaatsen naar een perspectief biedend pleeggezin, met de bedoeling dat de kinderen zich daar hechten en daar verder opgroeien. Het is niet de bedoeling van de stichting dat de kinderen in de toekomst bij hun ouders opgroeien. 4.5.2. Naar het hof begrijpt, bestaan op dit moment twee mogelijkheden voor de minderjarigen. Hoewel deze zaak uitsluitend [X] betreft, gelden de mogelijkheden ook voor [Y]. Vandaar dat gesproken wordt van minderjarigen. Deze mogelijkheden worden hieronder geschetst:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.