rekestnr. R200501086 BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, 18 april 2006, gegeven in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, verder te noemen: [X.], procureur: mr. R.J.S. Houtackers, tegen: [Y.], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, verder te noemen: [Y.], procureur: mr. Ong S.G., op het hoger beroep tegen de door de recht-bank ’s-Herto-gen-bosch, sector kanton, locatie Eindhoven gegeven beschikking van 13 juli 2005 tussen [X.] als verweerster en [Y.] als verzoekster. 1. Het geding in eerste aanleg (zaak/EJverz. 400575/05-2691) Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van voormelde beschikking. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ter griffie van het hof binnengekomen op 12 oktober 2005, heeft [X.] vijf grieven aangevoerd en, kort gezegd, geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair, voor het geval het hof evenals de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, tot toekenning aan haar van een vergoeding, die overeenkomt met 21 keer het bruto maandsalaris vermeerderd met vakantiegeld en emolumenten ter suppletie van de door [X.] elders te ontvangen sociale verzekeringsuitkeringen danwel elders te ontvangen lagere salaris. 2.2. Bij verweerschrift, ter griffie van het hof binnengekomen op 5 december 2005, heeft [Y.] de grieven bestre-den en verzocht [X.] niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het verzochte in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van [X.] in de kosten van de procedure in beide instanties. 2.3. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsge-von-den op 15 februari 2006. Verschenen zijn enerzijds [X.], bijgestaan door haar advocaat mr. R.J.S. Houtackers en anderzijds de heer A.P.J.M. Zweegers en mevrouw M.E. Zweegers (respectievelijk directeur en medewerker P&O) voor [Y.], bijgestaan door haar advocaat mr. Ong S.G. 2.4. De voorzitter heeft partijen voorgehouden over welke processtukken het hof in deze zaak beschikt. Beide raadslieden hebben de standpunten van partijen vervolgens nader toegelicht. 2.5. Het hof heeft de uitspraak bepaald op heden. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de gronden, de grieven en de toelichting daarop ver-wijst het hof naar het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. 4.1.1. Bij inleidend verzoekschrift van 13 mei 2005 heeft [Y.] verzocht de arbeidsovereenkomst met [X.] te ontbinden op grond van gewichtige redenen. 4.1.2. In het verweerschrift heeft [X.] primair verzocht – met een beroep op het in art. 7:670 lid 1 BW neergelegde opzegverbod - het verzoek tot ontbinding af te wijzen. Ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, heeft [X.] subsidiair verzocht om toekenning aan haar ten laste van [Y.] een vergoeding van 21 keer het bruto maandsalaris, vermeerderd met vakantietoeslag en emolumenten. 4.1.3. De mondelinge behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 21 juni 2005. De kantonrechter heeft partijen na gevoerd debat in de gelegenheid gesteld om alsnog (na de mondelinge behandeling van de zaak) met elkaar tot overeenstemming te komen. 4.1.4. Bij brief van 28 juni 2005 heeft [X.] daarop aan de kantonrechter laten weten dat zij de functie van receptioniste onvoorwaardelijk heeft aanvaard (van 09.30 uur tot 14.30 uur), zodat het belang van [Y.] bij de ontbinding is komen te ontvallen. [Y.] heeft een afschrift van deze brief ontvangen en zij heeft daarop tegenover de kantonrechter eveneens bij brief van 28 juni 2005 gereageerd. In deze reactie heeft [Y.] aangegeven dat zij weinig vertrouwen heeft in een verdere vruchtbare samenwerking met [X.] en dat zij het in dat licht weinig zinvol acht dat de arbeidsrelatie tussen partijen in stand blijft. [X.] heeft een afschrift van deze brief ontvangen en zij heeft daarop bij brief van 29 juni 2005 gereageerd. In deze brief aan de kantonrechter (met afschrift aan de wederpartij) heeft [X.] haar verzet tegen de verzochte ontbinding gehandhaafd. 4.1.5. Bij beschikking van 13 juli 2005 heeft de kantonrechter het primaire verweer van [X.] verworpen op grond van de volgende overweging: “ [X.] heeft zich allereerst beroepen op het ontslagverbod tijdens ziekte. Het verzoek van [Y.] is evenwel gegrond op het niet voldoen van [X.] aan haar verplichtingen tot reïntegratie en het verbod van art. 7:670, lid 1 BW staat niet in de weg aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grond. Bovendien blijkt (mede) uit het laatste schrijven van mr. Ong dat sprake is van een vertrouwensbreuk. Ook in dat geval behoeft het wettelijk opzegverbod tijdens ziekte niet aan een ontbinding in de weg te staan.(…)” De kantonrechter heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 15 augustus 2005 op grond van gewichtige redenen, bestaande uit een niet te herstellen vertrouwensbreuk. Hij heeft daarbij aan [X.] een vergoeding toegekend van € 1.990,- bruto. Tegen deze beschikking komt [X.] thans op. De ontvankelijkheid 4.2.1. Ingevolge artikel 7:685 lid 11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat tegen de bestreden beschikking geen hoger beroep open. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet een uitzondering op dit appelverbod worden gemaakt en staat appel wel open, indien wordt aangevoerd dat de kantonrechter buiten het toepassingsge-bied van het artikel is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Het stellen van (één van) genoemde uitzonderingsgronden is voldoende voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. 4.2.2. Aangezien [X.] in het beroepschrift heeft gesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.