typ. YH rolnr. C0600136/HE en C0600313/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, vierde kamer, van 5 februari 2008, gewezen in de gevoegde zaken van: rolnr. 0600136: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOKA EUROPE B.V., gevestigd te Helmond, appellante, procureur: mr. C.G. Bunge, tegen: de rechtspersoon naar het recht van TAIWAN ACTIMA TECHNOLOGY CORPORATION, gevestigd te Taiwan R.O.C. , geïntimeerde, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, als vervolg op het door het hof gewezen incidenteel arrest van 15 augustus 2006 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder nummer 112896/HA ZA 04-1519 gewezen vonnis in conventie van 28 december 2005, en rolnr. 0600313: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASTI EUROPE B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOKA EUROPE B.V., gevestigd te Helmond, geïntimeerde, procureur: mr C.G. Bunge, als vervolg op het door het hof gewezen incidenteel arrest van 6 juni 2006 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder nummer 113647/HA ZA 04-1665 gewezen vonnis van 28 december 2005. In de zaak rolnr. C0600136: 1. Het incidenteel arrest van 15 augustus 2006 Bij genoemd arrest is de voeging bevolen van de onderhavige zaak met de zaak onder rolnr. C0600313 tussen Asti en Moka, zijn de overige incidentele vorderingen van Moka afgewezen met veroordeling van Moka in de kosten van het incident, en is de hoofdzaak verwezen naar de rolzitting om Moka in de gelegenheid te stellen bij akte te reageren op de door Actima bij memorie van antwoord overgelegde producties II t/m VI. 2. Het verdere verloop van de procedure Moka heeft afgezien van het nemen van een akte. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De verdere beoordeling 3.1. In r.o. 4.1 van het incidenteel arrest van 15 augustus 2006 heeft het hof de feiten vastgesteld waarvan in dit hoger beroep wordt uitgegaan. Mede op grond van de omstandigheid dat Moka geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid te reageren op de door Actima bij memorie van antwoord overgelegde produkties staan tevens de door het hof in r.o. 4.2.1 van het tussenarrest genoemde feiten vast. Daarnaast stelt het hof vast dat bij exploot van 25 maart 2004 het op 22 maart 2004 onder Moka gelegde executoriale beslag aan Asti is overbetekend (prod. VI memorie van antwoord). 3.2. Actima heeft Moka bij exploot van 8 juni 2004 in eerste aanleg gedagvaard en gevorderd dat Moka bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot het doen van gerechtelijke verklaringen omtrent de vorderingen en zaken die door de exploten van 3 december 2001 en 22 maart 2004 ten laste van Asti onder de onder Moka gelegde beslagen werden getroffen. Voorts heeft Actima gevorderd Moka te veroordelen tot betaling en afgifte aan Actima van hetgeen volgens vaststelling door de rechtbank aan Actima zal blijken toe te komen, met veroordeling van Moka in de kosten van het geding. Moka heeft een reconventionele vordering ingesteld. 3.3. Bij vonnis van 28 december 2005 (rolnr. 04-1519) heeft de rechtbank in conventie als volgt geoordeeld. Gelet op de bewoordingen van het beslagexploot van 3 december 2001 is de door Actima gestelde vordering van Asti op Moka niet door dat beslag getroffen. Het tweede beslag van 22 maart 2004 heeft, gelet op de redelijke bedoeling daarvan, wel het beoogde doel getroffen. Het tijdsverloop tussen de beslagen heeft voor de inhoud van de door Moka af te leggen verklaringen geen gevolgen. Moka heeft haar stelling dat zij op mondeling verzoek van Asti aan derden heeft betaald (aan United Point (HK) Ltd. en Dominant Edge Co.Ltd.) onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling wordt verworpen. Moka heeft dus niet bevrijdend betaald en is nog steeds de koopprijs aan Asti verschuldigd. Het beroep van Moka op rechtsverwerking werd verworpen omdat enkel stilzitten daartoe onvoldoende is. Op grond van art. 7:4 BW geldt de koopprijs ten tijde van het sluiten van een overeenkomst, en op grond van art. 7:26 lid 2 BW moet deze worden betaald op het moment van aflevering. Moka heeft haar stelling dat partijen mondeling andere afspraken hebben gemaakt, die leiden tot een lagere koopprijs dan Actima stelt, niet voldoende onderbouwd, zodat deze stelling is verworpen. De rechtbank heeft op die grond de verklaring van Moka verbeterd in die zin dat Moka nog een bedrag van USD 4.455.315,-- aan Asti verschuldigd is, en zij heeft Moka veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan Actima. