GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Kenmerk: 06/00478 Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer op het hoger beroep van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst hierna: de Inspecteur, tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 november 2006, nummer AWB 05/3304 in het geding tussen mevrouw X, wonende te Y, hierna: belanghebbende en de Inspecteur, met betrekking tot de uitspraak op het bezwaar tegen de na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
(8)is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij reeds toen had besloten tot de start van de vennootschap onder firma en dat deze uren zijn besteed in het kader van de daadwerkelijke aanvang van de vennootschap onder firma. Bovendien zijn de in deze uren verrichte activiteiten te vaag om als eerste ondernemingshandelingen te kunnen worden aangemerkt. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat deze uren, 19, voor de beoordeling van de zelfstandigenaftrek niet kunnen meetellen. 4.4. Met betrekking tot de 105 uren ter zake van de inkoop van goederen in Indonesië in de periode van 22 mei 1998 tot 7 juni 1998 is het Hof van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt, dat zij in deze periode met het oog op de start van de antiekwinkel 90 stuks heeft gekocht, waarvan later een aantal stuks als voorraad is ingebracht in de vennootschap onder firma. Ten aanzien van het aantal uren acht het Hof aannemelijk, in het bijzonder ook gelet op de toelichting van belanghebbende in haar brief van 3 oktober 2008, dat zij deze uren nodig heeft gehad om de goederen in Indonesië te kopen. Aan het vorenstaande doet niet af, dat de goederen toentertijd zijn betaald met privé-gelden en pas per 1 januari 1999 op de openingsbalans zijn vermeld. Voor het feit dat de goederen op 23 juli 1998 in Indonesië zijn betaald, op een datum waarop zij niet in Indonesië was, heeft belanghebbende in haar brief van 3 oktober 2008 een afdoende - geloofwaardige - verklaring gegeven, namelijk dat voor haar betaald is. 4.5. Van de 6 uren met betrekking tot het voeren van een administratie en het maken van een inkooplijst op 14 juni 1998 acht het Hof, in het bijzonder gelet op de brief van 3 oktober 2008, aannemelijk dat belanghebbende deze uren aan die activiteiten, die toegerekend kunnen worden aan (de start van) de antiekwinkel, heeft besteed. 4.6. Van de 21 uren die belanghebbende zou hebben besteed aan het maken van een ondernemingsplan is tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk geworden dat belanghebbende zich daadwerkelijk met het maken van zo'n plan heeft bezig gehouden. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat deze uren, 21, voor de beoordeling van de zelfstandigenaftrek niet kunnen meetellen. 4.7. Met betrekking tot de 28 uren voor het schilderen van het winkelpand acht het Hof geloofwaardig dat belanghebbende dit werk heeft verricht. 4.8. Met betrekking tot de 27 uren op 29 augustus 1998, 13 augustus 1998, 14 augustus 1998 en 4 september 1998 ter zake van het zich verdiepen in antiekboeken, in kunstgeschiedenis, marketing en winkelpresentatie is het Hof van oordeel dat deze activiteiten onmiskenbaar bijdragen tot de goede start van de antiekwinkel en hebben plaatsgevonden binnen het kader van de onderneming. 4.9. Met betrekking tot het feit, dat de uren in de agenda niet aansluiten op het urenoverzicht is het Hof van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de daadwerkelijke gemaakte uren afwijken van de uren die vooraf (in een agenda) worden gepland. Bovendien zijn de verschillen gering en voorts heeft belanghebbende in haar brief van 3 oktober 2008 een geloofwaardige verklaring voor deze verschillen, 7 uren, gegeven. 4.10. Met betrekking tot de 13 uren op 8 september 1998 en 10 september 1998 heeft de Inspecteur gesteld, dat niet aannemelijk is dat de uit de Indonesië ingevoerde goederen betrekking zouden hebben op de aanschaf van de voorraad voor de antiekwinkel. Het Hof is evenwel van oordeel, dat met de brief van 15 februari 1999 in combinatie met de vervoersbescheiden voldoende aannemelijk is geworden dat het merendeel van de 90 stuks in de container als voorraad in de vennootschap onder firma is ingebracht. 4.11. De Inspecteur heeft voorts nog gesteld, dat de levenspartner ook arbeid heeft verricht. Daargelaten wat daarvan zij, de Inspecteur heeft het urenoverzicht van belanghebbende niet betwist met het argument dat deze uren niet door belanghebbende zouden zijn gemaakt, maar (ten dele) door haar levenspartner, zodat deze stelling van de Inspecteur niet tot een ander oordeel leidt dan hiervoor gegeven. 4.12. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende 455 uren - (19 + 21) = 415 uren aan de (start van
