Uitspraaktyp. MT rolnr. 103.004.531 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, derde kamer, van 1 juli 2008, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [plaats 1], appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 28 december 2006, geïntimeerde in incidenteel appel, procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, tegen: [GEINTIMEERDE], wonende te [plaats 2], gemeente [gemeente], geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot, appellant in incidenteel appel, procureur: mr. C.M. van der Corput, op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 5 april 2006 en 20 december 2006 tussen principaal appellant – [appellant] - als gedaagde en principaal geïntimeerde – [geïntimeerde] - als eiser. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 129869 / HA ZA 05-1688) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 20 december 2006, tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] en tot terugbetaling door [geïntimeerde] van het door [appellant] op grond van het vonnis van 20 december 2006 aan [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 153.773,58, vermeerderd met wettelijke rente. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging, voor zover nodig, van het vonnis van 20 december 2006 en tot toewijzing van zijn vordering (tevens) op grond van onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking. 2.3. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord. 2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel Wat betreft de principale grieven van [appellant] verwijst het hof naar hetgeen hierna onder de beoordeling wordt overwogen. De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte heeft toegewezen. Wat betreft de incidentele grieven van [geïntimeerde] verwijst het hof eveneens naar hetgeen hierna onder de beoordeling wordt overwogen. 4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a. Op 6 juni 1996 heeft [gemachtigde] - verder [gemachtigde] -, handelend als gemachtigde van [appellant] , aan [geïntimeerde] "verkocht" 4696,8 kilogram ammoniakrechten voor een prijs van f 305.292,00 (f 65,- per kilogram). In het daarvan opgemaakte geschrift (prod. 4 inl. dagv.) is in artikel 5 vermeld: "Deze overeenkomst is zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden indien, op grond van een verbod van overheidswege (o.a. provincie of gemeente), het niet mogelijk is voornoemde ammoniakrechten te leveren/verplaatsen." b. [appellant] had een pluimveehouderij aan de [adres 1] te [plaats 1]. [gemachtigde] was door [appellant] gemachtigd op grond van een tussen hen gesloten overeenkomst d.d. 3 juni 1996 (prod. 3 inl. dagv.) om in totaal 5416 kilogram ammoniakrechten te verkopen voor een prijs van f 50,- per kilogram. Van deze 5416 kilogram heeft [gemachtigde] 4696,8 kilogram verkocht aan [geïntimeerde], zoals onder a. vermeld, en 719,2 kilogram aan [persoon 1]. c. [geïntimeerde] is varkenshouder en heeft een bedrijf aan de [adres 2] te [plaats 2] (gemeente [gemeente]). d. Ter uitvoering van de onder a. vermelde overeenkomst heeft [appellant] bij brief van 1 juli 1996 (prod. 5 inl. dagv., kennelijk ondertekend door de hierna onder rov. 4.4. genoemde M. [persoon 2]) aan het College van B & W van de gemeente [plaats 1] verzocht de milieuvergunning, verleend voor de inrichting aan de [adres 1] te [plaats 1], gedeeltelijk in te trekken. In de brief is vermeld dat de intrekking, betrekking hebbende op 8098 kippen (4696,8 kilogram ammoniak), van kracht dient te worden, indien en zodra op de aanvraag om een milieuvergunning van [geïntimeerde], [adres 2] te [plaats 2] "welke zo spoedig mogelijk zal worden ingediend" positief door het betreffende bevoegd gezag is beslist en deze vergunning onherroepelijk is geworden (prod. 2 inl. dagv.). e. Bij beschikking van 27 augustus 1996 heeft het College van B & W van de gemeente [plaats 1] overeenkomstig voormeld verzoek de vergunning van [appellant] gedeeltelijk ingetrokken "ten behoeve en voor zover een onherroepelijke vergunning is verleend voor (.....) [adres 2] te [plaats 2] " (prod. 2 inl. dagv.). f. Ter uitvoering van de onder a. vermelde overeenkomst heeft [geïntimeerde] een bedrag van f 305.292,00 aan [gemachtigde] betaald. g. Voorts heeft [geïntimeerde] op 15 januari 1997 een aanvraag voor een milieuvergunning ingediend bij het College van B & W van de gemeente [gemeente] . Bij beschikking van 1 december 1997 heeft het College van B & W van de gemeente [gemeente] de door [geïntimeerde] aangevraagde milieuvergunning geweigerd (prod. 8 inl. dagv.). h. [geïntimeerde] had ook al eerder, nl. op 20 januari 1995, een aanvraag voor een milieuvergunning ingediend ter uitbreiding van zijn bedrijf (zie rov. 4.1.6. van het hierna onder j genoemde arrest van het Hof 's-Hertogenbosch). Deze aanvraag heeft [geïntimeerde] op 2 september 1997 ingetrokken. i. Bij brief van 19 december 1997 (prod. 9 inl. dagv.) heeft [geïntimeerde] aan [gemachtigde] bericht dat de gemeente heeft geweigerd de door hem op 19 januari 1997 aangevraagde vergunning te verlenen en een beroep gedaan op de ontbinding als bedoeld in artikel 5 van de koopovereenkomst. j. [geïntimeerde] heeft [gemachtigde] op 8 april 1998 gedagvaard en (terug)betaling gevorderd van het bedrag van f 305.292,00. Bij vonnis d.d. 8 september 2000 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch die vordering toegewezen (prod. 5 inl. dagv.). Bij arrest van het Hof 's-Hertogenbosch d.d. 13 juni 2002 (prod. 6 cva) is dit vonnis van de rechtbank vernietigd, is de vordering van [geïntimeerde] afgewezen en is [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling van het op basis van het vernietigde vonnis door [gemachtigde] aan [geïntimeerde] betaalde bedrag van f 379.820,92. Bij arrest van de Hoge Raad van 2 april 2004 (prod. 7, op een na laatste stuk, cva) is het cassatieberoep tegen voormeld arrest van het hof verworpen. k. [gemachtigde] heeft op haar beurt [appellant] op 5 maart 2001 gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en betaling gevorderd van het bedrag van f 305.292,00 (= het door [geïntimeerde] aan [gemachtigde] betaalde bedrag), subsidiair f 234.840,- ( = het door [gemachtigde] aan [appellant] op 3 oktober 1996 doorbetaalde bedrag). Bij repliek heeft [gemachtigde] deze vordering verminderd tot f 270.800,- (plus rente). De rechtbank heeft in deze procedure een tussenvonnis d.d. 22 februari 2002 gewezen met bevel tot overlegging van het onder j. vermelde arrest van het Hof 's-Hertogenbosch en een tussenvonnis d.d. 18 december 2002 met bevel tot overlegging van het onder j. vermelde arrest van de Hoge Raad. Na overlegging van die arresten heeft de rechtbank bij vonnis d.d. 2 juni 2004 de vordering van [gemachtigde] afgewezen (prod. 7 cva). l. Tijdens de onder j. vermelde procedure tussen [geïntimeerde] en [gemachtigde] voor de rechtbank 's-Hertogenbosch heeft [geïntimeerde] bij brief van 19 november 1998 (prod. 11 inl. dagv.) aan [appellant] bericht dat die procedure aanhangig was, dat hij bij brief d.d. 19 december 1997 de ontbinding van de koopovereenkomst heeft ingeroepen en dat hij tegen [gemachtigde] is gaan procederen in de veronderstelling dat er een koopovereenkomst was gesloten tussen hem en [gemachtigde] . m. Bij brief d.d. 25 november 2002 (prod. 13 inl. dagv.) aan [appellant] heeft [geïntimeerde] (andermaal) een beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst als bedoeld in art. 5 van die overeenkomst en aanspraak gemaakt op vergoeding van de door hem betaalde koopprijs van f 305.292,00. Bovendien heeft [geïntimeerde] zich in die brief erop beroepen dat de ammoniakrechten zijn vervallen als gevolg van de indiening van een melding 8.19 Wet milieubeheer door [appellant] aan de gemeente [plaats 1] . [geïntimeerde] heeft daarbij verwezen naar de brief van de gemeente [plaats 1] d.d. 16 juli 2002 (prod. 12 inl. dagv.) waarin wordt medegedeeld dat de ammoniakrechten, die in feite niet ingetrokken waren, alsnog door die melding zijn vervallen. 