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie zijn de vorderingen van Moka afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten in reconventie. 3.4. Moka heeft de volgende grieven aangevoerd tegen dit vonnis, voor zover in conventie gewezen. De eerste grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Actima met het beslag van 22 maart 2004 haar doel - beslag te leggen op de door Actima gestelde vordering van Asti op Moka - heeft bereikt, en ten onrechte de door Moka afgelegde verklaring heeft verbeterd en Moka heeft veroordeeld om aan Actima USD 4.455.315,-- te betalen. Grief 2 is gericht tegen r.o. 3.9 van het vonnis; Moka betoogt dat de termijn van art. 722 Rv in zeer ruime mate is overschreden, zodat betalingen door Moka aan derden van waarde zijn. In de derde grief maakt Moka bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat Moka haar stellingen omtrent de bevrijdende betaling aan derden en omtrent de hoogte van de koopprijs onvoldoende heeft onderbouwd, en tegen de verwerping van het beroep van Moka op rechtsverwerking. 3.5.1. Het hof ziet aanleiding eerst de tweede grief te behandelen. Deze grief is gericht tegen de volgende passage in r.o. 3.9 van het vonnis van de rechtbank: Het tijdsverloop tussen de beide beslagen heeft voor de inhoud van de door Moka af te leggen verklaring geen gevolgen, omdat Moka blijkens haar eigen stellingen sinds het eerste beslag van 3 december 2001 terzake niets aan Asti (en overigens ook niet aan derden) heeft betaald. 3.5.2. Deze overweging is kennelijk een beoordeling van hetgeen Moka heeft aangevoerd over de geldigheid en het effect van het conservatoir derdenbeslag van 3 december 2001 in haar conclusie van antwoord/eis sub 19 e.v. 3.5.3. Naar het oordeel van het hof heeft Moka op zichzelf met juistheid aangevoerd dat het conservatoire beslag van 3 december 2001 niet is overgegaan in de executoriale fase als bedoeld in art. 704 lid 1 Rv, aangezien de betekening van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2002 (waarbij de vordering van Actima op Asti werd toegewezen) aan Moka als derde-beslagene niet binnen de in art. 722 Rv voorgeschreven termijn van één maand nadat de executoriale titel is verkregen, heeft plaatsgevonden, maar pas op 22 maart 2004. Nu het conservatoire beslag van 3 december 2001 niet is overgegaan in de executoriale fase, is de verplichting tot het doen van verklaring door de derde-beslagene (Moka) ook niet op grond van het beslag van 3 december 2001 (en het betekeningsexploot van 22 maart 2004) ontstaan. 3.5.4. Die verplichting is echter wél ontstaan op grond van het executoriale beslag, dat op 22 maart 2004 onder Moka ten laste van Asti is gelegd. Naar aanleiding van dat beslag heeft Moka op 14 april 2004 een verklaring afgelegd, die (evenals de verklaring van 24 maart 2004 en de aanvulling daarop van 14 april 2004 naar aanleiding van het beslag van 3 december 2001) inhoudt dat Moka niets aan Asti verschuldigd was, is of zal worden, omdat zij de koopprijs voor de van Asti gekochte zaken al vóór november 2001 had betaald. (Ook) die verklaring wordt door Actima in deze procedure betwist. 3.5.5. Dat het beslag van 3 december 2001 niet in de executoriale fase is overgegaan, en dat op grond van dat beslag de vorderingen van Actima niet toewijsbaar zijn, staat mitsdien niet in de weg aan toewijsbaarheid van de vorderingen van Actima op grond van (de verklaringen die Moka heeft afgelegd naar aanleiding van) het nieuwe executoriale derdenbeslag beslag van 22 maart 2004. 3.5.6. Daarnaast verbindt Moka aan het feit dat betekening van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2002 niet binnen 1 maand aan Moka heeft plaatsgevonden, ten onrechte de conclusie dat de door haar gestelde betalingen aan derden van waarde zijn. Artikel 722 Rv is van toepassing op conservatoir derdenbeslag en heeft bovendien het oog op betalingen die zijn gedaan na afloop van de termijn van één maand, terwijl Moka volgens haar stellingen aan derden heeft betaald al vóórdat het eerste beslag werd gelegd. Bovendien gaat Moka hier voorbij aan de discussie tussen partijen over de vraag of de betalingen aan de door Moka genoemde derden wel een geldig betaaladres waren. 3.5.7. Op grond hiervan moet de tweede grief van Moka die ertoe strekt te betogen dat op grond van gebreken in de beslaglegging de vorderingen van Actima niet kunnen worden toegewezen, worden verworpen. 