K07/0514 GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 oktober 2008 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van: [klager], wonende te Ospel, hierna te noemen: klager, over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van: [beklaagde 1], [beklaagde 2], [beklaagde 3], allen wonende te Eindhoven, [beklaagde 4], gevestigd te Sterksel, [beklaagde 5], wonende te Sint Oedenrode, [beklaagde 6], wonende te Someren, een drietal psychiaters en een tweetal reclasseringsmedewerkers, hierna te noemen: beklaagden, wegens diverse strafbare feiten. De feitelijke gang van zaken. Op 16 augustus 2006, 1 september 2006 en 14 september 2006 heeft klager aangiften gedaan van diverse strafbare feiten, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagden. Op 20 september 2006, 21 september 2006 en 8 december 2006 is door de officier van justitie aan klager bericht dat er geen vervolging zal plaatsvinden omdat niet is gebleken van enig strafbaar feit. Hierop heeft klager bij schrijven van 3 december 2007 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 4 december 2007, met het verzoek de vervolging te bevelen. De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 15 augustus 2008 het hof geraden klager kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren c.q. het beklag als kennelijk ongegrond af te wijzen. De beoordeling. Klager is naar aanleiding van tegen hem gedane aangiften door onder meer beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 6] vervolgd ter zake van onder meer belaging, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging. Hij is op 29 juli 2004 door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 244 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Tegen dit vonnis heeft klager hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 8 maart 2006 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch klager veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De door klager ingestelde cassatie heeft vervolgens weliswaar geleid tot een terugverwijzing, doch slechts ten aanzien van de strafoplegging. Op grond van de gewezen rechterlijke uitspraken is thans onherroepelijk bewezen verklaard dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van beklaagde [beklaagde 1] en aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging van beklaagde [beklaagde 6]. Klager heeft vervolgens tegen alle bij deze strafzaak betrokken personen aangiften gedaan wegens uiteenlopende feiten. Er zijn drie aangiften gedaan: Klagers aangifte van 16 augustus 2006 richt zich tegen de beklaagden [beklaagde 1], [beklaagde 3], [beklaagde 4], [beklaagde 5] en [beklaagde 6]. Ten aanzien van [beklaagde 1], [beklaagde 3], [beklaagde 5] en [beklaagde 6] komt zijn verwijt er in hoofdzaak op neer dat door deze personen tegen hem een valse aangifte is gedaan. Klager onderbouwt dit door te stellen dat de aangiften van de genoemde personen op diverse punten onwaarheden en tegenstrijdigheden bevatten. Ten aanzien van [beklaagde 4] (en daar werkzame personen, waaronder beklaagde [beklaagde 6]), waar klager kennelijk enige tijd onder behandeling is geweest, komt klager met een lange lijst aanklachten, waaronder een categorie beweerdelijk gepleegde strafbare feiten waarbij klager geen rechtstreeks belanghebbende is (zoals dierenmishandeling, het vervoeren van pluimvee tijdens vogelpest, de verkoop van sigaretten, alcohol en drugs aan minderjarigen en heling). Klager doet tevens aangifte van seksuele intimidatie door beklaagde [beklaagde 6] (bestaande uit vastpakken op een wijze waarvan klager niet gediend was, al omschrijft klager niet op welke wijze beklaagde hem dan vastpakte). Ook doet klager aangifte van schending van het ambtsgeheim door beklaagden [beklaagde 6] en [beklaagde 5] (bestaande uit het met bij de [beklaagde 4] werkzame personen bespreken van de problemen van klager). Klagers aangifte van 14 september 2006 is gericht tegen [beklaagde 2], tevens echtgenote van [beklaagde 3]. Klager verzuimt evenwel te omschrijven welke strafbare feiten deze beklaagde zou hebben gepleegd. Klagers aangifte van 1 september 2006 is gericht tegen een drietal psychiaters en een tweetal reclasseringsmedewerkers. Klager kan zich niet vinden in door deze personen getrokken conclusies en door hen geproduceerde rapporten en betitelt dit als “valsheid in geschrift”. Het hof overweegt als volgt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.