zaaknr. HD 103.004.815 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, vierde kamer, van 22 juli 2008, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [...], appellant in appel bij exploot van dagvaarding van 19 februari 2007, procureur: mr. H. Nieuwenhuizen, tegen: [GEÏNTIMEERDE], wonende te [...], geïntimeerde bij voormeld exploot, procureur: mr. G.H. Hermanides; op het hoger beroep tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 15 maart 2006 en 24 januari 2007 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 138820/HA ZA 06-418) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar het verstekvonnis van 11 januari 2006. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. [appellant] is van de vonnissen van 15 maart 2006 en 24 januari 2007 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot alsnog toewijzing van de vorderingen van [appellant] zoals vermeld in de dagvaarding d.d. 28 november 2005, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de verstek- en verzetprocedure, alsmede in de kosten van het hoger beroep. 2.2. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord twee producties overgelegd, de grieven bestreden en geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven, bekrachtiging van het vonnis van 24 januari 2007, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van veertien dagen na de datum van de uitspraak, uitvoerbaar bij voorraad. 2.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep 3.1. Met grief I betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte in het vonnis van 15 maart 2006 naast een comparitie van partijen niet ook een descente heeft gelast. Grief II is gericht tegen de door de rechtbank bij vonnis van 24 januari 2007 vastgestelde feiten. De grieven III tot en met VIII strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] niet aan de veroordeling heeft voldaan. Met grief IX voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [appellant] tot matiging van de dwangsom en tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag heeft afgewezen. Grief X tot slot is een algemene grief en is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant] en de veroordeling van [appellant] in de kosten van de verzet- en verstekprocedure aan de zijde van [geïntimeerde]. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. a.[geïntimeerde] is eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [adres] te Eindhoven (hierna de bedrijfsruimte) en van de daarboven gelegen woning aan de [de woning]. Deze woning werd tot eind 2002 bewoond door [geïntimeerde]. b.[geïntimeerde] heeft de bedrijfsruimte vanaf 1 mei 1997 verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [appellant]. In artikel 1.2. van de huurovereenkomst is bepaald dat de bedrijfsruimte uitsluitend gebruikt mag worden als bedrijfs- en magazijnruimte ten behoeve van bakkerijbenodigdheden. c.[geïntimeerde] heeft bij brieven van haar raadsman van 22 maart 2004 en 5 mei 2004 [appellant] gesommeerd onder meer het gebruik door [appellant] van de bedrijfsruimte ten behoeve van de handel in tweedehandse auto's te staken. d.[geïntimeerde] heeft op 2 juli 2004 [appellant] in kort geding gedagvaard en gevorderd, voor zover thans nog van belang, dat [appellant] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van de autohandel vanuit de bedrijfsruimte. e.De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 27 juli 2004 [appellant] veroordeeld, voor zover thans van belang, tot het staken en gestaakt houden van alle activiteiten in het kader van het uitoefenen van een autohandel vanuit het gehuurde pand aan de [woning] te Eindhoven, met dien verstande dat alle gestalde auto's uit het pand, van het terrein en van de naast het terrein gelegen terreinen worden afgevoerd, het bord met de aanduiding [appellant] Auto's van de gevel wordt verwijderd, het adverteren met auto's vanaf genoemde locatie op welke wijze dan ook wordt gestaakt [...]; op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 2.000,- per dag. f.Het vonnis van 27 juli 2004 is op 4 augustus 2004 aan [appellant] betekend. g.[geïntimeerde] heeft bij brief van 11 augustus 2004 aan [appellant] medegedeeld dat [geïntimeerde] had geconstateerd dat de autohandel nog niet was gestaakt. Tevens heeft [geïntimeerde] bij deze brief aanspraak gemaakt op de dwangsommen indien niet tijdig geheel aan het vonnis zou worden voldaan. [geïntimeerde] heeft deze mededelingen bij brief van 17 augustus 2004 herhaald. Bij brief van 26 augustus 2004 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] medegedeeld dat dwangsommen waren verbeurd omdat stalling en verkoop van auto's onverminderd bleven doorgaan. Bij brief van 2 september 2004 heeft [geïntimeerde] haar standpunt toegelicht dat [appellant] niet aan de veroordeling bij vonnis van 27 juli 2004 voldeed. h.Bij exploot van 15 september 2004 is een betalingsbevel ter zake verbeurde dwangsommen over de periode aan [appellant] betekend. i.Op vordering van [appellant] heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 4 november 2004 onder meer de executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 juli 2004 geschorst, [geïntimeerde] veroordeeld de door haar gelegde beslagen op te heffen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor zover zij in strijd handelt met de in dat vonnis vermelde geboden. j.Op het daartegen door [geïntimeerde] ingestelde hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 13 september 2005, voor zover thans van belang, het vonnis van 4 november 2004 vernietigd en alsnog de vordering tot schorsing van de executie en de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen afgewezen. k.[appellant] heeft een bedrag van EUR 28.000,- inzake verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerde] betaald. 4.2. [appellant] heeft [geïntimeerde] thans in een bodemprocedure gedagvaard en primair gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [appellant] geen dwangsommen heeft verbeurd, althans dat de rechtbank deze dwangsommen opheft of vermindert, althans matigt, en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van een bedrag van EUR 28.970,90, althans een redelijk bedrag, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 4.3. Het bedrag van EUR 28.970,90 bestaat uit EUR 28.000,- wegens betaalde dwangsommen en EUR 970,90 aan betaalde rente. 4.4. De rechtbank heeft bij verstekvonnis d.d. 11 januari 2006 de primaire vorderingen van [appellant] toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten. 4.5. [geïntimeerde] is van dit vonnis tijdig in verzet gekomen. Bij vonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft op 23 mei 2006 plaatsgehad. 4.6. Bij vonnis van 24 januari 2007 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 11 januari 2006 vernietigd, [geïntimeerde] ontheven van de daarin uitgesproken veroordeling en de vorderingen van [appellant] alsnog afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de verstek- en de verzetprocedure. 4.7. Grief I faalt. De wijze van instructie van een zaak is aan het beleid van de rechter voorbehouden, zodat [appellant] niet met succes er over kan klagen dat de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast en niet ook een descente. 4.8. Voor zover grief II er terecht over klaagt dat de rechtbank de feiten in rechtsoverweging 2.2. van het vonnis van 24 januari 2007 niet geheel juist heeft weergegeven, heeft het hof daarmee rekening gehouden in rechtsoverweging 4.1. onder punt e. Tot vernietiging van het vonnis van 24 januari 2007 kan grief II in ieder geval niet leiden. 4.9. Het hof bespreekt de grieven III tot en met VIII gezamenlijk. [appellant] stelt zich met deze grieven op het standpunt dat hij geen gebod of verbod heeft overtreden, zodat hij het bedrag aan dwangsommen onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald. 4.10. De rechtbank heeft op grond van de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang gezien, geoordeeld dat [appellant] niet aan de veroordeling bij vonnis van 27 juli 2004 heeft voldaan, mede gelet op het belang van [geïntimeerde] bij het aan [appellant] bij dit vonnis opgelegde verbod. De volgende feiten en omstandigheden heeft de rechtbank van belang geacht (r.o. 4.4. van het vonnis van 24 januari 2007):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.