typ. MT rolnr. C0400980/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, vierde kamer, van 22 mei 2007, gewezen in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BALLAST NEDAM BOUW B.V., gevestigd te Nieuwegein, appellante bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2004, procureur: mr. J.E. Lenglet, tegen: de openbare rechtspersoon GEMEENTE EINDHOVEN, zetelend te Eindhoven, geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 7 april 2004 in de vrijwaringsprocedure tussen appellante - Ballast Nedam - en [bedrijf 1] als gedaagden en geïntimeerde - de gemeente - als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 84201/HA ZA 02-1447) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het incidentele vonnis van 14 mei 2003. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft Ballast Nedam 9 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de gemeente. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft de gemeente 2 producties overgelegd en de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Met de grieven wordt het geschil nagenoeg in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal in het navolgende op de afzonderlijke grieven ingaan. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. Op 21 oktober 1998 heeft de gemeente aan [bedrijf 1], een projectontwikkelaar, verder te noemen [bedrijf 1], opdracht gegeven voor de bouw van het cultureel centrum Blixembosch te Eindhoven (prod. 1 cve). Het betrof een zogenaamde "turnkey"-opdracht, hetgeen inhoudt dat het gebouw "sleutelklaar" zou worden opgeleverd aan de gemeente. [bedrijf 1] heeft vervolgens voor de bouw van dit centrum een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met Ballast Nedam, een aannemer. Het project diende te worden opgeleverd op 1 augustus 2000. Wegens vertraging in de bouw werd deze opleverdatum niet gehaald. 4.1.1. Van dit cultureel centrum maakt een gymnastiekzaal deel uit. Deze zaal was met ingang van het nieuwe schooljaar 2000/2001 verhuurd aan de basisscholen De Boschuil en De Vuurvlinder voor respectievelijk 36 en 9 uur per week. Omdat het centrum bij het begin van het schooljaar nog niet gereed was, moest voor deze scholen een oplossing worden gezocht voor de gymlessen. Deze oplossing bestond hierin dat de leerlingen van De Boschuil de eerste 2 weken buiten zouden gymmen, terwijl voor De Vuurvlinder een alternatieve locatie werd gevonden, waarbij [bedrijf 1] de extra kosten voor het vervoer voor haar rekening nam. In de bouwvergadering van 15 september 2000, waarbij onder meer [bedrijf 1] in de persoon van [persoon 1], Ballast Nedam in de persoon van [persoon 2] en de gemeente in de persoon van [persoon 3] vertegenwoordigd waren, is besloten dat de gymzaal op 18 september 2000 in gebruik zou worden genomen, ondanks het feit dat de bouw van het centrum nog niet gereed was. 4.1.2. Op 26 oktober 2000 is een leerling van De Vuurvlinder, de destijds negenjarige [persoon 4], die zich in het centrum bevond in verband met gymlessen, ernstig gewond geraakt doordat hij ruim 7 meter naar beneden is gevallen van een op de tweede verdieping gelegen galerij in het nog in aanbouw zijnde cultureel centrum. De ouders van [persoon 4] hebben de gemeente ter zake aansprakelijk gesteld. De gemeente erkende als bezitter/eigenaar van dit centrum aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW. Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 maart 2003 werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de schade die [persoon 4] hebben geleden als gevolg van voormeld ongeval. De gemeente heeft [bedrijf 1] en Ballast Nedam in vrijwaring opgeroepen. 4.1.3. Naar de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden zijn diverse onderzoeken ingesteld: * De gemeente heeft een intern onderzoek laten instellen door [persoon 5], die een rapport heeft opgesteld d.d. 2 april 2001 (prod. 14 cve). * De Arbeidsinspectie regio Zuid heeft een proces-verbaal opgemaakt d.d. 3 april 2001 (prod. 8 cve). * De verzekeraar van Ballast Nedam heeft een expertiserapport laten opstellen door [bedrijf 2] gedateerd 8 juni 2001 (prod. 16 cve). * De verzekeraar van de gemeente heeft een expertiserapport laten opstellen door [bedrijf 3] gedateerd 11 oktober 2001 (prod. 15 cve). 