dHJ 18 februari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer:HV 200.018.229 Zaaknummer eerste aanleg: 182222/FT RK 08-1033 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, hierna te noemen: [Y.], advocaat: mr. R.H. van Muijen, t e g e n de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [X.], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [X.], advocaat: mr. D.I.J. Snijders. 1. Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft op 28 oktober 2008 tussen partijen een beschikking gegeven waarin het inleidende verzoek van [Y.] tot ontbinding van het akkoord in de surséance van betaling van [X.], gehomologeerd bij beslissing van die rechtbank op 18 april 2001, is afgewezen. 1.2. [Y.] is bij beroepschrift met bijlagen, dat bij de griffie van het hof is binnengekomen op 4 november 2008, tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen. 1.3. [X.] heeft een verweerschrift met één bijlage ingediend. Dit is op 19 december 2008 bij de griffie van het hof binnengekomen. 1.4. Nadien heeft het hof nog ontvangen: ?- van de rechtbank: het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg; - van mr. G.T.J. Hoff, advocaat van [Y.], brieven met bijlagen dd. 22 en 28 januari 2009; - van mr. Snijders: een brief met bijlagen dd. 4 februari 2009. 1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Daarbij waren aanwezig: ?- de heren [K.] en [L.] namens [Y.] alsmede haar advocaten mrs. G.T.J. Hoff en L.C.M. Berger; - de heer [M.] namens [X.] en haar advocaat mr. Snijders; - mr S.M.M. van Dooren, gewezen bewindvoerder in de surséance van betaling van [X.]. De advocaten hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnotities, die zij hebben overgelegd. 1.6. Uitspraak is bepaald op heden. 2. De gronden van het verzoek Voor de gronden van het beroep en de toelichting daarop verwijst het hof naar genoemd beroepschrift. 3. De beoordeling 3.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 3.1.1. De heer [K.] was in het voetbalseizoen 1999-2000 tot 15 juli 2000 voorzit-ter van het bestuur van [X.]. In dat kader heeft [Y.], een vennootschap van de heer [K.], financiële verplichtingen jegens [X.] op zich genomen. Over de inhoud en omvang van die verplichtingen zijn geschillen ontstaan. 3.1.2. Bij beschikkingen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 augustus 2000 resp. 1 november 2000 is [X.] voorlopig resp. definitief surséance van betaling verleend. 3.1.3. [Y.] is in de surséance van betaling opgekomen met een vordering groot fl. 4.405.583,35 ter zake van verstrekte geldleningen. [X.] erkent de ontvangst van laatstgenoemd bedrag maar stelt onder meer dat sprake is van een lening met achterstelling karakter. 3.1.4. Bij inleidende dagvaarding van 21 maart 2001 heeft [X.] [Y.] doen dagvaarden en onder meer gevorderd om [Y.] te veroordelen aan haar fl. 4.126.970,- en fl. 149.416,65 te betalen. Eerstgenoemd bedrag betreft het exploitatietekort van [X.] over het jaar 1999/2000, het tweede bedrag het liquiditeitstekort in het jaar 1999/2000. [Y.] zou dit bedrag hebben gegarandeerd. Later is de eis vermeerderd met een bedrag van fl. 1.895.040,- (exploitatietekort seizoen 1999/2000). [Y.] betwist deze bedragen verschuldigd te zijn. Voor het geval [Y.] iets aan [X.] verschuldigd is, doet [Y.] in deze procedure een beroep op verrekening met haar vorderingen uit geldlening. [X.] betwist dit recht op verrekening. 3.1.5. In de surséance van betaling heeft [X.] op 21 februari 2001 een ontwerpakkoord ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. Het, na de stemming op 4 april 2001, op 18 april 2001 gehomologeerde akkoord houdt, voor zover hier van belang in: 2. [X.] zal in aanvulling op de hierbovenbedoelde uitkering nog eens maximaal 17,25% van het bedrag dat de vordering van de concurrente crediteuren meer bedraagt dan fl. 1.000,- betalen indien en voorzover en zodra bij wege van een vaststellingsovereenkomst of een in kracht van gewijsde gegane rechtelijke uitspraak is komen vast te staan dat in het kader van dit akkoord aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y.] B.V., statutair gevestigd te [plaatsnaam], geen of een lagere uitkering dan 15,25% op haar ingediende, doch betwiste vordering behoeft te worden gedaan. De bewindvoerder heeft een bedrag van fl. 685.269,34 (ruim 15,25% van fl. 4.405.583,35) gereserveerd. Dit is gebeurd met het oog op voornoemde geschillen. 3.1.6. In de genoemde dagvaardingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 19 maart 2003 geoordeeld op de vordering van [X.] tot vergoeding van het exploitatietekort. [X.] is daarvan in hoger beroep gekomen. Bij arrest van dit hof van 17 maart 2006 is geoordeeld dat sprake was van een afdwingbare sponsorovereenkomst tussen [X.] en [Y.]. Tegen dit arrest is (nog) geen cassatie ingesteld. In de visie van [Y.] betekende dit oordeel dat de vordering van [X.] op haar en haar vorderingen op [X.] (welke laatste vorderingen in totaal hoger zijn de vorderingen van [X.] op [Y.]) gereed lagen voor verrekening. Het door de bewindvoerder gereserveerde bedrag kan, zo stelt [Y.] voor, worden uitgekeerd aan de overige schuldeisers. Bij voortzetting van de dagvaardingsprocedure heeft [X.] aldus geen belang. 3.1.7. In een volgend tussenvonnis, van 10 oktober 2007, heeft de rechtbank (na te hebben beslist dat de vermeerderde eis zal worden afgewezen) vervolgens, kort gezegd, geoordeeld dat de overige vorderingen over en weer niet verrekend kunnen worden. Tegen dit tussenvonnis is geen hoger beroep opengesteld. Het eindvonnis is nog niet gewezen. 3.1.8. Als gevolg van de afwijzing van het beroep op verrekening in het laatste tussenvonnis ziet [Y.] zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat zij gehouden kan worden nog ruim 4 miljoen te moeten betalen aan [X.], dan wel de bewindvoerder. 3.1.9. In het inleidend verzoekschrift stelt [Y.] zich op het standpunt ‘dat [X.] handelt in strijd met het akkoord door: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.