BELASTINGKAMER Nr. 05/00342 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden voorlopige aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2003 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamelinkomen van € 15.232,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een verzamelinkomen € 14.236,=. 1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 juni 2006 te Tilburg. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1. Op 28 februari 2004 heeft de Inspecteur de belanghebbende uitgenodigd een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 te doen. 2.2. Op 26 maart 2004 heeft de belanghebbende de aangifte ingediend bij de Inspecteur en hij heeft een verzamelinkomen aangegeven van € 14.236,=. 2.3. Met dagtekening 10 juni 2004 heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag opgelegd naar een verzamelinkomen van € 15.232,=. Dit verzamelinkomen wijkt af van de aangifte door een fout gemaakt door de eenheid Belastingdienst/Centrale Invoer te A van de rijksbelastingdienst, waarschijnlijk een intoetsfout of een fout bij het zogenoemde scannen. 2.4. Bij brief van 1 juli 2004 heeft de belanghebbende verzocht de voorlopige aanslag te verminderen tot het verzamelinkomen, zoals dat was aangegeven in de aangifte: € 14.236,=. 2.5. Bij brief van 17 augustus 2004 heeft de belanghebbende verzocht zijn in de brief van 1 juli 2004 vervatte verzoek af te handelen en een vergoeding voor de kosten van het bezwaar te verstrekken. 2.6. Bij een geschrift met opschrift 'kennisgeving' van 30 september 2004 heeft de Inspecteur de voorlopige aanslag verminderd naar een verzamelinkomen van € 14.236,=. 2.7. Bij brief van 2 november 2004 heeft de belanghebbende de Inspecteur verzocht het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar af te handelen. 2.8. Bij brief van 17 december 2004 heeft de Inspecteur bericht het verzoek niet in behandeling te nemen. 2.9. Bij brief van 2 januari 2005 heeft de belanghebbende de Inspecteur verzocht een voor beroep vatbare beslissing te zenden. 2.10. Bij brief van 26 januari 2005 bericht de Inspecteur aan de belanghebbende dat het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar niet in behandeling wordt genomen en dat geen voor bezwaar of beroep vatbare beschikking zal worden genomen. 2.11. Nadat de belanghebbende telefonisch contact had opgenomen met de Inspecteur en de belanghebbende heeft medegedeeld zijn verzoek tot kostenvergoeding in te dienen bij het ministerie van Financiën heeft de Inspecteur aan de belanghebbende een brief van 7 februari 2005 gestuurd met als onderwerp 'Afwijzing verzoek kostenvergoeding bestuurlijke voorprocedures'. In deze brief wijst de Inspecteur belanghebbendes verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar af. 2.12. Bij geschrift van 4 maart 2005, bij het Hof op 8 maart 2005 binnengekomen, komt de belanghebbende in beroep tegen de onder 2.11 vermelde afwijzing. 2.13. In de Nota van Toelichting op het Koninklijk Besluit van 25 februari 2002, Stb. 2002, 113, pagina 7 is, voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld: 'Deze wet schrijft een vergoedingsplicht voor in de gevallen waarin het bestreden besluit wegens onrechtmatigheid wordt herroepen en deze onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan is te wijten. (...) De bezwaarschriften gericht tegen een voorlopige aanslag op grond van artikel 13 van de Algemene wet rijksbelastingen behoren daar in beginsel niet toe. Voorlopige aanslagen voldoen niet aan het hiervoor genoemde vergoedingscriterium, zoals dat is vastgelegd in artikel 7:15, tweede lid, Awb. Voorlopige aanslagen zijn namelijk gebaseerd op schattingen omdat de grootte van de belastingschuld pas kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Indien een voorlopige aanslag wordt herroepen, na indiening van een bezwaarschrift, is er in beginsel geen sprake van onrechtmatigheid.'. 2.14. In de memorie van toelichting, Tweede Kamer, 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7, is, voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld: 'In alle gevallen is de vergoeding overigens beperkt tot de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep heeft moeten maken. Daarmee is, in aansluiting op het huidige artikel 8:75 en de jurisprudentie van de civiele kamer van de Hoge Raad (HR 17 november 1990, AB 1990, 81 (Velsen/De Waard), de zogenaamde "dubbele redelijkheidstoets" gecodificeerd: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. Aan dit vereiste is bijvoorbeeld niet voldaan, indien de bijstand van een belastingadviseur wordt ingeroepen om een evidente rekenfout in een belastingaanslag te herstellen. Het is immers algemeen bekend, dat een eenvoudig telefoontje naar de belastingdienst daartoe ook volstaat.'. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: I. Is de belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep? II. Indien vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Komt de belanghebbende op de voet van artikel 8:75, eerste lid juncto 7:15, tweede lid, van de Awb in aanmerking voor vergoeding van de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken (hierna: (de vergoeding van) de kosten van het bezwaar)? De belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is van oordeel, dat vraag I bevestigend en vraag II ontkennend moet worden beantwoord. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd: De belanghebbende - Er zijn verschillende uitspraken van Hoven, waaronder 19 juli 2005, BK 04/03680 en van 8 juni 2005. - Voor de kosten van het bezwaar wordt € 161,= geclaimd. Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief. - De aangifte is eveneens door de gemachtigde verzorgd. - Naar het oordeel van de belanghebbende streefde de rijksbelastingdienst ernaar de zaak in de prullenbak te laten verdwijnen. Pas nadat het ministerie van Financiën is gebeld met de mededeling, dat de Inspecteur niets wilde doen heeft deze een beslissing genomen. Bij die beslissing is niet vermeld waar in beroep kan worden gegaan. - Het eveneens bij de rechtbank Breda ingediende beroep is ingetrokken, nadat de rechtbank mij had medegedeeld dat het beroep moest worden ingediend in 's-Hertogenbosch. - De uitspraak van Uw Hof van 8 juli 2005, V-N 2005/49.3 is mij ook bekend. - De kennisgeving kan worden aangemerkt als de uitspraak op bezwaar. - De belanghebbende kan nauwelijks 20 meter lopen; zijn gezondheid laat zeer te wensen over. De Inspecteur - Het betreft hier een zaak van licht gewicht in de bezwaarfase. - De brief van 7 februari 2005 is niet een uitspraak op bezwaar, deze was reeds gedaan. De beslissing op een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar bij afzonderlijke brief gebeurt vaak. - De vermindering van de voorlopige aanslag had kunnen worden verkregen door middel van een telefoontje. De kosten zijn onnodig gemaakt. Indien de belanghebbende zelf niet kon bellen, had zijn gemachtigde kunnen volstaan met een telefoontje. - Het is juist, zoals Uw Hof mij voorhoudt, dat de belanghebbende zijn rechten alleen veilig kan stellen door een schriftelijk bezwaar. - De fout die door de rijksbelastingdienst is gemaakt is onzorgvuldig, maar niet ernstig onzorgvuldig en ook niet onrechtmatig. Er is geen plaats voor vergoeding van de kosten van het bezwaar. - Er bestond geen intentie de zaak te laten verdwijnen. Er is de hele tijd gecorrespondeerd. In de brief van 7 februari 2005 is vermeld dat beroep kan worden ingediend. - Het is juist, zoals Uw Hof mij voorhoudt, dat de zes weken-termijn toen reeds was verstreken. - Uw Hof wordt nadrukkelijk gevraagd zich erover uit te laten of de acties van de rijksbelastingdienst in de bezwaarfase ook tot een vergoeding aanleiding kunnen geven. Voor vergoeding komt naar het oordeel van de Inspecteur alleen in aanmerking de kosten in bezwaar, die een gevolg zijn van de onrechtmatigheid van de voorlopige aanslag. De kosten van bezwaar in verband met eventueel in de bezwaarfase begane onrechtmatigheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. 3.3. De belanghebbende concludeert - naar het Hof verstaat - tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de voorlopige aanslag tot één naar een verzamelinkomen van € 14.236,=, en tot vergoeding van de kosten van het bezwaar tot een bedrag van € 161,=. De Inspecteur concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vermindering van de voorlopige aanslag tot één naar een verzamelinkomen van € 14.236,= en tot vergoeding van de kosten van het bezwaar tot een bedrag van € 40,25. 4. Beoordeling van het geschil Vraag I 4.1. Met dagtekening 10 juni 2004 heeft de Inspecteur aan de belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd naar een verzamelinkomen van € 15.231,=. 4.2. Met dagtekening 30 september 2004 heeft de Inspecteur door middel van een geschrift met opschrift 'Kennisgeving. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen' gereageerd op de brieven van de belanghebbende van 1 juli 2004 en 17 augustus 2004, in welke brieven de belanghebbende zijn bezwaar heeft geuit dat de voorlopige aanslag te hoog was en diende te worden verminderd tot het in de aangifte aangegeven verzamelinkomen van € 14.236,=. Op vorenbedoelde kennisgeving (hierna: de kennisgeving) is, voor zover te dezen relevant, vermeld: 'U kunt tegen deze kennisgeving geen bezwaar maken en niet in beroep gaan. Wel kunt u een schriftelijk verzoek indienen bij uw belastingkantoor om het bedrag van de vermindering te wijzigen. Vermeld altijd de reden van uw verzoek en om welke kennisgeving het gaat.'. In de kennisgeving is het verzamelinkomen verminderd tot € 14.236,=. In de kennisgeving is niet beslist op belanghebbendes, in zijn brief van 17 augustus 2004 vervatte, verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar. 4.3. Bij brief van 2 november 2004 heeft de belanghebbende de Inspecteur verzocht het in de brief van 17 augustus 2004 vervatte verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar in behandeling te nemen. 4.4. Bij brief van 17 december 2004 heeft de Inspecteur gereageerd op de brief van 2 november 2004 van de belanghebbende. De inhoud van eerstvermelde brief luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt: 'Op 3 november 2004 heb ik uw brief ontvangen waarin u namens de heer X verzoekt om vergoeding van de kosten in verband met uw verzoek om afhandeling van het verzoek om vermindering van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2003 met aanslagnummer 000.00.000.H.30. Eén van de eisen om voor deze vergoeding in aanmerking te komen is dat er sprake dient te zijn van een bezwaarschrift dat gericht is tegen een besluit dat is genomen op of na 12 maart 2002. Uit zowel uw brief van 1 juli 2004 als uw brief van 17 augustus 2004 blijkt niet dat u bezwaar maakt, maar doet u een verzoek om vermindering van de voorlopige aanslag. Uw verzoek is dan ook als zodanig aangemerkt en inmiddels ingewilligd. Formeel is er in deze dus geen sprake van een bezwaar. Omdat aan uw verzoek om kostenvergoeding volgens bovenstaande geen bezwaar ten grondslag ligt, wordt uw verzoek niet in behandeling genomen en komt u niet in aanmerking voor de door u verzochte vergoeding.'. 4.5. Bij brief van 2 januari 2005 reageert de belanghebbende op de brief van de Inspecteur van 17 december 2004. De inhoud van de brief van de belanghebbende luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt: 'Uw bovenbedoelde brief heb ik ontvangen. Ik besprak de inhoud daarvan met belanghebbende. Deze stelt zich op het standpunt dat hij op de juiste wijze en tijdig zijn aangifte heeft gedaan. Door de belastingdienst is een fout gemaakt bij het opleggen van de voorlopige aanslag 2003. De voorlopige aanslag 2003 is in afwijking van zijn aangifte opgelegd. Naar aanleiding van de gevoerde correspondentie is de aanslag verminderd tot op het aangegeven bedrag. Belanghebbende heeft hiervoor kosten moeten maken en wenst dat deze kosten worden vergoed. Ik begrijp uit Uw brief dat U van mening bent dat belanghebbende niet voor een kostenvergoeding in aanmerking komt. Ik verzoek U dan ook mij een voor beroep vatbare beslissing te zenden.'. 4.6. De Inspecteur antwoordt op de brief van de belanghebbende van 2 januari 2005 bij brief van 26 januari 2005, voor zover te dezen relevant, als volgt: 'U meent uit mijn brief van 17 december 2004 te begrijpen dat ik van mening ben dat uw cliënt niet voor een kostenvergoeding in aanmerking komt. Dit is waarschijnlijk omdat de laatste alinea eindigt met de zinsnede "en komt u niet in aanmerking voor de door u verzochte vergoeding". Nu is het echter zo dat deze zinsnede het logische gevolg is van hetgeen daarvoor vermeld is, namelijk dat uw verzoek niet in behandeling wordt genomen omdat er formeel geen bezwaar aan ten grondslag ligt. Ik heb dus in geen geval een oordeel gegeven over het wel of niet in aanmerking komen voor een kostenvergoeding als ik Uw verzoek wel in behandeling had kunnen nemen. Voor de goede orde wil ik nog kwijt dat als ik uw verzoek wel in behandeling had genomen, u niet in aanmerking zou komen voor de kosten vergoeding, en wel om de volgende reden. Mei jl. heeft Hof Amsterdam in een uitspraak (Hof Amsterdam E IV, 6 mei 2004, 2003/04120) erop gewezen dat er in de Nota van Toelichting op het Besluit van 25 februari 2002, Stb. 2002, 113 vanuit gegaan wordt dat er bij herroeping van een voorlopige aanslag in beginsel geen sprake is van onrechtmatigheid. Volgens deze toelichting voldoen voorlopige aanslagen niet aan het vergoedingscriterium zoals