4.1.4. In het verslag van de bouwvergadering van 15 september 2000, waarbij onder meer aanwezig waren de projectleider van Ballast Nedam en [persoon 3] namens de gemeente (prod. 2 cve) staat vermeld: - maandag (18-09-2000) wordt de sportzaal in gebruik genomen; bereikbaarheid na afloop van de vergadering ter plekke bezien; (...) - [bedrijf 1] ([bedrijf 1], toev. Hof) zal de eerste groepen scholieren begeleiden a.s. maandag; (...). In het rapport van [persoon 5] is vermeld dat [persoon 6] van de afdeling Welzijn diezelfde dag aan [persoon 7] een interne memo zond met de volgende inhoud: "Maandagochtend gaat het sporten gebeuren in het nieuwe gebouw. Nog niet alles is aanwezig (...) en de kinderen moeten nog even met 1 kleedlokaal doen i.p.v. 2. De Boschuil is in ieder geval geïnformeerd. Of de Vuurvlinder op de hoogte is, was voor [persoon 3] niet duidelijk. De Boschuil krijgt om 8.30 instructie hoe ze "veilig" over de bouw richting de sportzaal kunnen." In dat rapport is voorts vermeld dat [persoon 3] van de gemeente en [persoon 1] van [bedrijf 1] na de bouwvergadering met de uitvoerder van de bouw de situatie ter plaatse hebben bekeken. Slechts de gymzaal en de zich op deze (eerste) verdieping daarnaast gelegen 2 kleedlokalen werden voor gebruik ter beschikking gesteld. De toegang van daaruit naar (de kleedlokalen) daarboven werd met zware houten schotten verhinderd. [persoon 3] en [persoon 1] zijn naar De Boschuil gegaan en hebben aangegeven dat [persoon 1] maandagmorgen ter plaatse instructie zou geven. Bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg heeft de gemeente erkend dat [persoon 1] dat zou doen omdat [persoon 3] die morgen verhinderd was. In het rapport van [persoon 5] is over die instructie voorts het volgende vermeld: [persoon 1] heeft op 18 september 2000 een en ander gewezen aan de leerlingen en de leerkrachten van De Boschuil en uitdrukkelijk gezegd dat er boven nog gewerkt werd en dat men niet naar boven kon. Deze bovenliggende ruimten zijn ook niet getoond. [persoon 1] heeft geen informatie gegeven aan De Vuurvlinder. Hij was van oordeel daar ook verder niets mee te maken te hebben, mede gezien zijn informatie ter plaatse aan de eerste gebruiker. [persoon 7] had op 18 september 2000 telefonisch contact met een leerkracht van De Boschuil en met [directrice Vuurvlinder], directeur van De Vuurvlinder, en vernam dat een leerkracht van De Boschuil de daaropvolgende dinsdag de sleutel aan [directrice Vuurvlinder] zou afgeven en informatie zou verstrekken. Op vrijdag 22 september 2000 uitte [directrice Vuurvlinder] telefonisch aan de [persoon 8] van de gemeente haar zorgen over enkele zaken, waaronder het aantal kleedkamers. De heer [persoon 9] van de gemeente heeft daarna ter plaatse een nader onderzoek ingesteld. In reactie op haar telefoontje ontving [directrice Vuurvlinder] een brief van [persoon 10], hoofd Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente d.d. 5 oktober 2000, bijlage III bij rapport van [persoon 5]. Hierin staat onder meer het volgende: "(...) Aanleiding hiervoor was dat u, vanuit het gegeven dat de school de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar leerlingen draagt, uw bezorgdheid uitsprak over de veiligheid van uw leerlingen. Deze bezorgdheid had enerzijds betrekking op het betreden van het terrein en de accommodatie, en anderzijds op de veiligheid in de twee in gebruik zijnde kleedlokalen. Gelet op de omstandigheid dat de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling opdrachtgever is van de bouw van de gymzaal, vond ik het raadzaam om de situatie ter plekke te schouwen. Met betrekking tot de kleedlokalen