typ. YH rolnr. HD 103.000.339 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, derde kamer, van 25 maart 2008, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [plaats] ([gemeente]), appellant bij exploot van dagvaarding van 2 mei 2003, procureur: mr. L.R.G.M. Spronken, tegen: GEMEENTE BLADEL, zetelende te Bladel, geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. M.T.C.A. Smets, op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 5 februari 2003 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - de gemeente - als gedaagde.
- Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 60791 / HA ZA 01-34) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
- Het geding in hoger beroep 2.
- Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vorderingen. 2.
- Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden. 2.
- [appellant] heeft een akte genomen met drie producties en de gemeente een antwoordakte. 2.
- Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van [appellant] ontbreekt de antwoordakte van 4 januari
- De gronden van het hoger beroep De grieven van [appellant] strekken ten betoge dat de rechtbank zijn vorderingen ten onrechte heeft afgewezen.
- De beoordeling 4.
- [appellant] vordert in dit geding a. een verklaring voor recht dat de gemeente wegens niet nakoming van de jegens [appellant] gedane toezeggingen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans onrechtmatig heeft gehandeld, en uit dien hoofde schadeplichtig is; b. veroordeling van de gemeente tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; c. veroordeling van de gemeente tot nakoming van de door haar gedane toezeggingen voor de verplaatsing van het bedrijf van [adres 1] naar de [adres 2] vereiste planologische en financiële medewerking te zullen verlenen; d. veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad f 8.424,67, vermeerderd met wettelijke rente. 4.
- [appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [persoon 1] in zijn hoedanigheid van lid van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente, en dus namens de gemeente, op 6 november 1978 en in 1979 het volgende heeft toegezegd: a. de gemeente zou een vervangende bedrijfslocatie aanwijzen en haar medewerking verlenen aan de verwerving daarvan; b. de gemeente garandeerde dat [appellant] voor de vervangende bedrijfslocatie de benodigde bouw- vestigings- en milieuvergunning zou krijgen; c. de gemeente zou een financiële bijdrage leveren van minimaal f 100.000,- welk bedrag nadien geconcretiseerd is tot een subsidietoezegging van f 150.000,-. 4.
- Bij conclusie van repliek (pag. 2 onderaan en pag. 3 eerste alinea) heeft [appellant] gesteld dat de gemeente de toezegging vermeld onder 4.
- sub a. en b. is nagekomen doordat [appellant] als vervangende bedrijfslocatie de "[adres 2]" heeft kunnen aankopen en de benodigde vergunningen heeft verkregen. Niet nagekomen is echter, aldus [appellant], de toezegging vermeld onder 4.
- sub c. 4.
- Bij vonnis d.d. 5 februari 2003 (rov. 3.
- en 3.9.) heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet heeft bewezen dat [persoon 1] aan [appellant] een concrete financiële bijdrage of subsidie van f 150.000,- heeft toegezegd, en de vorderingen van [appellant] afgewezen. 4.
- Grief I van [appellant] houdt in dat de rechtbank de door [persoon 1] gedane financiële toezegging te beperkt heeft opgevat. [persoon 1] stelt dat er niet alleen een concreet bedrag aan subsidie is toegezegd van f 150.000,-, maar dat er ook (daaraan voorafgaand) een toezegging is gedaan dat minimaal een financiële bijdrage van f 100.000,- zou worden geleverd. Wanneer de toezegging van f 150.000,- niet bewezen is, dient alsnog te worden onderzocht of de toezegging van minimaal f 100.000,- bewezen is. In de grieven II, III en IV betoogt [appellant] dat beide toezeggingen bewezen zijn op grond van de verklaringen die hijzelf en [persoon 2] als getuigen in het voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd. Voorzover nodig biedt [appellant] aanvullend getuigenbewijs aan. 4.
- Het hof stelt voorop dat de rechtbank de onder 4.
- sub a. en b. vermelde vorderingen terecht heeft afgewezen omdat de gemeente, zoals [appellant] ook zelf stelt, aan die toezeggingen heeft voldaan. 4.6.