4.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 12 juli 2005 heeft [geïntimeerde] in het onderhavige geding de betaling door [appellant] gevorderd van het bedrag van € 138.535,47 ( = f 305.292,00), vermeerderd met wettelijke rente. 4.3. Bij tussenvonnis d.d. 5 april 2006 heeft de rechtbank aan [geïntimeerde] te bewijzen opgedragen "dat hij zelfs al voordat het contract aan hem werd voorgelegd met [gemachtigde] heeft afgesproken dat als de milieuvergunning zou worden geweigerd, de transactie ongedaan zou worden gemaakt en dat [gemachtigde] bij de bespreking van het contract nog heeft bevestigd dat de opgenomen ontbindende voorwaarden betrekking heeft op voormelde, eerder gemaakte afspraak en daar dus ook onder valt de situatie waarbij een vergunning zou worden geweigerd". 4.4. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [geïntimeerde] zichzelf, [persoon 2]en [persoon 3] als getuigen doen horen. 4.5. In contra-enquête heeft [appellant] [gemachtigde] als getuige doen horen. 4.6. Bij vonnis d.d. 20 december 2006 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde], wat betreft de hoofdsom, geheel toegewezen alsmede toegewezen de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. 4.7. In de principale grief 1 stelt [appellant] dat [geïntimeerde] in strijd handelt met zijn verplichting ingevolge art. 21 Rv de relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren doordat hij weigert het volledige dossier van de procedure tussen hem en [gemachtigde] in het geding te brengen. [appellant] stelt dat de rechtbank daaraan ten onrechte geen aandacht heeft besteed, dat de vordering van [geïntimeerde] reeds vanwege deze weigering moet worden afgewezen en dat hij het hof verzoekt om met toepassing van art. 22 Rv [geïntimeerde] in elk geval te gelasten om het volledig dossier van de procedure tussen [geïntimeerde] en [gemachtigde] in het geding te brengen. 4.8. Het hof is van oordeel dat grief 1 faalt. Door het dossier van de procedure tussen [geïntimeerde] en [gemachtigde] niet in het geding te brengen handelt [geïntimeerde] niet in strijd met de in art. 21 Rv opgenomen verplichting de relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Uit dit nalaten volgt immers niet dat [geïntimeerde] feiten die voor de beslissing van belang zijn onvolledig en niet naar waarheid aanvoert. De rechtbank heeft daaraan dus terecht geen aandacht besteed. Het staat de rechter bovendien vrij uit het niet naleven van de in art. 21 Rv vermelde verplichting, zo die geschonden zou zijn, de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht. Het hof acht geen grond aanwezig om [geïntimeerde] op de voet van art. 22 Rv te bevelen genoemd dossier over te leggen. Al hetgeen hierna wordt overwogen vormt tevens een motivering voor dit oordeel. 4.9. Beide partijen stellen zich op het standpunt dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 april 2006 ten onrechte een bewijsopdracht aan [geïntimeerde] heeft verstrekt. [appellant] stelt (principale grief 2) dat de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] reeds aanstonds had moeten afwijzen op diverse door hem aan te voeren gronden die het hof hierna zal bespreken. [geïntimeerde] stelt (incidentele grief II) dat de rechtbank zijn vordering reeds aanstonds had moeten toewijzen aangezien [appellant] reeds op grond van onverschuldigde betaling respectievelijk ongerechtvaardigde verrijking het gevorderde bedrag diende terug te betalen aan [geïntimeerde]. 