zijn geen onveilige omstandigheden aangetroffen. Om de kleedlokalen te bereiken komen de kinderen niet door delen van het gebouw waar werkzaamheden worden uitgevoerd waardoor ze in onveilige situaties kunnen geraken. De deuren van die vanuit de kleedkamers toegang geven tot andere delen van het gebouw dan de zaal zelf zijn tijdens het gebruik door de aannemer afgesloten. (...) Samenvattend kom ik tot de conclusie dat de betreding en het gebruik van de gymzaal gelet op de tijdelijkheid van de situatie en de voorzorgen die de aannemer heeft getroffen, niet dermate onveilig is dat er sprake is van een onverantwoorde situatie voor uw leerlingen." 4.1.5. [directrice Vuurvlinder] heeft tegenover de verbalisant van de Arbeidsinspectie verklaard (PV pag. 13): "(...) Op 6 september jl. is aan een collega-leerkracht van de Vuurvlinder telefonisch medegedeeld dat de sporthal eerst op 18 september in gebruik zou kunnen worden genomen. Daar het de bedoeling was dat tegelijkertijd 2 groepen gebruik zouden maken van de sporthal, gingen wij ervan uit dat er ook 4 kleedlokalen beschikbaar waren. Na het eerste gebruik bleek echter dat er slechts 2 kleedlokalen gereed waren en dat er bovendien in het Cultureel Centrum nog bouwactiviteiten plaatsvonden. (...) Daar ik het niet vertrouwde heb ik op 21 september contact opgenomen met de afdeling sportzaken van de gemeente en medegedeeld weer gebruik te willen maken van de oude sportaccommodatie. Het resultaat hiervan is geweest dat de beide trappen, die van de 1e - naar de 2e verdieping gaan, geheel werden afgesloten, in plaats van het lint dat voorheen bij de trappen aangebracht was. Dat heb ik van de leerkrachten vernomen. De schotten, waarmede deze trappen waren afgesloten, waren echter sinds 9 oktober wederom weggehaald en konden wij ook gebruik maken van de kleedlokalen op de 2e verdieping. Een leerkracht heeft geconstateerd dat de deur van het kleedlokaal die toegang geeft tot de galerij op de 2e verdieping, was gesloten. Middels een brief d.d. 5 oktober, van de gemeente Eindhoven, heb ik vernomen dat de kinderen een veilig gebruik van de sporthal konden maken en dat alle toegangen tot andere ruimtes in het Cultureel Centrum waren afgesloten." 4.1.6. Van de zijde van de gemeente is een verklaring overgelegd van [leerkracht Vuurvlinder], leerkracht bij De Vuurvlinder (prod. 9 cve). Zij verklaart daarin dat zij ongeveer twee weken voor de herfstvakantie (van 16 tot 20 oktober 2000) zag dat de schotten die tot dan toe de toegang tot de tweede verdieping versperden waren weggehaald, dat zij naar boven is gelopen en daar aan drie mannen in pak, van wie zij vermoedde dat zij bij de bouw waren betrokken, heeft gevraagd of de kleedkamers op de tweede verdieping gebruikt konden worden. Deze mannen bevestigden dat. [leerkracht Vuurvlinder] constateerde dat de deur die toegang gaf tot de galerij toen was afgesloten. 4.1.7. Op 26 oktober 2000, de dag van het ongeval, heeft De Vuurvlinder gebruik gemaakt van de kleedkamers op de tweede verdieping. De leerkracht van de klas van [persoon 4] heeft niet gecontroleerd of de deur van die kleedkamer naar de galerij was afgesloten. [persoon 4] is via die deur, die niet afgesloten bleek te zijn, op de galerij terecht gekomen. Op deze galerij bevindt zich een raampartij, die uitzicht geeft op de hal. Op de dag van het ongeval was de raampartij nog niet volledig van glas voorzien. Er was op de plaats waar het glas ontbrak geen voorziening getroffen ter voorkoming van valgevaar. De inspecteur van de Arbeidsinspectie vermoedt, gelet op de plaats waar [persoon 4] is aangetroffen, dat hij door het open raamkozijn is gevallen (PV pag. 6). 