- Het hof is van oordeel dat de vraag of de onder 4.
- sub c vermelde (financiële) toezegging is gedaan, onbeantwoord kan blijven. Ook indien deze zou zijn bewezen, of nog bewezen zou kunnen worden, moet de daarop gebaseerde vordering van [appellant] worden afgewezen op grond van verjaring. 4.
- De gemeente heeft er zich op beroepen (conclusie van dupliek punt 18) dat de vordering van [appellant] is verjaard. 4.
- Dit beroep op verjaring is gegrond. 4.
- De vordering tot nakoming van de toezegging "financiële medewerking te zullen verlenen" is op grond van artikel 3: 307 BW verjaard op 1 januari
- Immers de rechtsvordering tot nakoming is opeisbaar geworden in
- Voorzover moet worden aangenomen dat [appellant] met de brief van 9 juni 1981 (prod. 2 cve) zich zijn recht op nakoming nog heeft voorbehouden en de verjaringstermijn van 30 jaar (onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht) alstoen opnieuw is gaan lopen, is de vordering op grond van artikel 73 Overgangswet NBW en art. 3: 307, lid 1 BW verjaard op 1 januari
- Van (andere) tijdige stuitingshandelingen is niet gebleken. 4.9.
- Overigens is het hof van oordeel dat de vordering van [appellant] tot nakoming moet worden afgewezen aangezien, aangenomen al dat de gemeente financiële medewerking in de door [appellant] gestelde zin heeft toegezegd, de gemeente die medewerking, zoals gevorderd door [appellant] (zie rov. 4.
- sub c), diende te verlenen in het kader van de verplaatsing van het bedrijf van [appellant] van [adres 1] naar de [adres 2] in 1979/
- Deze bedrijfsverplaatsing, waarvoor [appellant] in januari 1979 de grond aan de [adres 2] had aangekocht en de benodigde vergunningen had verkregen, is uiteindelijk niet gerealiseerd en het door [appellant] gekochte perceel aan de [adres 2] is door hem vervolgens aan de gemeente verkocht, zoals blijkt uit hetgeen [appellant] stelt in de conclusie van repliek punt 2.
- Nu deze bedrijfsverplaatsing definitief geen doorgang heeft gevonden, noch zal vinden, is daarmee nakoming van de financiële toezegging in het kader van deze bedrijfsverplaatsing blijvend onmogelijk geworden. 4.
- De vordering tot vergoeding van schade wegens de niet-nakoming door de gemeente van de toezegging "financiële medewerking te zullen verlenen" was reeds onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht verjaard op grond van de wet van 31 oktober 1924, Stbl.
- In verband met voormelde brief van 9 juni 1981 geldt voor deze geldvordering als aanvangstijdstip van de vijfjarige verjaringstermijn van die wet de datum 1 januari
- Ook afgezien van de verjaring op grond van de wet van 31 oktober 1924, is de onderhavige schadevordering verjaard, nu op grond van artikel 73 Overgangswet NBW en artikel 3: 310, lid 1 BW de vijfjarige verjaring van art. 3: 310, lid 1 BW is voltooid op 1 januari
- Van tijdige stuitingshandelingen is niet gebleken. 4.
- Niet gesteld noch gebleken is dat [appellant] bij de vordering tot verklaring voor recht een ander - in rechte te beschermen - belang heeft dan nakoming en/of schadevergoeding, zodat die vordering voor het overige bij gebreke van belang eveneens moet worden afgewezen. 4.
- De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet voorts worden afgewezen omdat deze vordering, na betwisting door de gemeente, in het geheel niet is onderbouwd. 4.
- Nu de grieven niet kunnen leiden tot toewijzing van de vorderingen van [appellant], moet het beroepen vonnis onder verbetering van gronden worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij moet [appellant] worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
- De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis d.d. 5 februari 2003, waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de gemeente tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 245,- aan verschotten en € 1.341,- aan salaris procureur; Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Zwitser-Schouten en Zweers-Van Vollenhoven en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 25 maart 2008.