Parketnummer: 20-000482-07 OWV Uitspraak : 28 januari 2008 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2007 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-089061-01 tegen: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres] , hierna te noemen: veroordeelde. Hoger beroep De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Veroordeeldes raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd - kort gezegd - dat er een inactieve periode van in totaal 4 jaar en negen maanden is geweest die voor rekening van het openbaar ministerie komt. Deze periode is onredelijk lang daar deze zaak niet ingewikkeld is, aldus de raadsman. Het hof overweegt het volgende. Het verloop van de onderhavige ontnemingszaak is als volgt: 1. Veroordeelde is op 6 juli 2001 aangehouden en in verzekering gesteld in de hoofdzaak. 2. Op 9 juli 2001 is een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (voortaan ook: SFO) geopend. Op 11 juli 2001 is de veroordeelde hiervan in kennis gesteld. 3. De ontnemingsrapportage naar aanleiding van het SFO was gereed op 21 februari 2002. 4. De eerste behandeling in eerste aanleg vond plaats op 24 september 2003. De zaak is toen aangehouden voor het horen van getuigen op verzoek van de verdediging en ter schriftelijke voorbereiding van de behandeling ter terechtzitting. 5. De getuigen zijn door de rechter-commissaris gehoord op 14 mei 2004 en 30 juni 2004. 6. De verdediging heeft op 14 mei 2004 bij de rechter-commissaris stukken overgelegd in de Tsjechische taal. Deze stukken zijn vertaald en er is door de politie op 8 juli 2005 aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van deze stukken. 7. De voortzetting van de behandeling in eerste aanleg stond gepland op 31 augustus 2005. Op verzoek van de verdediging is de zaak niet in augustus 2005 behandeld in verband met de afwezigheid van de raadsman. 8. De ontnemingszaak in eerste aanleg is vervolgens inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 januari 2007, waarna op 5 februari 2007 uitspraak is gedaan. 9. Het hoger beroep in de ontnemingszaak is ingesteld op 5 februari 2007 en de processtukken zijn bij het hof binnengekomen op 4 mei 2007. 10. De ontnemingszaak is in hoger beroep behandeld op 14 januari 2008, waarna uitspraak wordt gedaan op 28 januari 2008. Het hof trekt uit het bovenstaande de volgende conclusies. A. De periode tussen de verhoren bij de rechter-commissaris (zie 5) en het hieruit voortspruitend aanvullend onderzoek door de politie (zie 6) had naar het oordeel van het hof redelijkerwijze in november 2004 kunnen worden afgerond. Nu dit pas in juli 2005 is afgerond, heeft zich een vertraging van ongeveer negen maanden voorgedaan waarvoor geen rechtvaardiging is. Toen op verzoek van de verdediging de zitting in eerste aanleg op 31 augustus 2005 (zie 7) niet doorging had de onderhavige zaak redelijkerwijze uiterlijk januari 2006 ter terechtzitting kunnen worden aangebracht. In plaats daarvan is de zaak in januari 2007 voortgezet (zie 8). Derhalve heeft zich hier een vertraging van ongeveer één jaar voorgedaan waarvoor geen rechtvaardiging is. In totaal heeft zich aldus een niet gerechtvaardigde vertraging voorgedaan van ongeveer één jaar en negen maanden. Hoewel de behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn plaatsvond is geen sprake van een zodanige buitengewoon voortvarende behandeling in hoger beroep dat daardoor eerder tijdsverloop kan worden geacht te zijn gecompenseerd. Derhalve is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van de redelijke termijn ten gevolge van niet te rechtvaardigen inactiviteit van de justitiële autoriteiten. Deze schending is naar het oordeel van het hof echter niet zo buitensporig dat slechts niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan volgen. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door de hoogte van het te betalen bedrag aan de Staat lager te stellen dan de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Vonnis waarvan beroep De beroepen beslissing zal worden vernietigd omdat de eerste rechter ten onrechte de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De ontneming is gebaseerd op het bepaalde in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij vonnis van 8 oktober 2003 door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder parketnummer 01-089061-01 ter zake "het in de uitoefening van beroep of bedrijf medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid en onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en "medeplegen van in geval van faillissement, of in het vooruitzicht daarvan, terwijl het faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, betaling aannemen van een opeisbare schuld, wetende dat het faillissement van de schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met de schuldenaar, meermalen gepleegd" veroordeeld tot straf. Nu veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en tegen hem een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (voortaan: SFO) is ingesteld, biedt artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht de grondslag voor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de hierboven bedoelde bewijsmiddelen is aannemelijk geworden dat andere strafbare feiten dan die welke in het strafvonnis van 8 oktober 2003 bewezen zijn verklaard, er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. In het financieel rapport' is het vermogen van de veroordeelde per 1 januari 1995 en per 20 april 2001 berekend en gerelateerd aan de van de veroordeelde bekende legale inkomsten en vermogensbestanddelen. De in dit rapport gebruikte bekende bronnen van inkomsten en vermogen en de daaruit volgende becijferingen zijn als zodanig niet door de verdediging betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid ervan. Uit de vermogensvergelijking blijkt dat de veroordeelde in de genoemde periode feitelijk een vermogensaanwas heeft gehad van ll. 501.751,-, welke niet met legale bronnen wordt verantwoord (financieel verslag, pagina 40). De verdediging heeft hiertegen het volgende aangevoerd: • Op het bedrag van ll. 501.751,02 moet een bedrag van 11.25.000,- -zijnde de aan de curator in verband met de faillissementsfraude terugbetaalde gelden - in mindering worden gebracht. • Er is geen sprake van illegale vermogensaanwas. Veroordeelde heeft in genoemde periode de vastgestelde uitgaven kunnen doen omdat hij bij de heren [naam 1] en [naam 2] geldbedragen van in totaal 11.550.000,- heeft geleend. Deze geldleningen zijn niet opgenomen in het SFO-rapport. ' Het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, Dienst Centrale Recherche, Afdeling Financiële Recherche, d.d. 21 februari 2002, door [verbalisant] , hoofdinspecteur, aantal doorgenummerde bladzijden: 42. Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de aftrekpost van fl.25.000,-: Het hof is - met de advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat op het bedrag van fl. 501.751,02 een bedrag van fl. 25.000,- in mindering moet worden gebracht, nu veroordeelde dit bedrag heeft terugbetaald aan de curator. Met betrekking tot de gestelde geldleningen overweegt het hof het volgende. Naar eigen zeggen op de terechtzitting in hoger beroep kende de veroordeelde de geldschieters [naam 1] en [naam 2] niet of nauwelijks. [naam 1] is gehoord als getuige bij de rechter-commissaris op 14 mei 2004. Bij die gelegenheid heeft de raadsman van de veroordeelde een tweetal in de Tsjechische taal gestelde contracten overgelegd. Dit is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.