C0301404/HE en C0400281/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 17 oktober 2006, gewezen in de zaken van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, hierna te noemen: de man, procureur: mr. P.J. van den Hoogen, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, procureur: mr. A.A.M. van Exsel, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 december 2005 op het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 15 januari 1999, 24 december 1999, 21 juli 2000, 13 augustus 2003 en 31 december 2003 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde. 6. Het tussenarrest van 27 december 2005 Bij genoemd arrest heeft het hof een deskundigenbericht gelast. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken zoals in dat tussenarrest is vermeld en is iedere verdere beslissing aangehouden. 7. Het verdere verloop van de procedure in de beide zaken Naar aanleiding van het tussenarrest van 27 december 2005 heeft de vrouw een akte houdende bezwaar tegen vragen deskundigen, bepalen voorschot alsmede houdende wijziging van eis genomen. De advocaat van de man heeft op 20 januari 2006 een brief aan het hof gezonden. De vrouw heeft vervolgens een memorie na tussenarrest, tevens akte houdende wijziging van eis genomen en daarbij producties overgelegd. De man heeft een akte uitlating wijziging eis genomen, waarin hij bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van eis van de vrouw. Bij beslissing van de eerste enkelvoudige kamer van het hof d.d. 23 mei 2006 is het bezwaar van de man tegen de wijziging van eis ongegrond verklaard. De man heeft hierna een antwoordmemorie na tussenarrest met twee producties genomen. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 8. De verdere beoordeling van de zaken met de rolnummers C0301404 en C0400281, in principaal en incidenteel appel 8.1. In de akte en in de memorie die de vrouw na het tussenarrest heeft genomen, voert zij aan dat er sprake is van een aantal wijzigingen van omstandigheden, welke wijzigingen niet alleen gevolgen hebben voor de verdeling van de gemeenschap maar ook voor het deskundigenonderzoek dat door het hof is gelast. Volgens de vrouw dienen zowel de vraagstelling als het voorschot op de kosten te worden aangepast. Het gaat om de volgende wijzigingen: - de varkensrechten die in 1998 aan de man zijn toegekend op basis van de Wet herstructurering varkenshouderij, welke varkensrechten volgens de vrouw behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap, zijn door de man in twee gedeelten, op respectievelijk 3 december 2003 en 5 november 2004 verkocht en overgedragen aan [A.], de zoon van partijen. - Onder de druk van een dreigende executoriale verkoop door de Rabobank, is de boerderij aan de [adres] te [woonplaats], samen met een deel van de agrarische grond, onderhands verkocht aan een derde en op 1 maart 2005 in eigendom overgedragen. In deze eigendomsoverdracht zijn betrokken: * de boerderij met schuren, erf en ondergrond aan de [adres] te [woonplaats], groot 89,50 aren, sectie K nummer 966; * de percelen grond sectie K, nummers 28, 585, en 586, tezamen groot 2.49.50 ha, alsmede het resterende deel van het perceel sectie K nummer 966, groot 3.57.95 ha. De verkoop opbrengst (voor aftrek van de schuld aan de Rabobank) bedroeg € 630.272,67. - Eind december 2005 zijn voorts percelen grond aan de [adres] verkocht aan de gemeente [gemeenteplaats]. Het gaat om de percelen sectie K nummers 95/98, in totaal groot 2.46.20 ha. De verkoopopbrengst bedroeg € 80.000,-. - Van het oorspronkelijk bedrijf resteren nog slechts het perceel gemeente [gemeenteplaats] sectie G nummer 705, groot 0.86.40 ha en het perceel gemeente [gemeenteplaats] sectie K nummers 546 en 547, in totaal groot 1.36.70 ha. 8.2. Uit de bruto verkoopopbrengst van de boerderij is de op dat moment bestaande schuld aan de Rabobank (hypothecaire lening en kredietfaciliteit) van € 551.054,10 voldaan. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de toename van de schuld aan de Rabobank ná de echtscheiding mogelijkerwijs niet alleen het gevolg is van een toename van de bedrijfsschulden, maar mede te maken heeft met privé-uitgaven van de man. Om die reden heeft zij bij wijze van vermeerdering van eis gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om aan haar toestemming te verlenen om alle relevante stukken bij de Rabobank [vestigingsplaatsen] in te zien en afschriften daarvan op te vragen. Een zelfde vordering was door haar reeds bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding ingesteld. Die vordering is door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij vonnis d.d. 23 januari 2006 toegewezen. De vrouw heeft bij wijze van vermeerdering van eis tevens gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de voornoemde schuld aan de Rabobank ad € 551.054,10 geheel ten last van de man dient te komen. 8.3. De vrouw heeft bij wijze van vermeerdering van eis voorts gevorderd dat de man, in verband met de hiervoor vermelde overdracht van varkensrechten aan [A.], zal worden veroordeeld inzage te verstrekken in alle stukken die betrekking hebben op de vervreemding van deze varkensrechten. Tevens vordert zij dat de man zal worden veroordeeld om de helft van de waarde van de varkensrechten, naar de vrije verkoopwaarde per datum verdeling, aan haar te voldoen. 8.4. De man heeft, via een brief van zijn advocaat d.d. 20 januari 2006, bezwaar gemaakt tegen de benoeming van de heer Schimmel als deskundige, omdat deze door de vrouw bij de verkoop van onroerende zaken als makelaar is ingeschakeld en niet langer als onpartijdig aangemerkt kan worden. Verder stelt ook de man zich op het standpunt dat de opdracht aan de deskundigen en de bepaling van het voorschot op de deskundigenkosten niet in stand kunnen blijven. 8.5. De door de vrouw beschreven wijzigingen van omstandigheden, te weten de verkoop van de varkensrechten, van de boerderij en van de cultuurgronden, worden door de man als juist erkend. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de varkensrechten niet in de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken. Volgens de man gaat het om rechten die bij de invoering van de Wet herstructurering varkenshouderij in 1998, dus na de ontbinding van het huwelijk, uitsluitend aan hem zijn toegekend. Voor wat betreft de schuld aan de Rabobank stelt hij dat de totale omvang betrekking heeft op bedrijfsschulden. 8.6. Het hof overweegt omtrent het voorgaande als volgt. Op grond van de gewijzigde omstandigheden zoals hiervoor beschreven, kan de beslissing in het tussenarrest van 27 december 2005 met betrekking tot het deskundigenonderzoek, niet in stand blijven. 8.7. In plaats van de deskundige Schimmel zal een andere deskundige worden benoemd. De benoeming van de deskundige Ruesink kan worden gehandhaafd. 8.8. De deskundigen dienen, in afwijking van hetgeen in het vorige tussenarrest is bepaald, antwoord te geven op de volgende vragen. 1) Wat is de huidige waarde in het economisch verkeer van de percelen gemeente [gemeenteplaats] sectie G nummer 705, groot 0.86.40 ha en gemeente [gemeenteplaats] sectie K nummers 546 en 547, totaal 1.36.70 ha? Het hof merkt hierbij op dat de agrarische waarde thans niet meer aan de orde is, gelet op de beëindiging van het agrarisch bedrijf. 2) Ten aanzien van de varkensrechten die tot het bedrijf hoorden en in 2003 respectievelijk 2004 zijn verkocht (in totaal 1047 varkensrechten) dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.