BSU 26 februari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer HV 200.009.785/01 Zaaknummer eerste aanleg 91504/FA RK 02-12398 Zaaknummers gerechtshof Arnhem 589/2003 en 592/2003 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep na verwijzing van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.C.G. Verlegh, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, verder te noemen: de man, advocaat: mr. M.W. Riezebosch.
- Het geding tot en met de beschikking van de Hoge Raad 1.
- Het hof verwijst naar de op 6 mei 2003 door de rechtbank Arnhem tussen partijen gegeven beschikking. Bij die beschikking is, voorzover thans van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van die rechtbank van 13 januari 1998, de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2002 nader vastgesteld op nihil. 1.
- Beide partijen zijn van deze beschikking afzonderlijk in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem. 1.
- Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Arnhem op 4 augustus 2003, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking van 6 mei 2003 te vernietigen voorzover het de nihilstelling van de partneralimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, die alimentatie met ingang van 1 november 2002 vast te stellen op € 600,-- per maand. 1.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2003, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek als ongegrond en onbewezen te ontzeggen. 1.
- Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Arnhem op 6 augustus 2003, heeft de man -voor zover thans van belang- verzocht de vrouw te veroordelen het bedrag dat de man als alimentatie voor de vrouw heeft betaald vanaf 1 november 2002 tot en met 30 april 2003, te weten een bedrag van in totaal € 2.560,88, binnen een week na betekening van de beschikking aan hem terug te betalen. 1.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Arnhem op 2 oktober 2003 heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden en incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.
- Het gerechtshof Arnhem heeft beide zaken gevoegd behandeld op 18 december
- Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling het incidenteel beroep ingetrokken. 1.
- Bij beschikking van 20 januari 2004 heeft het gerechtshof Arnhem -voor zover thans van belang- de eerder door de rechtbank uitgesproken nihilstelling van de partneralimentatie ingaande 1 november 2007 bekrachtigd en verder bepaald dat de vrouw de door haar van de man in de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 ontvangen partneralimentatie van € 2.560,88 aan hem zal terugbetalen in termijnen van € 100,-- per maand en een laatste termijn van € 60,
- Het meer of anders verzochte heeft het gerechtshof Arnhem afgewezen. 1.
- Tegen die beschikking heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft twee cassatiemiddelen voorgedragen. Bij beschikking van 14 april 2006 heeft de Hoge Raad als zijn oordeel uitgesproken dat de in het eerste middel voorge- dragen klachten (betreffende de draagkracht van de man en daarmee de nihilstelling van de partneralimentatie) gezien art. 81 RO niet tot cassatie kunnen leiden, maar dat het tweede middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad heeft de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 20 januari 2004 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.
- Het geding sedert de beschikking van de Hoge Raad 2.
- Bij op 27 juni 2008 ter griffie van dit hof ingekomen brief heeft de vrouw het hof verzocht de zaak in behandeling te nemen. Mr. M.W. Riezebosch heeft bij brief van 8 januari 2009 aan het hof medegedeeld dat haar cliënt en zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zullen zijn en dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw in staat is tot terugbetaling van de door de man teveel betaalde alimentatie. De mondelinge behandeling in hoger beroep na verwijzing heeft plaatsgevonden op 22 januari
- Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar advocaat gehoord. Omdat de vrouw (niet haar advocaat) kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat de zaak opnieuw en volledig zou worden behandeld, zij zich daarop ook had voorbereid en het voor haar niet doenlijk was de pleitnota alsnog in te korten tot het thans nog aan de orde zijnde onderdeel van het geschil, heeft het hof de overlegging van de pleitnota toegestaan. In die pleitnota heeft de vrouw verwezen naar genummerde producties 01/01 – 09/38, die zij eveneens wenste over te leggen. Het hof heeft echter het overleggen van deze producties niet toegestaan omdat de termijn voor het indienen van producties inmiddels was verstreken. De vrouw heeft bij de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het overleggen door de man van producties bij zijn brief van 8 januari 2007, omdat zij van de brief met producties pas op 12 januari 2009 kennis heeft kunnen nemen. Dit bezwaar is afgewezen. Bedoelde brief met bijlagen is blijkens het op de brief geplaatste dagtekeningstempel op 8 januari 2009 ter griffie ingekomen, zodat de stukken binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend. 2.
- Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van: - de gemelde brief d.d. 26 juni 2008, binnengekomen ter griffie van het hof op 27 juni 2008, met bijlagen van mr. M.J.L. Schram, optredende voor mr. Verlegh voornoemd; - de brief d.d. 17 juli 2008 van mr. Schram; - de brief d.d. 27 oktober 2008 van mr. Schram; - de brief d.d. 30 oktober 2008, met als bijlage het procesdossier, van mr. Verlegh, - voormelde brief d.d. 8 januari 2009 met bijlagen van mr. M.W. Riezebosch namens de man, - de door de vrouw zelf per fax toegezonden brief d.d. 12 januari 2009 met bijlagen; - de pleitnota van de vrouw zelf; - de brief d.d. 30 januari 2009 van de advocaat van de man. 2.
- Het hof heeft tevens kennisgenomen van de door de vrouw zelf per fax toegezonden brief d.d. 19 januari 2009 met bijlagen, hoewel deze is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriften familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De man heeft tegen de inzending van deze brief buiten de termijn geen bezwaar gemaakt. 2.
- Bij de genoemde brief van 30 januari 2009 heeft de advocaat van de man bezwaar gemaakt tegen het alsnog overleggen van stukken door de vrouw ter zitting van het hof. 2.
- Bij op 5 februari 2009 en nogmaals op 9 februari 2009 per fax ingekomen brief d.d. 3 februari 2009 heeft de vrouw gereageerd op de onder 2.
- bedoelde brief. Het hof heeft geen kennisgenomen van de bij de brief van 3 februari 2009 gevoegde bijlage, nu deze buiten de daarvoor geldende termijn is overgelegd.
- Begrenzing van het geschil na verwijzing 3.
- Voor de aan het geding ten grondslag liggende feiten en omstandigheden verwijst het hof naar de weergave daarvan in de beschikking van de Hoge Raad van 14 april
- 3.
- Met betrekking tot het tweede middel, dat opkomt tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem dat de vrouw de stelling van de man, dat hij in verband met de terugwerkende kracht van de bestreden beschikking vanaf 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 € 2.560,88 teveel aan partneralimentatie aan de vrouw heeft betaald, onvoldoende heeft bestreden en dat opkomt tegen de daarop gebaseerde beslissing dat de vrouw dit bedrag in termijnen van € 100,-- per maand en een laatste termijn van € 60,88 aan de man zal terugbetalen, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: Het onderdeel betoogt dat de vrouw verweer heeft gevoerd tegen terugbetaling, zodat het hof indachtig de beschikking van de Hoge Raad van 20 september 2002, nr. R01/090, NJ 2003, 47, tot een nadere motivering was gehouden. Ingevolge de genoemde beschikking van de Hoge Raad zal de rechter, ingeval een onderhoudsbijdrage is gewijzigd over een periode in het verleden, moeten beoordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering, indien verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is. Het middel voert terecht aan dat de vrouw het verweer heeft gevoerd dat zij niet tot terugbetaling in staat is. Zowel in haar hiervoor onder 3.
- genoemde verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel beroep als tijdens de mondelinge behandeling is door of namens de vrouw in het principale beroep van de man verweer gevoerd tegen terugbetaling, in welk verband onder meer is aangevoerd dat de vrouw een inkomen heeft beneden bijstandsniveau, dat zij de door de man betaalde alimentatie heeft gebruikt om te voorzien in haar eerste levensbehoeften, dat het geld op is, en dat zij geen rekening kon houden met terugbetaling omdat niet duidelijk was dat de draagkracht van de man zou verminderen. Gelet op het hiervoor overwogene kon het hof ter motivering van zijn oordeel dat de vrouw dient terug te betalen, niet volstaan met de overweging dat de vrouw de stelling van de man dat hij in verband met de terugwerkende kracht van de beschikking vanaf 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 € 2.560,88 te veel aan partneralimentatie heeft betaald, onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. 3.