3.6.1. De eerste grief van Moka bestaat uit een aantal verschillende onderdelen. De bezwaren van Moka die inhouden dat de overbetekening van het beslagexploot van 22 maart 2004 aan Asti niet zou vaststaan en evenmin de betekening van het vonnis van 7 februari 2002 aan Asti, worden verworpen gelet op de door Actima bij memorie van antwoord overgelegde producties en hetgeen het hof in r.o. 3.1 van dit arrest heeft overwogen. 3.6.2. Voorts maakt Moka bezwaar tegen het feit dat de rechtbank in het beslagexploot van 22 maart 2004 bij "vorderingen" heeft ingelezen de woorden "verschuldigd is of zal worden". Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat aan de bedoelde zin in redelijkheid geen andere bedoeling kan worden toegekend en dat deze, zeker in combinatie met het gelijktijdig uitgereikte formulier waarop verklaring moet worden gedaan, door Moka niet anders kon worden en is verstaan dan dat het (onder meer) ging om (toekomstige) vorderingen van Asti op Moka. 3.6.3. De eerste grief bevat tenslotte een bezwaar van Moka tegen de verbetering van de door Moka afgelegde verklaring door de rechtbank in die zin, dat de rechtbank heeft vastgesteld dat Moka terzake de koopsom voor gekochte en geleverde zaken een bedrag van USD 4.455.315,-- aan Asti verschuldigd is en niet een bedrag van USD 3.969.091,--, wat volgens Moka de koopprijs was. De rechtbank heeft daarbij niet ongeoorloofd ambtshalve feiten aangevuld. De rechtbank heeft in r.o. 3.12 t/m 3.14 uiteengezet dat het verschil in de door partijen genoemde koopprijzen gelegen is in een zestal facturen, bij de vaststelling waarvan Asti zich heeft gebaseerd op de wettelijke uitgangspunten dat de koopprijs wordt gehanteerd die op het moment van sluiten van de overeenkomst geldt, en dat betaald moet worden op het moment van aflevering. Verder heeft de rechtbank overwogen dat Moka haar stelling, dat in dit geval andere afspraken zijn gemaakt (die tot een lagere koopprijs zouden leiden), onvoldoende heeft onderbouwd. Deze overwegingen, die hebben geleid tot de verbetering van het door Moka te betalen bedrag in de door Moka bestreden zin, heeft Moka niet inhoudelijk bestreden. Evenmin heeft zij in hoger beroep haar stellingen omtrent de hoogte van de koopprijs nader gespecificeerd. 3.6.4. Tenslotte faalt de stelling van Moka dat zij door het derdenbeslag in een mindere positie is gekomen dan wanneer zij door Asti tot betaling zou zijn aangesproken, aangezien Asti haar nooit tot betaling zou hebben gesommeerd. Deze laatste stelling is feitelijk onjuist; Asti heeft haar in elk geval op 7 juni 2004 tot betaling gesommeerd (zie cva van Moka sub 16 in de procedure onder rolnr. rb. 04/1665) en haar vervolgens tot betaling gedagvaard in de met deze procedure gevoegde procedure. Pas als Actima van Moka rente zou vorderen over een vóór 7 juni 2004 gelegen periode - hetgeen niet het geval is - zou Moka in een ongunstiger positie komen dan wanneer zij door Asti zou worden aangesproken. 3.6.5. Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief in alle onderdelen moet worden verworpen. 3.7.1. Ook de derde grief bestaat uit een aantal onderdelen, die het hof achtereenvolgens zal behandelen. Voor zover Moka in deze grief opnieuw klaagt over verwerping van haar stellingen omtrent de hoogte van de koopprijs en het verkeren in een slechtere positie dan wanneer zij door Asti zou zijn aangesproken, falen die stellingen op grond van hetgeen ten aanzien van grief 2 is overwogen. Ook de stelling van Moka - indien juist - dat Actima de hoogte van haar vordering mede heeft onderbouwd op grond van door Moka verschafte gegevens brengt niet mee dat Moka in een slechtere positie verkeert dan wanneer zij door Asti was aangesproken. 3.7.2. Het beroep op rechtsverwerking is door de rechtbank terecht verworpen op grond van de overweging dat enkel stilzitten geen rechtsverwerking oplevert. Moka heeft op dit punt in hoger beroep niets meer aangevoerd dan in eerste aanleg. 3.7.3. Tenslotte klaagt Moka over de verwerping door de rechtbank van de stelling van Moka dat zij op (mondeling) verzoek van Asti en dus bevrijdend heeft betaald aan United Point (HK) Ltd. en Dominant Edge Co. Ltd. Zij zou daarover, zo heeft haar advocaat bij de comparitie van partijen verklaard, met "iemand" van Asti en van Actima mondeling afspraken hebben gemaakt. Hoewel Moka enerzijds stelt dat zij zich na zo lange tijd de naam van degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.