- de)onderneming van de vennootschap onder firma heeft besteed. Eenmanszaak (management consultancy) 4.13. Met betrekking tot de (4,5 + 11 =) 15,5 uren ter zake van de activiteiten op 21 januari 1998, 16 februari 1998, 6 maart 1998, 10 maart 1998, 11 maart 1998 en 30 maart 1998 is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij reeds toen had besloten tot de start van de eenmanszaak en dat deze uren zijn besteed in het kader van de daadwerkelijke aanvang van de eenmanszaak. Bovendien zijn de in deze uren verrichte activiteiten te vaag om als eerste ondernemingshandelingen te kunnen worden aangemerkt. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat deze uren, 15,5, voor de beoordeling van de zelfstandigenaftrek niet kunnen meetellen. 4.14. Van de 11,5 uren die belanghebbende zou hebben besteed aan het maken van een ondernemingsplan is tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk geworden dat belanghebbende zich daadwerkelijk met het maken van zo'n plan heeft bezig gehouden. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat deze uren, 11,5, voor de beoordeling van de zelfstandigenaftrek niet kunnen meetellen. 4.15. Met betrekking tot de 32 bestede uren op 20 juni 1998, 26 juni 1998, 28 juni 1998, 30 juni 1998, 4 juli 1998 en 8 juli 1998 acht het Hof de door belanghebbende in haar brief van 3 oktober 2008 gegeven toelichting geloofwaardig. 4.16. Ten aanzien van de 115 uren die op 22 juli 1998, 23 juli 1998, 24 juli 1998, 27 juli 1998, 29 juli 1998, 7 augustus 1998, 18 augustus 1998, 20 augustus 1998, 26 augustus 1998, 31 augustus 1998, 1 september 1998, 2 september 1998, 7 september 1998, 14 september 1998, 23 september 1998, 6 oktober 1998, 12 oktober 1998, 13 oktober 1998, 9 november 1998, 20 november 1998, 25 november 1998, 27 november 1998 en 21 december 1998 zijn besteed, acht het Hof geloofwaardig dat belanghebbende deze uren heeft aangewend voor de acquisitie van opdrachten. Het feit, dat belanghebbende heeft verzuimd de desbetreffende reiskosten te (laten) verantwoorden in de boekhouding doet hier niet aan af. 4.17. Met betrekking tot de 14 uren op 10 augustus 1998, 21 augustus 1998, 24 augustus 1998 en 27 augustus 1998 ter zake van het zich verdiepen in de in het bezwaarschrift genoemde boeken is het Hof van oordeel dat deze activiteiten bijdragen tot de goede start van de consultancy activiteiten en hebben plaatsgevonden binnen het kader van de onderneming. 4.18. Met betrekking tot het feit, dat de uren in de agenda niet aansluiten op het urenoverzicht is het Hof van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de daadwerkelijke gemaakte uren afwijken van de uren die vooraf (in een agenda) worden gepland. Bovendien zijn de verschillen gering en voorts heeft belanghebbende in haar brief van 3 oktober 2008 een geloofwaardige verklaring voor deze verschillen, 20,5 uren, gegeven. 4.19. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende 836 uren - (15,5 + 11,5) = 809 uren aan de (start van
- de)onderneming van de vennootschap onder firma heeft besteed. Slot 4.20. Uit het vorenoverwogene volgt, dat aannemelijk is dat belanghebbende 415 + 809 = 1224 uren aan de ondernemingen heeft besteed. Hieruit zou volgen, dat belanghebbende niet zou voldoen aan het voor de zelfstandigenaftrek vereiste aantal uren. Belanghebbende heeft evenwel - onweersproken - gesteld dat zij ten onrechte ter zake van de opdracht voor de eenmanszaak van de gemeente F de reistijd (8 dagen x 3 uren = 24 uren) niet heeft opgenomen in het urenoverzicht. Daaruit volgt dat aannemelijk is dat belanghebbende (1224 + 24 =) 1248 uren aan de ondernemingen heeft besteed. Slotsom 4.21. Uit het vorenstaande volgt dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is en dat het hoger beroep ongegrond is. 5. Proceskosten Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,- (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966. 6. Griffierecht Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433. 7. Beslissing Het Hof: - bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, - bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 433, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966, en - wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden. Aldus gedaan op: 19 december 2008 door G.J. van Muijen, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.