- Gelet op deze overwegingen van de Hoge Raad en het oordeel van de Hoge Raad aangaande het eerste middel (zie 1.9.) heeft het hof uitsluitend opnieuw te oordelen over het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door hem gedurende de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 betaalde partneralimentatie tot een bedrag van in totaal € 2.560,
- Aan het verzoek van de vrouw dat strekt tot een nieuwe en integrale behandeling van de zaak “om de cassatiemiddelen 1 en II beide correct gemotiveerd en herzien te krijgen”, kan reeds om die reden niet worden voldaan. Het hof is immers gebonden aan beslissingen in de vernietigde uitspraak die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Ook partijen zijn daaraan gebonden. Het feit dat de in cassatie bestreden uitspraak is vernietigd, betekent dus niet dat alle beslissingen in die uitspraak van de baan zijn. Dit betekent dat het hof en partijen gebonden zijn aan de beslissingen in het dictum van de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 20 april 2004, voor zover niet betreffende de kwestie van de terugbetaling door de vrouw van de door de man teveel betaalde partneralimentatie. Het verzoek van de vrouw om “herziening” en de “formele klacht tegen alle Arnhemse Rechtbank en Hof uitspraken” kunnen dus niet worden behandeld, voor zover dat verzoek en die klacht de terugbetalingskwestie te buiten gaan. Voor zover de vrouw erover klaagt dat zij niet tijdig is opgeroepen na de uitspraak van de Hoge Raad in 2006, dient deze klacht te falen, nu het aan de meest gerede partij - in dit geval de vrouw - is de voortzetting van de procedure na verwijzing door de Hoge Raad te entameren.
- De beoordeling 4.
- In zijn op 6 augustus 2003 ter griffie van het gerechtshof Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen om het bedrag dat hij als alimentatie voor de vrouw teveel heeft betaald in de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 gezien de beschikking van de rechtbank d.d. 6 mei 2003, te weten een totaalbedrag van € 2.560,88, aan hem terug te betalen binnen een week na betekening van de beschikking van het gerechtshof. Ter toelichting op dit verzoek heeft de man in dat beroepschrift aangevoerd dat de vrouw weigert om de teveel aan haar betaalde alimentatie terug te betalen, terwijl de man dit bedrag onverschuldigd heeft betaald en hij dit bedrag bovendien nodig heeft om te kunnen voldoen aan zijn geldelijke verplichting ten opzichte van de vier kinderen van partijen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof Arnhem op 18 december 2003 heeft de man daaraan toegevoegd dat de rechtbank Arnhem het verzoek van de man om de alimentatie ten behoeve van de vrouw op nihil te stellen heeft gehonoreerd en wel met terugwerkende kracht tot 1 november 2002, maar dat hij in afwachting van de beslissing van de rechtbank de alimentatie is blijven door- betalen omdat de vrouw anders ongetwijfeld tot het nemen van executie- maatregelen zou zijn overgegaan. De man heeft verder gesteld dat de vrouw er vanaf het moment dat zij van het hiervoor vermelde verzoek van de man had kennisgenomen, rekening mee had kunnen en moeten houden dat het verzoek van de man gehonoreerd zou worden en dat zij dus zou moeten overgaan tot terugbetaling van door haar van de man ontvangen alimentatieuitkeringen, desgewenst in termijnen. 4.
- In haar op 2 oktober 2003 ter griffie van het gerechtshof Arnhem ingekomen verweerschrift heeft de vrouw, voorzover hier van belang, gesteld dat zij al geruime tijd een inkomen heeft beneden bijstandsniveau en dat zij de betaalde bijdrage voor levensonderhoud van de man heeft opgebruikt ter voorziening in haar eerste levensbehoeften en dat zij geen mogelijkheden heeft gehad om gelden te reserveren teneinde aan een verzoek tot terugbetaling te kunnen voldoen. 4.
- In zijn brief d.d. 8 januari 2009 heeft de man opnieuw betwist dat het inkomen van de vrouw beneden bijstandsniveau ligt en dat zij de gelden heeft gebruikt om te voorzien in de eerste levensbehoeften. In dit verband heeft de man erop gewezen dat de vrouw nog steeds in de echtelijke woning verblijft en dat zij niet alleen de maandelijkse vaste lasten, waaronder de hypotheekrente, betaalt, maar tevens in staat is gebleken om aanzienlijke bedragen vroegtijdig af te lossen en voor een bedrag van € 430.118,-- aan de woning te verbouwen, waarbij de man overigens niet erkent dat de vrouw de woning voor dat bedrag heeft verbouwd. De man heeft er verder op gewezen dat de uitgaven van de vrouw niet in overeenstemming zijn met die van een bijstands- gerechtigde, alsmede dat de woning een aanzienlijke overwaarde heeft en dat de vrouw dus in staat is om de door haar teveel ontvangen alimentatie aan hem terug te betalen, zeker na verkoop van de echtelijke woning. De vrouw heeft het door de man als voormeld gestelde uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. 4.
