typ. MBR rolnr. C0600001/MA ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, achtste kamer, van 10 april 2007, gewezen in de zaak van: STICHTING VERVROEGDE UITTREDING VOOR HET BEROEPSGOEDERENVERVOER OVER DE WEG EN DE VERHUUR VAN MOBIELE KRANEN, gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, appellante bij exploot van dagvaarding van 9 november 2005, verder te noemen: "de stichting", procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: [GEÏNTIMEERDE], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats], [gemeente], geïntimeerde bij gemeld exploot, verder te noemen: "[geïntimeerde]", niet verschenen, op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen tussenvonnis van 20 april 2005 alsmede het door die rechtbank gewezen eindvonnis van 10 augustus 2005 tussen de stichting als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 148870 CV EXPL 03-3558) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep alsmede naar het tussenvonnis van 31 maart 2004. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft de stichting vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot toewijzing van haar vorderingen. 2.2. [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. 2.3. De stichting heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het Hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. De stichting is belast met de uitvoering van de algemeen verbindend verklaarde CAO Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen (verder te noemen: "VUT CAO"). Voor het onderhavige geschil is van belang de VUT CAO die ziet op de jaren 1999 tot en met 2001 (gepubliceerd in Staatscourant 1999, 99) en de VUT CAO die ziet op de jaren 2001 tot en met 2006 (gepubliceerd in Staatscourant 2001, 135). Bepalingen uit de VUT CAO zijn voor de branche beroepsgoederenvervoer algemeen verbindend verklaard van 31 mei 1999 tot en met 31 maart 2001 en van 19 juli 2001 tot en met 31 maart 2006. De stichting heeft tot doel om aan werknemers werkzaam in het beroepsgoederenvervoer die van de in de VUT CAO geboden mogelijkheid om vervroegd uit het arbeidsproces te treden gebruik willen maken, de daarvoor vast te stellen uitkeringen te doen. Zij is belast met en bevoegd tot inning van VUT-bijdragen en het toekennen en betaalbaar stellen van VUT-uitkeringen aan werknemers. Werkgevers die onder de werkingssfeer van de CAO vallen zijn verplicht om jaarlijks aan de stichting een VUT-bijdrage te betalen. Deze bijdrage is een percentage van de bruto loonsom sociale verzekeringen en bestaat uit een werkgevers- en een werknemersdeel. 4.1.2. [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigd transportbedrijf. [geïntimeerde] heeft daarnaast een vestiging in België (verder te noemen "[geïntimeerde België]"). [geïntimeerde] heeft Turkse werknemers in dienst gehad. Deze werknemers woonden in Turkije en hadden de Turkse nationaliteit. Zij waren voor [geïntimeerde] werkzaam als internationaal chauffeur. Slechts twee van de gesloten arbeidsovereenkomsten zijn op schrift gesteld. Deze schriftelijke arbeidsovereenkomsten zijn opgesteld in de Nederlandse taal en aangegaan voor onbepaalde tijd. In deze arbeidsovereenkomsten is geen rechtskeuze opgenomen. Evenmin is de VUT CAO van toepassing verklaard. Wel is bepaald dat de werknemer het "functieloon" ontvangt en dat de wettelijke proeftijd van twee maanden geldt. Het loon is uitgedrukt in euro's. 4.1.3. Het UWV heeft bij besluit van 25 november 2003 beslist dat de Turkse werknemers niet vallen onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving, zodat [geïntimeerde] voor deze werknemers geen afdracht van sociale verzekeringspremies aan het UWV was verschuldigd (zie productie 1 bij de conclusie van antwoord). De reeds betaalde premies zijn aan [geïntimeerde] teruggestort. 4.2. De stichting vordert in hoger beroep, kort gezegd, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 6.320,99 ter zake verschuldigde bijdragen over de jaren 2001 tot en met 2003 alsmede een bedrag van € 1.128,30 (inclusief BTW) ter zake buitengerechtelijke kosten, één en ander te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de appeldagvaarding. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [geïntimeerde] op grond van de VUT CAO gehouden is bijdragen ten behoeve van de uitvoering van de VUT-regeling aan de stichting te betalen. