Parketnummer: 20-004351-07 Uitspraak : 29 april 2008 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-825240-07 tegen: [verdachte], geboren te Zwijndrecht op [datum], wonende te [postcode] [woonplaats], [adres], thans verblijvende in P.I. Noordsingel te Rotterdam, waarbij verdachte terzake van “poging tot moord” niet strafbaar werd verklaard en werd ontslagen van alle rechtsvervolging en waarbij werd bevolen dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen in verband met de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, verdachte terzake van “poging tot moord” niet strafbaar zal verklaren, hem bijgevolg zal ontslaan van alle rechtsvervolging en zal bevelen dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De verdediging heeft: • primair het standpunt betrokken dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken; • subsidiair bepleit dat verdachte terzake van het ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging; • met betrekking tot een op te leggen maatregel aangevoerd dat met de oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat: primair hij op of omstreeks 21 april 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, getracht heeft genoemde [slachtoffer] met een bankschroef, althans met een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd te slaan en/of met dat opzet [slachtoffer] met een bankschroef, althans een hard en/of zwaar voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens) met geschoeide voet (meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt; subsidiair hij op of omstreeks 21 april 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet getracht heeft genoemde [slachtoffer] met een bankschroef, althans met een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd te slaan en/of met dat opzet [slachtoffer] met een bankschroef, althans een hard en/of zwaar voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen en/of (vervolgens) met geschoeide voet (meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vaststaande feiten Het hof stelt het navolgende vast: In de nacht van 21 april 2007 waren het [slachtoffer] en haar zoon, verdachte, in de woning van het [slachtoffer] aan de [adres] te Eindhoven aanwezig. Op enig moment in die nacht is verdachte, toen [slachtoffer] in bed lag, bij haar op de slaapkamer geweest, terwijl hij een deel van een bankschroef, een groot en zwaar voorwerp, in zijn handen had. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs i. Zijdens verdachte is ter terechtzitting primair ten verweer betoogd dat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is – op gronden als in de pleitnota vervat en onder verwijzing naar de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de gedragsdeskundigen Van der Weele en Beetsma – aangevoerd dat verdachte het ten laste gelegde niet opzettelijk heeft begaan, aangezien bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak als gevolg van een bij hem bestaande ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. ii. Uit het strafdossier blijkt dat het [slachtoffer] ter gelegenheid van haar aangifte tegenover de politie een verklaring heeft afgelegd, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen van belang – : - dat [verdachte] op enig moment in de nacht van 21 april 2007 haar slaapkamer binnenkwam en zei dat zij een “alien” was, dat zij zijn energie weghaalde en dat zij zijn hersens aftapte; - dat [verdachte] vervolgens zei dat hij “iets” moest gaan pakken; - dat hij na ongeveer 5 minuten terugkwam in haar slaapkamer en dat zij zag dat hij toen een groot voorwerp in zijn handen had en dat het volgens haar een zwaar voorwerp was; - dat het best een deel van een bankschroef geweest zou kunnen zijn; - dat [verdachte] dat voorwerp met twee handen boven zijn hoofd in de lucht hield; - dat zij dacht dat [verdachte] haar met dat voorwerp wilde slaan; - dat zij vervolgens in een reflex het dekbed naar [verdachte] gooide; - dat zij zag, dat het dekbed tussen [verdachte] en haar terecht kwam op het moment dat [verdachte] een slaande beweging in haar richting maakte met het voorwerp dat hij in zijn handen had; - dat zij vervolgens voelde dat het voorwerp tegen haar been terecht kwam; - dat zij dacht dat [verdachte] haar wilde vermoorden. iii. Uit het dossier blijkt voorts dat op zaterdag 21 april 2007 bij de politie de melding binnenkwam dat er bij een bewoner van de [straatnaam] te Eindhoven een vrouw had aangebeld die was mishandeld door haar zoon. Bij die melding kreeg de politie het signalement door van deze zoon. Ter plaatse gekomen trof de politie daarop een man aan, die voldeed aan het opgegeven signalement. Deze man verklaarde vervolgens spontaan tegenover de politie dat hij naar Eindhoven was gekomen om zijn moeder te vermoorden. Deze man, zijnde verdachte, werd daarop door de politie aangehouden. iv. Ten slotte is ook verdachte door de politie omtrent zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde ondervraagd. Bij die gelegenheid heeft hij onder meer – zakelijk weergegeven en voorzover te dezen van belang – verklaard: - dat hij op de slaapkamer van [slachtoffer] is geweest en tegen haar heeft gezegd dat zij een alien is en dat zij zijn energie aftapte; - dat hij tegen haar heeft gezegd dat hij iets ging pakken en dat hij toen even weg is geweest; - dat hij een deel van een bankschroef heeft gepakt uit de kelder; - dat hij daarmee op haar hoofd wilde slaan omdat hij die alien uit zijn hoofd verwijderd wilde hebben; - dat hij haar aanviel omdat zij een alien was die in zijn lijf zat en dat hij wilde bereiken dat zij uit zijn hoofd ging. v. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de slotsom dat verdachte in de nacht van 21 april 2007 na kalm beraad en rustig overleg getracht heeft om zijn moeder, [slachtoffer], met een deel van een bankschroef, zijnde een hard en zwaar voorwerp te vermoorden. vi. Naar het oordeel van het hof had verdachte – gezien in het bijzonder zijn uitlatingen bij de politie dat hij zijn moeder wilde vermoorden – ook de opzet daartoe. Dat de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde gedragsdeskundigen hebben aangegeven dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken is geweest, staat aan het aannemen van opzet in de hiervoor bedoelde zin in het geval van verdachte niet in de weg. vii. Het verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, zomede de hiervoor vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 21 april 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, getracht heeft genoemde [slachtoffer] met een hard en/of zwaar voorwerp tegen het hoofd te slaan. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Zijdens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair ten verweer betoogd dat – in geval het hof tot bewezenverklaring van poging tot moord zou komen - verdachte terzake daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, te weten dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van de omstandigheid dat verdachte, op het moment dat hij de bankschroef boven zijn hoofd had en daarmee wilde slaan (het hof begrijpt: tegen het hoofd van het slachtoffer), zich bedacht en de bankschroef tegen haar been gooide. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel, dat de door verdachte voorgenomen moord op het [slachtoffer] slechts niet is voltooid ten gevolge van de, niet van de wil van de verdachte afhankelijke, omstandigheid dat zij, op het moment dat verdachte met de bankschroef een slaande beweging in haar richting maakte, het dekbed tussen haar en de verdachte in gooide en er aldus voor zorgde dat zij die bankschroef niet tegen haar hoofd kreeg. Het verweer wordt verworpen. Het bewezenverklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 289 van die wet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. Strafbaarheid van de verdachte Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof onder meer gelet op de inhoud van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.