Parketnummer: 20-003878-06 Uitspraak : 25 september 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Breda, locatie Tilburg, van 24 oktober 2006, in de strafzaak met parketnummer 02-405001-06 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1975], wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte terzake het hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van EUR 150,-- subsidiair 3 dagen hechtenis. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 10 juli 2005 in de gemeente [plaats 1], als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) van een invoegstrook de doorgaande rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg [Rijksweg 1], is opgereden zonder een bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) voor te laten gaan, waarbij letsel aan (een) perso(o)n(en) (te weten [betrokkene 2]) is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 10 juli 2005 in de gemeente [plaats 1], als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) van een invoegstrook de doorgaande rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg [Rijksweg 1], is opgereden zonder een bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) voor te laten gaan, waarbij letsel aan een persoon (te weten [betrokkene 2]) is ontstaan. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte ter verweer onder meer betoogd dat de bestuurder van de motorfiets [betrokkene 1] noch in het geval hij voornemens was de doorgaande rijbaan van de [Rijksweg 1] te volgen, noch in het geval hij de uitvoegstrook in de richting van de [Rijksweg 2] wilde volgen, conform de regels en voorschriften van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verder: RVV 1990) aan het verkeer heeft deelgenomen. Gelet op de Nota van Toelichting bij artikel 54 RVV 1990 kan als ‘overig verkeer’ in de zin van dit artikel slechts worden aangemerkt de bestuurder die op ‘normale wijze’ aan het verkeer deelneemt. Nu die [betrokkene 1] in strijd met het RVV 1990 aan het verkeer heeft deelgenomen, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt – op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder de verklaringen door verdachte en [betrokkene 1] afgelegd tijdens die terechtzitting – het navolgende vast omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval waarop de onderhavige strafzaak ziet. Verdachte is vanaf een tankstation gelegen aan de [Rijksweg 1] de invoegstrook opgereden in de richting van [plaats 2], heeft deze strook over een geruime afstand gevolgd en heeft op enig moment naar links gestuurd teneinde op de doorgaande rijbaan in te voegen. Op deze doorgaande rijbaan was sprake van een file en reed het verkeer afwisselend langzaam of stond het stil. Hieraan voorafgaand is [betrokkene 1], als bestuurder van een motorfiets, vanaf deze doorgaande rijbaan achter de door de verdachte bestuurde personenauto op dezelfde invoegstrook – die tevens als uitvoegstrook voor het verkeer in de richting [Rijksweg 2]/[plaats 3] fungeert – uitgevoegd teneinde, zoals hij heeft verklaard, zijn weg in de richting van [plaats 3] te vervolgen, heeft enige tijd achter verdachte gereden, en heeft vervolgens getracht verdachte in te halen door hem aan de linkerzijde voorbij te rijden, op welk moment verdachte naar links heeft gestuurd. Hierop heeft de motorfiets de door verdachte bestuurde personenauto geraakt en is op de achterzijde van een ander motorvoertuig op de doorgaande rijbaan van de [Rijksweg 1] gebotst. Voorzover de raadsman heeft betoogd dat die [betrokkene 1] op het moment van het ongeval voornemens was de doorgaande rijbaan van de [Rijksweg 1] in de richting [plaats 2] te volgen en het langzaam rijdende verkeer op die rijbaan rechts aan het inhalen was, mist het verweer, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag. Anders dan de raadsman heeft gesteld is het hof van oordeel dat de verplichting van een bestuurder ex artikel 54 RVV 1990 jegens al het overige verkeer geldt en niet slechts jegens de bestuurder die zelf in overeenstemming met de regels en verplichtingen, voortvloeiend uit het RVV 1990 aan het verkeer deelneemt. Noch de wettelijke bepaling in kwestie, noch enige andere wettelijke bepaling strekt ertoe het toepassingsbereik van artikel 54 RVV 1990 op een door de raadsman gestelde wijze te beperken. Voorzover de raadsman zijn stelling heeft doen steunen op de inhoud van de Nota van Toelichting bij het RVV 1990, in het bijzonder de toelichting bij artikel 54, overweegt het hof dat de term ‘normale wijze’ waarnaar de raadsman verwijst, enkel tot uitdrukking brengt de wens van de wetgever een onderscheid te maken tussen die bestuurders die een bijzondere manoeuvre verrichten en alle overige bestuurders die aan het verkeer deelnemen. De Nota van Toelichting bij het RVV 1990 maakt hierbij expliciet duidelijk dat de bestuurder, die een bijzondere manoeuvre verricht, een ondergeschikte positie inneemt ten opzichte van alle andere bestuurders. De aan de stelling van de raadsman ten grondslag liggende normatieve inkleuring van het begrip ‘overig verkeer’, vindt derhalve geen steun in het recht. Ook voor het overige is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de bestuurder van de motorfiets geen deel uitmaakte van het overige verkeer als bedoeld in artikel 54 RVV
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.