4.10. Het hof is van oordeel dat beide grieven op dit onderdeel falen. Grief 2 van [appellant] faalt op dit onderdeel omdat de gronden waarop [appellant] betoogt dat de vordering [geïntimeerde] aanstonds moet worden afgewezen, ondeugdelijk zijn. Daarop zal het hof hierna in rov. 4.13. e.v. van dit arrest ingaan. Grief II van [geïntimeerde] faalt omdat [geïntimeerde] zijn vordering primair heeft gegrond op de door hem gestelde ontbinding van de koopovereenkomst. De rechtbank heeft daarom terecht die vordering op die grondslag beoordeeld, en niet op de subsidiaire grondslag. Bovendien zou, indien de koopovereenkomst in stand blijft en niet ontbonden wordt geacht, de vordering van [geïntimeerde] op de subsidiaire grondslag niet toewijsbaar zijn. 4.11. [appellant] stelt zich in de principale grief 3 op het standpunt dat [geïntimeerde] het bewijs niet heeft geleverd. 4.12. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] het bewijs heeft geleverd en dat dus grief 3 van [appellant] faalt. 4.12.1. De door de rechtbank gehoorde getuige [persoon 2] was in 1996 als landbouwkundig adviseur werkzaam bij [gemachtigde] en deze heeft namens [gemachtigde] en dus namens [appellant] de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] tot stand gebracht. Hij verklaart: "[geïntimeerde] en ik hebben een paar keer telefonisch met elkaar gesproken. Dat was voordat er een akkoord was bereikt en na toezending van het concept-contract. (....) In dit geval kwamen er ook vragen van de heer [geïntimeerde] over de uitleg van de ontbindende voorwaarde. Dat zal dus in het tweede gesprek geweest zijn toen het contract al aan hem was toegestuurd. Hij vroeg mij hoe moest worden uitgelegd de ontbindende voorwaarde dat op grond van een verbod van overheidswege het niet mogelijk zou zijn ammoniakrechten te leveren of te verplaatsen. Hij vroeg mij dit voor het geval zijn gemeente zijn vergunning niet zou afgeven. Hij vroeg mij ook wat dan zou gebeuren met de koopsom. Ik heb hem geantwoord dat hij zijn geld terug zou krijgen als er niet geleverd kon worden of als de vergunning niet verleend zou worden. In dit tweede gesprek heeft de heer [geïntimeerde] dus uitdrukkelijk om uitleg van deze bepaling gevraagd. Ik heb daarop gezegd dat als een vergunning zou worden geweigerd, de zaak ontbonden zou worden en de ammoniakrechten terug zouden gaan naar de verkoper. (.....) Voordat een akkoord was gegeven door [geïntimeerde] zijn er in mei 1 of meer telefonische gesprekken geweest. Ik weet dat de heer [geïntimeerde] heeft gevraagd wat er gebeurt als er niet geleverd kan worden of als hij zijn vergunning niet krijgt. Ik heb daarop geantwoord dat dan de zaak ontbonden is en hij zijn geld terug krijgt." 4.12.2. Deze verklaring vindt bevestiging in hetgeen [geïntimeerde] zelf als getuige heeft verklaard. 4.12.3. In de toelichting op grief 3 wil [appellant] kennelijk betogen dat [geïntimeerde] pas om uitleg van de ontbindingsclausule heeft gevraagd nadat de koopovereenkomst al gesloten was. Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt echter dat de uitleg door [geïntimeerde] werd gevraagd na ontvangst van het concept-contract en niet dat de uitleg pas werd gevraagd na het ondertekenen van dat contract. Zelfs echter indien die uitleg werd gevraagd op een tijdstip waarop het contract al was ondertekend, vormt de tussen [persoon 2] en [geïntimeerde] over en weer besproken uitleg van de ontbindende voorwaarde (art. 5) onderdeel van de overeenkomst tussen partijen, nu tussen [persoon 2] en [geïntimeerde] overeenstemming bestond over die uitleg en die wetenschap van [persoon 2] via [gemachtigde] aan [appellant] moet worden toegerekend. 4.12.4. Het feit dat [persoon 2] en [geïntimeerde] de tekst van art. 5 van de schriftelijke koopovereenkomst niet hebben aangepast, kan [appellant] niet aan [geïntimeerde] tegenwerpen. De concept-tekst was afkomstig van [gemachtigde] (lees: [persoon 2]) en het lag dan ook op de weg van [gemachtigde] (lees: [persoon 2]) de tekst aan te passen en in overeenstemming brengen met hetgeen hij dienaangaande met [geïntimeerde] (nader) was overeengekomen. Bovendien mocht [geïntimeerde] ervan uitgaan dat [persoon 2] (lees: [gemachtigde]) degene namens wie hij de ammoniakrechten verkocht, op de hoogte zou stellen van de (nader) overeengekomen inhoud en het toepassingsbereik van de ontbindende voorwaarde van art. 5 van de koopovereenkomst, aangezien [persoon 2] (lees: [gemachtigde] ) als gemachtigde van de verkoper optrad. 