typ. JD rolnr. C0500678/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 9 januari 2007, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [APPELLANTE], gevestigd te [plaats], appellante bij exploot van dagvaarding van 29 april 2005, geïntimeerde in het incidenteel appel, verder te noemen [appellante], procureur: mr. J.J. Geuze, tegen: 1. de vennootschap onder firma [GEÏNTIMEERDE SUB 1] gevestigd te [plaats], alsmede haar vennoten: 2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2], wonende te [plaats], 3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3], wonende te [plaats], geïntimeerden bij gemeld exploot, appellanten in het incidenteel appel, verder te noemen [geïntimeerde] (enkelvoud), procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, onder zaaknummer 306037/CV/04-2601 gewezen vonnis van 23 maart 2005 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief en één voorwaardelijke grief aangevoerd en geconcludeerd dat het het hof behage om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis waarvan beroep met, primair, ontbinding althans ontbondenverklaring van de huurovereenkomst en de franchise-overeenkomst tussen [appellante] als verhuurder en franchise-gever en [geïntimeerde] als huurder en franchise-nemer, althans, subsidiair, tot vernietiging van het bestreden vonnis voorzover daarbij de franchise-overeenkomst werd ontbonden, met bekrachtiging van het vonnis a quo voor het overige, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. In incidenteel appel met producties heeft [geïntimeerde] vier grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het vonnis a quo zal vernietigen voorzover [geïntimeerde] daarin tot betaling van achterstallige franchise-termijnen werd veroordeeld en om, opnieuw rechtdoende - al dan niet onder aanvulling van gronden - alsnog de vorderingen van [appellante] tot betaling van achterstallige franchise-vergoedingen af te wijzen. [geïntimeerde] heeft voorts geconcludeerd tot veroordeling van [appellante] tot betaling van de kosten in het principaal en in het incidenteel appel, die van de procedure in eerste aanleg daaronder begrepen. 2.3. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellante] de grieven in het incidenteel appel bestreden en geconcludeerd dat het het hof behage om bij vonnis, voorzover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] in het incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel diens vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties. 2.4. [geïntimeerde] heeft een akte genomen; [appellante] een antwoordakte. 2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memories van grieven in het principaal en in het incidenteel appel. 4. De beoordeling Het gaat in deze zaak om het volgende: 4.1. Tegen de vaststelling van de feiten zoals in het vonnis a quo door de kantonrechter onder ro 4, a t/m g geformuleerd is geen grief gericht, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. 4.2. Kern van het geschil in het principaal appel is de vraag of de tussen partijen gesloten huurovereenkomst dermate onlosmakelijk met de per dezelfde datum tussen partijen gesloten franchise-overeenkomst is verbonden dat een tekortkoming in de nakoming van de franchise-overeenkomst moet leiden tot ontbinding van de franchise-overeenkomst èn de huurovereenkomst, of alleen tot ontbinding van de franchise-overeenkomst. 4.3. Vooraleer het hof aan beoordeling van die kernvraag toe kan komen dient het hof zich uit te spreken omtrent het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het principaal appel gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellante]. 4.4. [geïntimeerde] grondt zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellante] op een als productie 1 bij de memorie van antwoord overgelegde brief van [appellante] aan de inkoopcombinatie Intres, waaruit volgens [geïntimeerde] zou blijken dat [appellante] in het vonnis van de kantonrechter zou hebben berust. 4.5. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De omstandigheid dat [appellante] klaarblijkelijk vrijwillig aan het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de kantonrechter heeft voldaan ontneemt haar niet het recht om tegen dit vonnis op te komen, nu de enkele voldoening aan deze uitspraak geen berusting oplevert (HR 8 februari 1991, NJ 1992,98 alsmede HR 19 februari 1999, NJ 1999, 367). Nu [appellante] bovendien tijdig in beroep is gegaan, kan zij in dit beroep worden ontvangen. 