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij hiertoe niet is gehouden. Zij heeft ter onderbouwing, kort gezegd, aangevoerd dat zij enkel Turkse werknemers in dienst heeft gehad op wier arbeidsovereenkomsten geen Nederlands recht van toepassing is. Omdat op de arbeidsovereenkomsten geen Nederlands recht van toepassing is, is de algemeen verbindend verklaarde VUT CAO volgens haar evenmin van toepassing. 4.3.1. De rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen heeft in het vonnis van 10 augustus 2005 overwogen: "Artikel 3 van die CAO geeft begripsbepalingen en luidt voorzover voor de onderhavige procedure van belang: "in deze overeenkomst wordt verstaan onder... - werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon wiens onderneming valt onder de werkingssfeer van deze overeenkomst." Nu de tekst van de CAO niet duidelijk is zal de betreffende bepaling uitgelegd moeten worden. (...) De kantonrechter stelt vast, dat in de tekst van de litigieuze CAO op een aantal plaatsen verwezen wordt naar sociale verzekeringswetgeving. Begrippen als "bruto loonsom sociale verzekeringen", "premiedagloon ingevolge WW", "premie Ziekenfondsverzekering" e.d. worden gehanteerd voor de invulling van de rechtsverhouding tussen de Stichting en een premieplichtige werkgever." 4.3.2. De eerste grief van de stichting richt zich tegen dit oordeel. De stichting heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 3 van de VUT CAO niet duidelijk is en dient te worden uitgelegd. Het hof overweegt als volgt. 4.3.3. Voor beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] onder de werkingssfeer van de VUT CAO valt, dient te worden bepaald of [geïntimeerde] een werkgever is in de zin van artikel 1A VUT CAO. In dit artikel is immers bepaald: "De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing op: Werkgevers en werknemers van elke in Nederland gevestigde onderneming die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet Goederenvervoer over de Weg, zoals deze laatstelijk is gewijzigd of aangevuld op 8 januari 1999, verricht en/of tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verricht anders dan van personen over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen." 4.3.4. Het begrip "werkgever" is vervolgens in artikel 3 van de VUT CAO gedefinieerd als "iedere natuurlijke of rechtspersoon wiens onderneming valt onder de werkingssfeer van deze overeenkomst." Het begrip "werknemer" is in hetzelfde artikel gedefinieerd als "iedere werknemer - jonger dan 65 jaar - in dienst van de werkgever." 4.3.5. De kantonrechter heeft de vraag of [geïntimeerde] valt onder de werkingssfeer van de VUT CAO enkel beantwoord aan de hand van artikel 3 van deze CAO. De artikelen 1A en 3 van de VUT CAO bepalen echter de werkingssfeer van die CAO. De kantonrechter had beide artikelen dan ook als uitgangspunt moeten nemen. Door enkel artikel 3 als uitgangspunt te nemen is de kantonrechter tot een onjuist oordeel gekomen. De eerste grief van de stichting slaagt aldus. 4.3.6. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat zij een werkgever is in de zin van artikel 1A jo 3 van de VUT CAO, omdat zij vergunningplichtig vervoer, als bedoeld in de VUT CAO, verricht. Evenmin heeft zij betwist dat de Turkse werknemers die bij haar in dienst zijn geweest zijn te beschouwen als werknemers in de zin van de relevante VUT CAO-bepalingen. Het Hof oordeelt dat ingevolge de aangehaalde VUT CAO-bepalingen [geïntimeerde] als werkgever en haar Turkse werknemers als werknemer in de zin van de VUT CAO zijn te beschouwen. [geïntimeerde] en de Turkse werknemers die bij haar in dienst zijn geweest vallen dan ook onder de werkingssfeer van de VUT CAO. 4.3.7. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de uitleg van de stichting met betrekking tot de begripsbepaling "werkgever" onder de gegeven omstandigheden niet juist kan zijn. Ook dit oordeel is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onjuist. De vijfde grief van de stichting richt zich tegen dit oordeel. Deze grief slaagt eveneens. 4.4.1. Ingevolge artikel 2 lid 1 van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (de Wet AVV), kunnen bepalingen van een CAO in het gehele land algemeen verbindend worden verklaard. Aangezien [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd en de VUT CAO voor heel Nederland algemeen verbindend is verklaard, is zij gebonden door de VUT CAO, zij het, nu haar gebondenheid op een andere grond is gesteld noch gebleken, gelet op de datum van inwerkingtreding van de respectieve besluiten tot algemeen verbindendverklaring, voor wat betreft het jaar 2001 van 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2001 en wederom vanaf 19 juli 2001 tot 31 december 2001 (zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.1.1). Nu bovendien is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] is vrijgesteld van de verplichting tot deelneming in en betaling van de bijdragen, is zij in beginsel gehouden deze bijdragen te betalen. 