- Het hof overweegt als volgt. 4.4.
- In zijn beschikking van 20 januari 2004 heeft het gerechtshof Arnhem onder 4.
- het volgende overwogen. “De man stelt dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Hij stelt daartoe dat de vrouw hoge lasten heeft en volgens eigen opgave nauwelijks inkomsten heeft. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat zij met name leeft van de alimentatie van de kinderen, de door de kinderen ontvangen bijdragen aan studiefinanciering en van leningen bij de bank en bij derden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, die naar het oordeel van het hof aannemelijk heeft gemaakt dat zij gelden leent, heeft de man onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit de juistheid van zijn stelling kan volgen. Hierbij betrekt het hof nog dat de man zijn stelling dat de vrouw huurinkomsten dan wel andere hem onbekende inkomsten heeft niet nader heeft onderbouwd, zodat het hof daarmee geen rekening houdt.” 4.4.
- Voorts is van belang dat de vrouw ter zitting van dit hof onbetwist heeft verklaard dat zij, nadat zij daarvóór ook al gedurende een periode van 2 jaar in aanmerking was gekomen voor een bijstandsuitkering, met ingang van februari 2006 opnieuw voor een bijstandsuitkering in aanmerking is gekomen. De vrouw heeft ter zitting van het hof een uitkerings- specificatie over de maand september 2008 getoond, waaruit is gebleken dat aan de vrouw in genoemde maand terzake van bijstand een bedrag van € 778,42 netto is uitgekeerd en terzake van toeslag WW/WAO een bedrag van € 75,
- De vrouw heeft voorts onbetwist gesteld dat zij de gelden voor de hypotheekrente en -aflossing en voor de verbouwing heeft geleend of betaald van de studiefinanciering van de kinderen. Voorts heeft zij onbetwist gesteld dat zij subsidies voor de verbouwing heeft ontvangen. 4.4.
- Het is van algemene bekendheid dat aan de verstrekking van een bijstands- uitkering een financieel onderzoek door de uitkeringsinstantie voorafgaat en dat de uitkering alleen dan wordt verstrekt indien de aanvrager van de uitkering niet op andere wijze in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Hetgeen de man in zijn brief d.d. 8 januari 2009 aan dit hof heeft gesteld is onvoldoende om daarover anders te oordelen. 4.4.
- Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat de vrouw de door haar betaalde alimentatie volledig heeft moeten gebruiken om te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud en dat zij geen gelden heeft kunnen reserveren om indien nodig te kunnen overgaan tot terugbetaling van door de man teveel betaalde partneralimentatie en dat zij daarmee dan ook geen rekening kon te houden. 4.4.
- De man heeft nog gesteld dat de woning een aanzienlijke overwaarde vertegenwoordigt en dat de vrouw het door hem teveel betaalde alimentatiebedrag te zijner tijd uit haar aandeel in de overwaarde kan terugbetalen. De vrouw heeft het door de man gestelde uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist, onder andere door te stellen dat zij met een eventuele uitkering terzake van overwaarde haar schulden zal moeten aflossen en de man heeft nagelaten zijn stellingen met betrekking tot de (over)waarde van de voormalige echtelijke woning met voldoende in rechte geloof verdienende bescheiden te onderbouwen. 4.4.
- Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door hem teveel betaalde alimentatie alsnog moet worden afgewezen. 4.4.
- Gelet op hetgeen onder 3.
- is overwogen omtrent de gebondenheid van het hof en partijen aan de beslissingen in de beschikking van het gerechtshof Arnhem met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de terugbetaling door de vrouw aan de man van de teveel betaalde partneralimentatie ad € 2.560,88, zodat de door de Hoge Raad uitgesproken vernietiging, naar het hof begrijpt, uitsluitend dat onderdeel betreft, zal het hof in het dictum uitsluitend op bedoeld onderdeel opnieuw beslissen.
- De beslissing Het hof na verwijzing opnieuw rechtdoende: wijst alsnog af het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan hem van het bedrag van € 2.560,88 dat de man over de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2003 terzake van alimentatie heeft betaald; verstaat dat de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 20 januari 2004 voor het overige in stand is gebleven; compenseert de proceskosten van het geding na verwijzing zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Raab, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.