4.6. De eerste door [appellante] in het principaal appel aangevoerde grief strekt ten betoge dat de kantonrechter, gegeven de tekortkoming in de nakoming onder de franchise-overeenkomst, de huurovereenkomst had moeten ontbinden, gelet op de samenhang tussen de franchise-overeenkomst en de huurovereenkomst. 4.7. Het hof overweegt terzake als volgt. Ook al is een franchise-relatie als de onderhavige denkbaar zonder koppeling aan een huurovereenkomst, in het onderhavige geval is de huurovereenkomst, middels de als productie 3 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde allonge duidelijk en uitdrukkelijk aan de franchise-overeenkomst gekoppeld. Dat tegen deze koppeling ooit is geprotesteerd is gesteld noch gebleken. Evenmin is het hof gebleken dat [geïntimeerde] door deze koppeling beroofd is van essentiële elementen van de bescherming die hem als huurder van winkelbedrijfsruimte toekomt: als hij aan de verplichtingen uit de franchise-overeenkomst voldoet, welke verplichtingen [appellante] in de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde allonge bij de franchise-overeenkomst tot onderdeel van de huurovereenkomst heeft gemaakt, geniet hij volle huurbescherming, terwijl ook het recht om te eniger tijd indeplaatsstelling te vragen niet op enigerlei wijze is aangetast. 4.8. Op grond van deze overwegingen komt het hof tot de conclusie dat de franchise-overeenkomst zodanig met de huurovereenkomst is verbonden, dat tekortkoming in de nakoming onder de franchise-overeenkomst tevens tekortkoming in de nakoming onder de huurovereenkomst oplevert. In zoverre treft de grief doel. 4.9. Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of in casu inderdaad van een tekortkoming in de nakoming onder de franchise-overeenkomst kan worden gesproken welke tot ontbinding van beide overeenkomsten moet leiden. Terzake heeft de kantonrechter in het vonnis a quo overwogen dat onweersproken vaststaat dat sprake is van een achterstand in de betaling van de overeengekomen franchise vergoeding ter grootte van E. 15.232,34. Dit standpunt is door [geïntimeerde], in eerste aanleg en in appel, gemotiveerd bestreden. 4.10. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 11 van de tussen partijen geldende franchise-overeenkomst met zich mee brengt dat [geïntimeerde] over niet bij of via [appellante] ingekochte goederen geen 5% franchise-fee verschuldigd is, nu de tekst alleen gewaagt van een dergelijke fee waar het de van of via [appellante] gekochte goederen betreft. 4.11. Het hof stelt vast dat onbestreden is dat de op basis van de franchise-overeenkomst in rekening gebrachte franchise-fees, na sinds 1996 steeds te zijn betaald, eerst over alle vier de kwartalen van 2003 alsmede over het eerste kwartaal van 2004 onbetaald zijn gebleven. Een redelijke uitleg van de overeenkomst, in het bijzonder van het genoemde artikel 11, overeenkomstig de door de Hoge Raad aangelegde criteria (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) brengt, gelet op de aard van de franchise-overeenkomst en mede gelet op het feit dat [geïntimeerde] zelf de uitleg van [appellante] vele jaren klaarblijkelijk als de juiste uitleg daarvan heeft beschouwd, met zich mee dat [appellante] redelijkerwijs van [geïntimeerde] mocht verwachten dat [geïntimeerde] (ook) over hetgeen door hem buiten [appellante] om werd ingekocht, een franchise-vergoeding van 5% over het inkoopbedrag aan [appellante] voldoet. Het voorgaande brengt mee dat de eerste grief in het incidenteel appel faalt. Voor honorering van het bewijsaanbod van [geïntimeerde] bestaat - in het licht van het voorgaande - geen grond. 4.12. Voorts heeft [geïntimeerde] zich, in eerste aanleg en in appel, beroepen op tekortkoming in de nakoming van de franchise-overeenkomst aan de zijde van [appellante]. Die tekortkoming zou bestaan in, kort gezegd, de door [appellante] gedoogde verwatering van de uniformiteit van de [appellante]-winkel en van de steeds toenemende eigen weg die de franchise-nemers, waaronder [geïntimeerde], zijn ingeslagen, het feit dat [appellante] niet meer voor de franchise-nemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.