4.4.2. In tegenstelling tot hetgeen de stichting in de memorie van grieven heeft aangevoerd houdt het feit dat [geïntimeerde] is gebonden door de VUT CAO niet zonder meer in dat [geïntimeerde] gehouden is bijdragen te betalen met betrekking tot de onderhavige Turkse werknemers, die in Turkije wonen en de Turkse nationaliteit bezitten. Nu is gesteld noch gebleken dat partijen de toepasselijkheid van de VUT CAO in de arbeidsovereenkomsten zijn overeengekomen, kunnen de werknemers enkel aan de CAO zijn gebonden indien de algemeen verbindendverklaring ook voor hen gevolgen heeft. De algemeen verbindendverklaring heeft echter als daad van materiële wetgeving in beginsel geen werking in het buitenland. De algemeen verbindendverklaring heeft slechts nationale werking en werkt ten opzichte van de Turkse werknemers slechts indien op hun arbeidsovereenkomsten Nederlands recht van toepassing is. Het Hof oordeelt in dit verband dat de VUT CAO uitgaat van een premieafdrachtverplichting van de werkgever én de werknemer via de werkgever. Met dit systeem is niet verenigbaar dat in het geval de werknemer niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan inhouding van zijn premiedeel door de werkgever, omdat de werknemer niet via de algemeen verbindendverklaring aan de betreffende bepalingen uit de VUT CAO is gebonden, de werkgever toch voor die werknemer tot premieafdracht aan de stichting gehouden is. De CAO-bepalingen in onderling verband beschouwd dwingen ook niet tot deze uitleg. 4.4.3. De kantonrechter heeft in het vonnis van 10 augustus 2005 ten overvloede overwogen dat aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en de Turkse werknemers wordt beheerst door Turks recht. De derde grief van de stichting richt zich tegen deze overweging ten overvloede. De stichting heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] en haar Turkse werknemers geen rechtskeuze hebben gemaakt en de werknemers hun werkzaamheden gewoonlijk niet in één en hetzelfde land verrichtten, maar tussen twee of meer verschillende landen. Zij heeft aangevoerd dat op grond hiervan het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen van toepassing is, zijnde Nederlands recht. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat er wel een land valt aan te wijzen waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, namelijk Turkije, omdat altijd de laad- of losplaats in Turkije was. Zij heeft ter onderbouwing van deze stelling in eerste aanleg facturen overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat de transporten meestal van of naar Turkije plaatsvonden. Voorts heeft zij Nederlandse tewerkstellingsvergunningen in het geding gebracht, waarin is bepaald dat de werknemers hoofdzakelijk arbeid verrichtten buiten Nederland en in Nederland slechts laad- en loswerkzaamheden mochten verrichten. Op de arbeidsovereenkomsten is in ieder geval geen Nederlands recht van toepassing, aangezien de Belgische vestiging fungeerde als feitelijk opdrachtgever en de overeenkomsten nauwer zijn verbonden met Turkije, aldus [geïntimeerde]. 4.4.4. Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep stelt ook de stichting zich in navolging van [geïntimeerde] in eerste aanleg op het standpunt dat partijen geen impliciete of expliciete rechtskeuze hebben gedaan. Dit dient derhalve voor de beoordeling in hoger beroep het uitgangspunt te zijn. De vraag welk recht op de arbeidsovereenkomsten van de Turkse werknemers van [geïntimeerde] van toepassing is, dient te worden beantwoord aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO). Dit verdrag heeft krachtens artikel 2 universele werking, zodat het door de Nederlandse rechter dient te worden toegepast ongeacht of het door het Verdrag aangewezen recht het recht is van een verdragsluitende staat (zulks voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen). In artikel 6 lid 2 van het EVO is bepaald dat bij gebreke van een rechtskeuze de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.