Parketnummer: 20-000573-07 Uitspraak : 14 augustus 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Breda van 7 december 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-410797-06 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, waarbij verdachte van het tenlastegelegde feit werd vrijgesproken, zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 30,-- subsidiair 1 dag hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof, anders dan de eerste rechter, tot een bewezenverklaring komt van het ten laste gelegde. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 oktober 2005 op het station Roosendaal, zich in een zodanige toestand heeft bevonden, althans zich zodanig heeft gedragen, dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang werd of kon worden verstoord, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar gerookt, terwijl bovenstaande handeling door verdachte niet werd verricht uit de aard van zijn betrekking. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 oktober 2005 op het station Roosendaal, zich zodanig heeft gedragen, dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang werd of kon worden verstoord, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar gerookt, terwijl bovenstaande handeling door verdachte niet werd verricht uit de aard van zijn betrekking. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde I. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd, de verwijzing onder aan de tenlastelegging naar artikel 5 van het Algemeen Reglement Vervoer (hierna ARV) alsmede het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep verwoorde standpunt, is het de bedoeling van de steller daarvan om het verwijt tot uitdrukking te brengen dat verdachte op 21 oktober 2005 op het station Roosendaal heeft gerookt en aldus zich zodanig heeft gedragen dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang werd of kon worden verstoord, zoals dat in artikel 5, eerste lid, van het Algemeen Reglement Vervoer is voorzien. II. Artikel 5 van het Algemeen Reglement Vervoer bepaalt in het eerste lid dat het een ieder, behoudens uit de aard van zijn betrekking, verboden is om zich in of op een station dan wel in een trein in een zodanige toestand te bevinden of zich zodanig te gedragen, dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord. In het tweede lid wordt uiteengezet wat als een verstoring van orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt beschouwd. Onder i van dat lid wordt bepaald dat roken in een trein of station, of gedeelten daarvan, ten aanzien waarvan de spoorweg heeft aangegeven dat roken niet is toegestaan, ook als een dergelijke verstoring heeft te gelden. III. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder uit hetgeen de verdachte dienaangaande heeft verklaard, is komen vast te staan dat verdachte op 21 oktober 2005 als reiziger op het station Roosendaal heeft vertoefd en in die hoedanigheid op dat station heeft gerookt. IV. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het - principiële - standpunt betrokken dat verdachte, door op het station aanwezig te zijn en daar te roken terwijl was aangegeven dat roken niet was toegestaan, bovenomschreven artikel heeft overtreden en aldus een strafbaar feit gepleegd waarvoor verdachte strafbaar is. V. Het hof volgt de advocaat-generaal niet in dat standpunt voor wat betreft de reikwijdte van artikel 5 ARV en overweegt daartoe het navolgende. VI. Het ARV berust sinds de inwerkingtreding van de Spoorwegwet op 1 januari 2005 op artikel 116 van die wet. Voor de inwerkingtreding van de Spoorwegwet berustte het ARV op de Spoorwegwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.