GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Tweede meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00283 Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van de heer X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 maart 2008, nummer AWB 07/1050 in het geding tussen belanghebbende en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen aanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.425, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 17 oktober 2008 te 's-Hertogenbosch. Partijen zijn met bericht niet verschenen. 1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is geboren op 13 juni 1966 en hij is gehuwd. Belanghebbende bezat in 2005 een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Voor het jaar 2005 bedroeg de eigenwoningwaarde van de woning € 181.302. 2.2. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een verzamelinkomen van € 16.145. Hierbij is een bedrag van € 1.087 als voordeel uit eigen woning en een bedrag aan aftrekbare hypotheekrente van € 5.673 in aanmerking genomen. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vraag: Is terecht een bedrag aan voordeel uit eigen woning bij de aanslag in aanmerking is genomen? Belanghebbende is van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en tot de vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.338. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Gronden 4.1. Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt daartoe dat het voordeel uit eigen woning bij hem ten onrechte in aanmerking is genomen, omdat bij andere belastingplichtigen dit voordeel, ingevolge artikel 3.123a van de Wet IB 2001, niet in aanmerking wordt genomen indien en voor zover dit voordeel hoger is dan de aftrekposten van de eigen woning. 4.2. Het Hof kan belanghebbende in zijn stelling niet volgen. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2008, nr. 07/10150, NTFR 2008-1679 overwogen: "3.3. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een (...) strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat (...) niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen (is
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.