HD 103.001.490 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, zesde kamer, van 28 oktober 2008, gewezen in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. L.E.J. Jonker, tegen: 1. [Y.], wonende te [woonplaats], België, 2. [Z.], wonende te [woonplaats], België, geïntimeerden, advocaat: mr. J.E. Benner, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 september 2006 en 1 april 2008. 10. Het tussenarrest van 1 april 2008 Bij genoemd arrest is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte en is iedere verdere beslissing aangehouden. 11. Het verdere verloop van de procedure [X.] heeft evenals [Y.] een akte uitlating benoeming deskundige genomen. Vervolgens hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor arrest. 12. De verdere beoordeling 12.1. [X.] heeft een (sterke) voorkeur voor benoeming van drie deskundigen aangezien het volgens [X.] om een gecompliceerde waardebepaling gaat. Het merendeel van de kunstwerken is namelijk niet op zicht te taxeren. Voorts ziet [X.] in de benoeming van drie deskundigen een waarborg tegen willekeur en al te grote verschillen van mening. Ten aanzien van de door het hof voorgestelde vragen heeft [X.] geen opmerkingen. [Y.] ziet de noodzaak van de benoeming van meer dan één deskundige niet in. Niet alleen omwille van tijdsbesparing en de voorkoming van meningsverschillen doch ook gelet op de kosten volstaat één deskundige, aldus [Y.]. [Y.] maakt voorts bezwaar tegen benoeming van (één van) de drie door [X.] voorgestelde deskundigen omdat het generalisten en geen specialisten zijn. 12.2. Het hof is met [Y.] van mening dat in dezen één deskundige volstaat. Gelet op de te taxeren kunstwerken is het van belang dat de te benoemen deskundige over specifieke deskundigheid beschikt ten aanzien van met name schilderijen uit de 19de en 20ste eeuw. [X.] heeft ten aanzien van de door [Y.] (primair) voorgestelde drs. M.C.E. Aarts opgemerkt dat deze niet voor benoeming in aanmerking komt omdat [X.] en mevrouw Aarts elkaar kennen uit het vak. [Y.] heeft nadat de desbetreffende deskundige heeft laten weten ‘geen beeld te hebben bij een vrouw met deze naam’, zulks ontkend. Het hof is evenwel van oordeel dat in deze zaak gelet op de eerdere ervaring met de benoeming van de deskundige voorts Swagemakers de onafhankelijkheid van de te noemen deskundige buiten iedere twijfel verheven moet zijn. Het hof geeft daarom de voorkeur aan de benoeming van de andere door [Y.] voorgestelde deskundige, de heer M. Haasnoot. Zowel [X.] als [Y.] hebben laten weten met deze deskundige in het verleden op geen enkele wijze te maken te hebben gehad, terwijl deze deskundige gespecialiseerd is in beeldende kunst uit de 18de, 19de en 20ste eeuw. Het hof vindt het gelet op deze deskundigheid van de heer Haasnoot niet nodig ten aanzien van het antieke biljart, de twee bronzen beelden van Fourment en de klok een andere deskundige – bij voorbeeld de door [X.] genoemde de heer W. de Winter – te benoemen. Het hof laat het aan de deskundige over indien nodig ten aanzien van deze kunstwerken nader advies in te winnen bij genoemde Winter of een andere deskundige. De deskundige dient zulks dan wel in het rapport te vermelden. 12.3. [Y.] heeft bij de door het hof voorgestelde vragen de kanttekening geplaatst dat bij de complexiteit van de waardebepaling niet alleen een rol speelt dat de schilderijen via foto’s of anderszins moeten worden getaxeerd op de waarde die zij in de periode 1998 – 2001 hadden, maar ook dat [X.] de schilderijen heeft laten restaureren en diverse malen heeft verplaatst vanwege een verhuizing. Een en ander kan inderdaad van invloed zijn op de waardebepaling van de schilderijen en daarom zal de deskundige worden gevraagd bij zijn taxatie daarmee rekening te houden. 12.4. In het tussenarrest van 1 april 2008 heeft het hof aangegeven dat het van belang is dat de kunstwerken zoveel mogelijk door de deskundige op zicht worden getaxeerd en dat, voor zover dat redelijkerwijs niet mogelijk is, de deskundige in zijn rapport dient aan te geven hoe de waarde is bepaald (r.o. 8.8). [Y.] laat weten dat in ieder geval de door het hof in rechtsoverweging 8.7. onder nummer 3 en 4 genoemde schilderijen en kunstwerken niet op zicht kunnen worden getaxeerd omdat [Y.] deze op een veiling heeft verkocht. [Y.] beschikt wel over de verkoopbewijzen van de op de veiling verkochte schilderijen en kunstwerken. Deze bewijzen kunnen inderdaad, zoals [Y.] terecht opmerkt, behulpzaam zijn bij de waardebepaling door de deskundige. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [Y.] deze bewijzen, foto’s en andere in het kader van de waardebepaling relevante bescheiden desgevraagd aan de deskundige ter beschikking stelt. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor [X.]. verzoek ex artikel 22 Rv 12.5. [Y.] wijst er op dat de schilderijen genoemd onder nummer 1a en 2 van r.o. 8.7 van het arrest van 1 april 2008 zich mogelijk nog bij [X.] bevinden. [Y.] heeft daarover bij [X.] navraag gedaan, maar [X.] heeft daarop (nog) geen antwoord gegeven. Thans verzoekt [Y.] het hof [X.] te bevelen zich daarover bij akte uit te laten. Het hof zal dit verzoek toewijzen. Het is immers in het kader van een zorgvuldige uitvoering van het onderzoek van belang dat voor de deskundige vooraf duidelijk is welke schilderijen wel en welke niet op zicht kunnen worden getaxeerd. Niet alleen omdat de deskundige zich voor een taxatie op zicht ter plaatste zal moeten begeven, maar ook omdat de deskundige ten aanzien van de kunstwerken waar zulks niet mogelijk is, er voor zal moeten zorgen - al dan niet via partijen - over voldoende bescheiden te kunnen beschikken om de waarde van die kunstwerken te kunnen bepalen. [Y.] heeft reeds aangegeven over goede kleurenfoto’s van de schilderijen genoemd onder nummer 1 en 2 van r.o. 8.7 van genoemd arrest te beschikken, waaronder een aantal foto’s gemaakt in 1993 door verzekeringstaxateur [H.]. Derhalve wordt de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [X.]. In deze akte dient [X.] aan te geven welke van voornoemde schilderen zich nog bij haar bevinden dan wel dient [X.] ingeval (een aantal van) de schilderijen zich niet meer bij haar bevinden zo mogelijk aan te geven waar de schilderijen zich dan wel bevinden. 12.6. De deskundige wordt gevraagd, rekening houdend met hetgeen in r.o. 4.10 van het arrest van 19 september 2006 is overwogen en rekening houdend met de in r.o. 12.3 van dit arrest genoemde omstandigheden, de volgende vragen te beantwoorden: 1) Wat was op 4 juli 1999 de waarde (WEV) van de volgende schilderijen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.