dat is vastgelegd in artikel 7:15, tweede lid, AWB. Volgens het Hof kan een eventuele bij de voorlopige aanslagregeling gemaakte fout ook nog bij de definitieve aanslag hersteld worden. Hieruit volgt dan ook dat bezwaarschriften tegen voorlopige aanslagen in beginsel niet voor een vergoeding in aanmerking komen, zelfs niet als deze voorlopige aanslag in zijn geheel wordt herzien. Maar zoals ik u al medegedeeld heb kom ik aan dit stadium niet toe omdat het verzoek om kostenvergoeding om eerdergenoemde reden niet in behandeling genomen wordt. Daarom kan ik ook geen voor bezwaar of beroep vatbare beschikking afgeven en wijs ik u erop dat ook deze brief niet als zodanig aangemerkt kan worden. Dit is puur een reactie op uw brief van 2 januari 2005.'. 4.7. Nadat de belanghebbende telefonisch contact had opgenomen met de Inspecteur en de belanghebbende heeft medegedeeld zijn verzoek tot kostenvergoeding in te dienen bij het ministerie van Financiën heeft de Inspecteur aan de belanghebbende een brief van 7 februari 2005 gestuurd met als onderwerp 'Afwijzing verzoek kostenvergoeding bestuurlijke voorprocedures' en met, voor zover te dezen relevant, de volgende inhoud: 'Bij het indienen van uw bezwaar gericht tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2003, met dagtekening 10 juni 2004 en aanslagnummer 000.00.000.H.30 ten name van de heer X heeft u verzocht om een vergoeding van de kosten die u in verband met de behandeling van dit bezwaar heeft moeten maken. Om voor deze vergoeding in aanmerking te komen is het nodig dat het besluit waartegen het bezwaarschrift is gericht na bezwaar wordt herzien wegens een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid (art. 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) en zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk zijn. Mei jl. heeft Hof Amsterdam in een uitspraak (Hof Amsterdam E IV, 6 mei 2004, 2003/04120) erop gewezen dat er in de Nota van Toelichting op het Besluit van 25 februari 2002, Stb. 2002, 113 vanuit gegaan wordt dat er bij herroeping van een voorlopige aanslag in beginsel geen sprake is van onrechtmatigheid. Volgens deze toelichting voldoen voorlopige aanslagen niet aan het vergoedingscriterium zoals dat is vastgelegd in artikel 7:15, tweede lid, AWB. Volgens het Hof kan een eventuele bij de voorlopige aanslagregeling gemaakte fout ook nog bij de definitieve aanslag hersteld worden. Hieruit volgt dan ook dat bezwaarschriften tegen voorlopige aanslagen in beginsel niet voor een vergoeding in aanmerking komen, zelfs niet als deze voorlopige aanslag in zijn geheel wordt herzien. December jl. heeft hetzelfde Hof in de uitspraak Hof Amsterdam E III, 22 december 2004, 2004/01049 eerdergenoemde uitspraak van mei jl. met betrekking tot het wel of niet sprake zijn van een onrechtmatigheid bij het herroepen van een voorlopige aanslag weer bestreden. Van enige uniformiteit is in deze dus niet echt sprake. In het geval van belanghebbende is door de belastingdienst een intoetsfout gemaakt. Los van de discussie of hier sprake is van een onrechtmatigheid onzerzijds ben ik van mening dat deze onjuistheid voor belanghebbende direct kenbaar was, zodat belanghebbende mijn inziens niet in redelijkheid tot de beslissing had hoeven komen kosten voor professionele rechtsbijstand te maken. Ook belastingplichtige had redelijkerwijs zelf kunnen constateren dat bij het vaststellen van de aanslag uitgegaan is van een onjuist box 3 inkomen en hierop kunnen reageren, hetzij telefonisch hetzij door zelf een bezwaar in te dienen. Hoe dit te doen staat als toelichting op het voorlopige aanslagbiljet. Kortom, het inschakelen van professionele rechtsbijstand was mijn inziens nog niet onvermijdelijk, met als gevolg dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten. De beslissing op uw verzoek om vergoeding van kosten in de bestuurlijke voorprocedure vormt een onderdeel van de uitspraak op uw bezwaar tegen bovengenoemd besluit. Indien u het met deze beslissing niet eens bent kunt u binnen zes weken na dagtekening van de beslissing op het bezwaarschrift een beroepschrift indienen bij het gerechtshof dat op de uitspraak op het bezwaarschrift is vermeld. De dagtekening van de beslissing op het bezwaarschrift is bepalend voor de beroepstermijn als genoemd in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.'. 