4.2. [bedrijf 1] en Ballast Nedam hebben in de vrijwaringsprocedure verweer gevoerd. Volgens hen zijn de aan hen gemaakte verwijten onterecht omdat zij hun zorgplicht voor de veiligheid niet hebben geschonden. Zij menen dat de oorzaak van het ongeval is gelegen in de handelwijze van de gemeente en van de leerkrachten van De Vuurvlinder, voor wier handelen de gemeente aansprakelijk is. Als [bedrijf 1] en Ballast Nedam al enig onrechtmatig gedrag te wijten is, dan valt dat huns inziens in het niet bij de onrechtmatige handelwijze van de gemeente. In hun visie dient in ieder geval een deel van de schade voor rekening van de gemeente te blijven naar rato van de eigen schuld van de gemeente in verhouding tot de schuld van [bedrijf 1] en Ballast Nedam. 4.2.1. De rechtbank heeft overwogen dat Ballast Nedam als aannemer haar zorgplicht heeft verzaakt en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon 4]. Het beroep op medeschuld van de gemeente heeft de rechtbank verworpen. Het handelen van de gemeente zelf achtte de rechtbank niet onrechtmatig. Indien al een verwijt is te maken aan de leerkrachten van De Vuurvlinder dan valt dat in het niet bij de door de aannemer verzaakte zorgplicht, aldus de rechtbank. De rechtbank achtte de gemeente dus evenmin op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk. De rechtbank zag niet in waarom ook [bedrijf 1] aansprakelijk zou moeten worden gehouden. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank de vordering jegens Ballast Nedam toegewezen, met veroordeling van Ballast Nedam in de proceskosten, en de vordering jegens [bedrijf 1] afgewezen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten voor zover aan de zijde van [bedrijf 1] gevallen. 4.2.2. Tegen de afwijzing van haar vordering jegens [bedrijf 1] heeft de gemeente geen hoger beroep ingesteld. 4.3. De eerste grief houdt in dat de rechtbank de feiten in dit geding onjuist, althans onvolledig heeft weergegeven. Het hof heeft in het voorgaande vastgesteld van welke feiten het hof uitgaat en daarbij voor zover nodig rekening gehouden met deze grief. De grief kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het vonnis. 4.4. Grief VII houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [bedrijf 1] jegens [persoon 4] niet mede aansprakelijk is. Ballast Nedam kan echter slechts hoger beroep instellen tegen haar processuele wederpartij in eerste aanleg, de gemeente, en niet tegen een oordeel betreffende haar medegedaagde. De grief kan dus geen doel treffen. Datzelfde geldt voor grief VI voor zover deze inhoudt dat de rechtbank had moeten oordelen dat ook [bedrijf 1] niet vrijuit gaat. 4.4.1. Het onderhavige geding gaat derhalve uitsluitend over de vraag in welke mate de aan de gemeente en de aan Ballast Nedam toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de door [persoon 4] geleden schade (art. 6:102 jo 101 BW). 4.5. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in 2.11. en 2.12., inhoudend dat Ballast Nedam haar zorgplicht heeft geschonden. De grief is niet gericht tegen rechtsoverweging 2.6., waarin de rechtbank terecht heeft vooropgesteld dat de aannemer verplicht is te zorgen voor de veiligheid op het gehele bouwterrein voor allen die dat bouwterrein moeten betreden, temeer daar Ballast Nedam als (hoofd-)aannemer bij uitstek beschikte of moest beschikken over een goed overzicht van de op het terrein werkzame onderaannemers en de verrichte werkzaamheden en aldus op de hoogte kon zijn van eventuele risico's en gevaren voor de veiligheid. Deze overweging vormt daarom ook voor het hof het uitgangspunt. 4.5.1. Vaststaat dat op de dag van het ongeval de trap die leidde tot de kleedkamers op de tweede verdieping niet was afgesloten met de voordien daar aanwezige schotten voor de leerlingen die gebruik maakten van de gymzaal, dat de deur vanuit die kleedkamers naar de galerij evenmin was afgesloten en dat op die galerij een gevaarlijke situatie bestond, daar het raamkozijn niet van glas was voorzien zonder dat een veiligheidsmaatregel was genomen om te voorkomen dat iemand door het open kozijn kon vallen. 4.5.2. Ballast Nedam heeft onder meer gesteld dat haar niet kan worden verweten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.