4.12.5. De verklaring die [gemachtigde] als getuige heeft afgelegd doet geen afbreuk aan het geleverde bewijs. Hetgeen [appellant] voor het overige in dit opzicht aanvoert in punt 60 en 62 van de memorie van grieven brengt het hof niet tot een ander oordeel. Er zijn geen gronden om aan te nemen dat [persoon 2] onder ede een valse verklaring heeft afgelegd. 4.13. Met betrekking tot de diverse onderdelen van de principale grief 2 van [appellant] overweegt het hof het volgende. [appellant] beroept zich in de eerste plaats op verjaring van de vordering van [geïntimeerde]. 4.13.1. [geïntimeerde] heeft zich bij brief d.d. 19 december 1997 (aan [gemachtigde]) op de ontbindende voorwaarde beroepen en dit bij brief d.d. 19 november 1998 aan [appellant] medegedeeld. Bovendien heeft [geïntimeerde] zich bij brief d.d. 25 november 2002 (aan [appellant] ) nogmaals op de ontbinding beroepen. 4.13.2. In het midden kan blijven of de ontbindende voorwaarde al in 1997 in vervulling is gegaan vanwege het feit dat aan [geïntimeerde] reeds vóór oktober 1997 bekend was dat de door hem gevraagde milieuvergunning door het College van B & W van de gemeente [gemeente] zou worden geweigerd en niet pas in 1998 door het onherroepelijk worden van het besluit d.d. 1 december 1997 tot weigering van de vergunning. Ook in het midden kan blijven of op grond daarvan reeds in 1997 dan wel eerst in 1998 een opeisbare vordering tot terugbetaling van de koopsom is ontstaan. Indien immers de vijf-jarige verjaringstermijn van de ongedaanmakingsverbintenis zou zijn gaan lopen in 1997, is deze verjaringstermijn door de onder 4.13.1. genoemde brieven gestuit en is laatstelijk door de stuiting bij de brief d.d. 25 november 2002 de verjaringstermijn op 26 november 2002 opnieuw gaan lopen, zodat [geïntimeerde] [appellant] tijdig op 12 juli 2005 heeft gedagvaard. In dit verband is van belang dat ook de brief d.d. 19 december 1997 aan [gemachtigde] een stuiting van de verjaring oplevert jegens [appellant] , aangezien [gemachtigde] gemachtigde was van [appellant] . De principale grief 2 van [appellant] faalt op dit onderdeel. 4.14. [appellant] beroept er zich voorts op dat [geïntimeerde] zijn recht om zich op ontbinding van de koopovereenkomst te beroepen vanwege de weigering van de gemeente [gemeente] hem een milieuvergunning te verlenen heeft verwerkt. [appellant] voert daarvoor in de memorie van grieven punt 20 een reeks van argumenten aan. 4.14.1. Geen van deze argumenten kan doel treffen. a. Aan de overweging - ten overvloede - in het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch d.d. 13 juni 2002 (rov. 4.5.- 4.5.2.), welk arrest is gewezen in het geding tussen [gemachtigde] en [geïntimeerde], kon [appellant] niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat [geïntimeerde] jegens hem geen beroep op de ontbindende voorwaarde zou doen en dat "de kwestie was afgedaan". [appellant] was immers geen partij in het geding tussen [geïntimeerde] en [gemachtigde] en het hof heeft blijkens dat arrest bovendien niet in zijn oordeel betrokken hetgeen tussen [persoon 2] en [geïntimeerde] omtrent de uitleg van de in art. 5 omschreven ontbindende voorwaarde is besproken. Het oordeel van het hof in dat arrest dat [appellant] en/of [gemachtigde] niet bedacht behoefden te zijn op de mogelijk door [geïntimeerde] voorgestane extensieve uitleg van de ontbindende voorwaarde van art. 5 van de koopovereenkomst omdat dat niet "in de overeenkomst met zoveel woorden" was opgenomen, is een oordeel dat in de onderhavige zaak niet kan worden gevolgd, aangezien thans is gebleken dat [appellant] en/of [gemachtigde] juist wél bedacht diende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.