4.8. De Inspecteur heeft in het verweerschrift betoogd, dat de onder 4.2 vermelde brief van 1 juli 2004 dient te worden aangemerkt als een bezwaar tegen de voorlopige aanslag, dat de kennisgeving d.d. 30 september 2004 dient te worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar en dat het beroepschrift, door het Hof ontvangen op 8 maart 2005, in beginsel te laat is ingediend. Gelet evenwel op de op 7 februari 2005 verzonden brief is de Inspecteur van oordeel, dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 4.9. Naar het oordeel van het Hof kan de onder 4.2 vermelde brief van 1 juli 2004, gelet op de inhoud daarvan, niet anders dan als een bezwaar tegen de voorlopige aanslag worden aangemerkt. 4.10. Vervolgens heeft het Hof te beoordelen of de belanghebbende tijdig in beroep is gekomen. 4.11. De Inspecteur heeft gesteld, dat de onder 4.7 vermelde brief van 7 februari 2005 niet als uitspraak op bezwaar kan worden aangemerkt, omdat de beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding geacht wordt onderdeel uit te maken van de uitspraak op bezwaar. 4.12. Het Hof dient in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep derhalve allereerst de vraag te beantwoorden of de Inspecteur op het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar kan beslissen bij voor beroep vatbare uitspraak als bedoeld in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de voor het jaar 2004 geldende tekst; hierna: AWR), in die zin dat hij deze beslissing niet vervat in de uitspraak op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag, maar dat hij deze beslissing neerlegt in de vorm van een separate voor beroep vatbare uitspraak. 4.13. Gelet op artikel 23 van de AWR is slechts bezwaar mogelijk tegen een belastingaanslag (zoals nader gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, aanhef, derde lid, onderdeel e van de AWR) en tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking. Op een ingevolge artikel 23 van de AWR ingediend bezwaar beslist de Inspecteur bij uitspraak (artikel 25 van de AWR). Ingevolge artikel 26 van de AWR staat tegen een uitspraak beroep open bij het gerechtshof. 4.14. De tweede volzin van het derde lid van artikel 7:15 van de Awb luidt als volgt: 'Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.'. 4.15. Gelet op het in het belastingrecht gesloten stelsel van rechtsmiddelen, zoals weergegeven onder 4.13, is het Hof van oordeel, dat de hierboven onder 4.14 geciteerde zinsnede, niet anders kan worden uitgelegd dan dat een inspecteur zijn beslissing inzake een verzoek om vergoeding van de kosten van een bezwaar tegen een belastingaanslag of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking dient te vervatten in de voor beroep vatbare uitspraak op vorenbedoeld bezwaar. 4.16. Hierbij overweegt het Hof, dat in de Awb noch in de AWR noch in enig andere bepaling van de belastingwet, de beslissing van een inspecteur inzake een verzoek om vergoeding van de kosten van een bezwaar wordt gekarakteriseerd als een uitspraak, waartegen ingevolge artikel 26 van de AWR beroep bij het gerechtshof open zou staan. 4.17. Voorts geldt, dat het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar gegeven de aard van het verzoek eerst kan worden gedaan nadat een inspecteur een belastingaanslag heeft opgelegd of ingevolge enige bepaling van de belastingwet een voor bezwaar vatbare beschikking heeft genomen en een belanghebbende daartegen op voet van artikel 23 van de AWR bezwaar heeft aangetekend. Vorenbedoeld verzoek hangt naar het oordeel van het Hof zozeer samen met het doen van een uitspraak op een bezwaar tegen een belastingaanslag of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt artikel 7:15, derde lid, tweede volzin van de Awb zo uit te leggen, zoals het Hof hiervoor heeft gedaan. 4.18. Uit het overwogene onder 4.11 tot en met 4.17 volgt, dat de door de Inspecteur verdedigde stelling, dat de brief van 7 februari 2005 geen uitspraak op bezwaar vormt, juist is. Mitsdien kan het beroep niet ontvankelijk worden geacht op de grond, dat het tijdig zou zijn ingediend tegen de brief van 7 februari 2005. 4.19. Partijen beschouwen de kennisgeving als de uitspraak op bezwaar. Partijen zijn het er derhalve kennelijk over eens, dat de kennisgeving als uitspraak op bezwaar dient te worden aangemerkt, ondanks dat deze zich niet als zodanig aandient, nu deze is aangeduid met het opschrift 'kennisgeving' en voorts een rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb ontbreekt en - sterker - uitdrukkelijk wordt vermeld dat tegen de kennisgeving (geen bezwaar kan worden gemaakt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.